Auteursarchief: Cor

Cultuurgeschiedenis

Wekenlang heb ik me verdiept in de 21 delen van de Time/Life-serie “Bloeiperioden der mensheid”. Deze serie verscheen van 1966 tot 1969. Elk deel heeft plm. 180 bladzijden tekst, gevolgd door een jaartallenoverzicht en een register. De 8 hoofdstukken van een boek worden telkens gevolgd door zo’n 10 bladzijden met uitgebreid toegelichte foto’s van cultuurhistorische objecten.
Uiteraard is het jammer dat de boeken een halve eeuw oud zijn. Daardoor heb ik vast nieuwe ontdekkingen (bijvoorbeeld van de archeologie van het Oude Amerika) en veranderde inzichten (bijvoorbeeld inzake het deïsme in de Verlichting) gemist. Ook ontbreken in het deel over de 20ste eeuw de laatste ontwikkelingen, zoals het einde van het IJzeren Gordijn en de opkomst van de radicale islam. Dat alles neemt niet weg dat mijn lectuur van deze serie een boeiende ontdekkingstocht was aan de hand van gerenommeerde deskundigen.

Zoals altijd leren ook deze historische boeken mij als West-Europese mens bescheidenheid. Wij kunnen wel denken dat wij in het ontwikkelde Westen, mede onder invloed van het christelijk geloof, per definitie beschaafder zijn dan andere volken, maar de werkelijkheid is anders. Twee voorbeelden.
Je kunt ontsteld lezen over de massale mensenoffers door de Azteken, waarbij het kloppende hart uit het lichaam werd gerukt, maar in diezelfde tijd werden in Spanje de Joden bloedig vervolgd, terwijl een paar eeuwen eerder de katharen met de zegen van de kerk op een barbaarse wijze zijn gemarteld en afgeslacht.
Natuurlijk is het verschrikkelijk hoe in de 17de eeuw de Japanse christenen door hun volksgenoten zijn uitgemoord, maar in Duitsland woedde toen de Dertigjarige Oorlog, waarbij protestanten en katholieken elkaar zo fel bestreden dat het land grotendeels ontvolkt werd.
Ronddwalend in de geschiedenis kun je niet anders concluderen dan dat de mens maar weinig geneigd is tot liefde en voortdurend onmachtig en zelfs onwillig is om aan vrede te werken.

Boeiend is hoe de verschillende culturen elkaar hebben beïnvloed. Zo is de wetenschappelijke ontwikkeling van het Westen in en na de Middeleeuwen mede op gang gekomen door wat de moslims hebben aangereikt. Maar zij hebben weer hun winst gedaan met resultaten van wetenschappers uit het vroegere Voor-Indië en China. Het meest bekende voorbeeld van deze uitwisseling is het gebruik van de nul, dat in India bedacht is en via de moslims het Westen heeft bereikt. En wat ons alfabet betreft: dat is door de Feniciërs ontwikkeld en via de Grieken en de Romeinen naar ons gekomen.

Een dergelijke uitwisseling van culturen heeft in het oude Amerika grotendeels ontbroken. Vandaar het merkwaardige fenomeen dat bepaalde ontwikkelingen daar niet hebben plaatsgevonden. De oude rijken van de Azteken, Maya’s en Inca’s hebben bijvoorbeeld het wiel niet gekend. Wel is er speelgoed gevonden voorzien van wieltjes, maar ze zijn niet op het idee gekomen om voertuigen met wielen te maken, vast ook omdat ze geen geschikte trekdieren hadden. Opmerkelijk is eveneens dat geen van de oud-Amerikaanse volken het schrift kende, met uitzondering van de Maya’s die een rudimentaire vorm van schrift hadden.
Maar ondanks deze beperkingen hebben de oud-Amerikaanse volken grote culturele prestaties geleverd op het gebied van de bouwkunst en de edelsmeedkunst. Wonderlijk hoe veel van die bouwkunst uit de oerwouden tevoorschijn is gekomen. En al hebben de Spaanse conquistadores onvoorstelbaar veel schatten weggeroofd en gerecycled, toch is er genoeg over gebleven waardoor je vol bewondering kunt zijn voor de vaardigheid van de oude ambachtsmensen.
Interessant is hoe genuanceerd geschreven wordt over de verovering van het oude Amerika door de conquistadores Cortes en Pizarro. Natuurlijk blijf je als mens uit de 21ste eeuw verbijsterd over de arrogantie en meedogenloosheid waarmee deze heren meenden het gebied van anderen te mogen bezetten en leeg plunderen. Tegelijk wordt duidelijk dat ze daarbij gebruik konden maken van de haat die leefde bij de onderdrukte volken tegen hun meesters. Overigens is de barbaarsheid van de Spanjaarden nog niet eens het ergste dat ze de inheemse bevolking hebben aangedaan. Fataal was dat ze ziektekiemen meebrachten waartegen de ‘Indianen’ niet bestand waren, met als gevolg dat binnen een eeuw zo’n 90% van de bevolking (miljoenen mensen!) door besmettelijke ziekten is uitgestorven.

En zo voert elk deel je weer in een andere wereld en maak je telkens interessante uitstapjes. In het deel van Japan wordt verteld hoe vroeger een goed samoeraizwaard werd gesmeed en hoe een vechtjas z’n zwaard soms uitprobeerde op lijken of zelfs op een veroordeelde misdadiger. Maar diezelfde samoerai kon ook in kalligrafie geïnteresseerd zijn en oefende dan eindeloos in het werken met de penseel om de Japanse karakters zo elegant mogelijk weer te geven.

Lezend in het deel over de Europese 19de eeuw werd ik erdoor geraakt dat de grote heren van de industriële revolutie hun arbeiders (mannen, vrouwen én kinderen) zo schrikbarend hebben laten lijden terwijl zij in weelde baadden. Ik blijf het onbegrijpelijk vinden hoe, veelal christelijke, ondernemers die gespletenheid voor elkaar kregen. Kennelijk is het eigen aan de mens dat die zich compleet kan afsluiten voor informatie die hem niet van pas komt. Daarvan zijn talloze voorbeelden te geven. Denk maar aan de generaals uit de Eerste Wereldoorlog die bij een bestorming van vijandige loopgraven tienduizenden soldaten de dood in joegen terwijl ze konden weten dat zo’n actie volstrekt zinledig was.

Zoals ik mijn lectuur van deze serie beschrijf lijkt het erop dat de “bloeiperioden der mensheid” voornamelijk kommer en kwel hebben gebracht. Voor een deel is dat helaas maar al te waar, want in de loop van de eeuwen is er constant gevochten en gemoord. Dat neemt niet weg dat diezelfde mensheid onvoorstelbare schatten heeft geproduceerd. Zo zijn alleen al in de Nederlandse Gouden Eeuw meer dan miljoen schilderijen gemaakt. En wat staan onze bibliotheken niet vol met fantastische boeken. Ook hebben mensen prachtige zaken uitgevonden waar we tot op de dag van vandaag van profiteren, van riolen tot computers, van waterleidingen tot medicijnen. Wat dit alles betreft zijn we er echt op vooruitgegaan. Maar terwijl ik dat schrijf vallen elders in de wereld slachtoffers door geweld met behulp van destructieve uitvindingen. Onze cultuurgeschiedenis roept dus altijd gemengde gevoelens op.

Visies op seksualiteit

In een tv-praatprogramma werd kort geleden het christendom weer eens gekritiseerd omdat dit de mensen beroofd zou hebben van seksueel genot. Ook door de zogenaamde Nashvilleverklaring werd (m.i. begrijpelijk) de afkeer van christenen geactiveerd als zouden zij wars zijn van seksueel genieten. Deze gelijkstelling van christendom en seksuele beknotting is eenzijdig en grotendeels onjuist. Dat komt duidelijk naar voren in de historische beschrijvingen van Peter Brown (Lichaam en maatschappij. Man, vrouw en seksuele onthouding in het vroege christendom, 50 na C.-450 na C., 1990) en H.W. de Knijff (Venus aan de leiband. Europa’s erotische cultuur en christelijke sexuele ethiek, 1987).

Het is waar, in de loop van de tijd hebben christelijke theologen vaak moeilijk gedaan over seksualiteit, maar daarin sloten ze in feite aan bij niet-christelijke opinieleiders in hun omgeving.
Dat gaat allereerst op voor de eerste eeuwen van onze jaartelling. Toen waren er Griekse en Romeinse filosofen die zich schaamden voor hun lichamelijkheid, vanuit de gedachte dat hun goddelijke ziel in het stoffelijke lichaam als een kerker was opgesloten. Tegen die achtergrond is het te verklaren dat deze antieke heidenen seks met z’n uitgesproken lichamelijkheid een activiteit vonden waardoor je jezelf verontreinigde. Het was dus niks nieuws dat ook onder christenen zulke visies voorkwamen, al waren het sektariërs als de encratieten die hierin het meest extreem waren.
Met een grote stap verder in de geschiedenis komen we uit bij de victoriaanse verpreutsing uit de negentiende eeuw. Volgens De Knijff was ook die geen vrucht van christelijke bezinning maar van veelal niet-christelijke opinies uit het zogenaamd verlichte burgerdom. Overigens ging die verpreutsing – heel huichelachtig –  ermee samen dat de man alle vrijheid werd toegekend zich met behulp van prostitutie seksueel uit te leven.

Intussen bewijzen we elkaar geen dienst door opgelucht te beweren dat wij het laatste halve eeuw alle seksuele beknotting achter ons hebben gelaten, want daarmee plaatsen we in feite de seksualiteitsbeleving buiten alle moraliteit. In het bovengenoemde tv-programma gebeurde dat door vrouwelijke deelnemers die voor zichzelf dezelfde seksuele ongebondenheid bepleitten als veel mannen zich veroorloven. Wie dat praktiseert verplat seks tot niet meer dan behoeftebevrediging zoals eten en drinken, waarbij de partner die je hiervoor nodig hebt inwisselbaar is.
Daarentegen wordt in het Oude Testament seksueel contact aangeduid als het ‘kennen’ van iemand. Naar Gods oorspronkelijke bedoeling is seks namelijk voor alles de uiting en bevestiging (je zou kunnen zeggen: het sacrament) van een bestaande relatie. Op deze manier levert seks niet alleen tijdelijk fysiek genot op maar ook langdurige geestelijke voldoening. En natuurlijk komen dan begrenzingen aan de orde. Zie over dit thema het verhelderende artikel van De Knijff in mijn site-rubriek ‘Teksten van anderen’, no.18.

Maar terug naar de visies die christenen in de loop van de geschiedenis op seksualiteit hebben gehad. Je kunt het kort zo samenvatten dat de hoofdstroom van de christelijke kerk altijd heeft gependeld tussen twee uitspraken van Paulus: allereerst z’n waarschuwing tegen mensen die het huwelijk verbieden, terwijl dat instituut het gevolg is van Gods schepping van de lichamelijke mens (vergelijk 1 Timoteüs 4:3-4), en daarnaast z’n stelling dat ongetrouwd-blijven beter is dan te trouwen (zie 1 Korintiërs 7:38).
Vaak leverde dat pendelen geen balans op. Zo werd in de eerste eeuwen de ongehuwde staat telkens ver verheven boven de gehuwde staat; wel bleef het huwelijk altijd legitiem maar vooral om het krijgen van kinderen en als geneesmiddel tegen losbandigheid. In de tijd van de Reformatie gebeurde het omgekeerde: het huwelijk werd als het normale aangeprezen terwijl het ongetrouwd-zijn erg terughoudend werd benaderd.

Zoals De Knijff het beschrijft lijkt het erop dat de middeleeuwse theoloog Albertus Magnus (± 1200-1280) een goede balans heeft gevonden. Als geestelijke was hij met overtuiging het celibaat toegedaan, maar tegelijk benaderde hij het huwelijk als een liefdeseenheid, een levensgemeenschap. Al bleef ook voor hem de lust-om-de-lust ondenkbaar, toch zag hij het genot als een natuurlijk aspect van de geslachtsdaad, als een eerbare en door God gezegende handeling.

Albertus’ visie is extra opvallend omdat christelijke theologen haast altijd problemen hadden met seksueel genot. Daar zal een psychologische kant aan zitten, omdat zij het wellicht lastig vonden dat je bij het orgasme alle controle over jezelf kwijtraakt en dat hoort toch zo niet te zijn. Maar hun moeite hing ook samen met het tiende gebod, waarin begeerte, en h.i. dan ook de seksuele begeerte, verboden wordt.
Augustinus ging zo ver dat naar zijn overtuiging seksueel contact, inclusief de erectie, in het paradijs eenvoudigweg plaatsvond door de kracht van Adams wil; daar kwam geen seksuele begeerte bij te pas. Ondanks zijn goede woorden over het huwelijk bleef Augustinus dan ook de coïtus grotendeels onverteerbaar vinden omdat het ultieme moment van het orgasme buiten de wil omgaat.
Ik krijg de indruk dat Calvijn in dezelfde trant dacht. Want in een vooroorlogse vertaling van zijn preek over Deuteronomium 5:18 typeert hij de seksuele begeerte als ‘een gebrek, dat ons tot beschaming moet zijn’, als ‘een onbeheerstheid van het vlees’, waarbij  het huwelijk ‘een passend geneesmiddel’ is. En dan zegt hij letterlijk: ‘Deze onbeheerstheid van het vlees, hoewel in zichzelf slecht zijnde en te veroordelen, zal ons voor God niet toegerekend worden, als deze huwelijksdekmantel er zijn zal.’ Dus, waarom is de beschamende ‘bedgemeenschap’ toch voor God ons niet tot schande? ‘De dekmantel van het huwelijk is daar om te heiligen wat bezoedeld en ongewijd is, (…) om te reinigen wat van zichzelf vuil is.’

Dit maakt begrijpelijk waarom de auteurs van christelijke voorlichtingsboeken tot halverwege de vorige eeuw er niet toe konden komen seks te beschrijven in de trant van de vreugdevolle benadering van het bijbelboek Hooglied. Heel treurig. Tegelijk moeten we hier volgens mij niet over schamperen. Want deze eeuwenoude moeite met het seksuele genot bewijst wel dat onze voorvaders er weet van hadden dat je niet naïef met de seksuele begeerte moet omspringen, want het foute gebruik hiervan ligt op de loer. De vele misbruikzaken binnen én buiten de kerk maken de waarheid hiervan helaas voldoende duidelijk.

 

Douma over Israël

In Psalm 92 wordt over rechtvaardigen gezegd: “Zij dragen nog vrucht als ze oud zijn en blijven krachtig en fris”. Op Jochem Douma, emeritus-predikant en emeritus-hoogleraar van de Theologische Universiteit te Kampen, is dat zeker van toepassing: in 2004, het jaar dat hij 73 werd, verscheen deel 1 van de elfdelige reeks: “Gaan in het spoor van het Oude Testament”, afgesloten in 2008, toen hij 78 werd. De ruim 1500 bladzijden van deze reeks vormen een boeiende en waardevolle inleiding op alle oudtestamentische boeken – heb ik al lezend gemerkt. Eveneens in 2008 verscheen “Christenen voor Israël?” Douma sloot z’n bijbelse studies af door in 2013-2017 (toen hij dus 82-86 jaar was) vier gebonden boeken te laten verschijnen met ruim 1500 bladzijden commentaar op alle Psalmen.
Doorgaans vind ik (zelf emeritus-predikant) het maar niks dat predikanten ook na hun emeritaat door blijven jubileren, alsof zij anders behandeld zouden moeten worden dan gepensioneerde docenten of buschauffeurs. Maar voor een emeritus als Douma wil ik graag een uitzondering maken.

Het gaat me nu om “Christenen voor Israël? Verantwoording van een politieke keus“. In dit boek heeft Douma het over de vraag hoe wij als christen bijbels gezien hebben te staan tegenover het joodse volk en tegenover de staat Israël.
Vaak hebben christenen warme gevoelens voor het volk van de Joden vanwege het feit dat hun Heer, Jezus Christus, als mens uit dit volk afkomstig is. Ook gunnen veel christenen de Joden graag een eigen plek en staat vanwege hun schaamte over de verschrikkingen die de Joden in de loop van de eeuwen door met name christelijke Europeanen is aangedaan (zie daarover “Elke dag gedenkdag. Kroniek van het joodse lijden”, geschreven door Simon Wiesenthal, besproken in Leeservaring no.10).
Waar het boek van Douma over gaat is dat veel christenen, vooral in de Verenigde Staten, om theológische redenen achter het joodse volk en de staat Israël staan. Zij worden wel christen-zionisten genoemd. Zo stellen zij dat Gods belofte uit Genesis 15:18-20 aan Abraham over het land Kanaän nog altijd geldig is. Dat betekent dat volgens hen de Joden récht hebben op al het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan, waarom ze het bouwen van joodse nederzettingen op Palestijns grondgebied prima vinden. Deze christen-zionisten hebben dan ook principieel bezwaar tegen de tweestatenoplossing, dus dat Palestina verdeeld wordt tussen Joden en Palestijnen. Zelfs het sluiten van eventuele compromissen door Joden met Palestijnen over grenslijnen en over de stad Jeruzalem is voor christen-zionisten onbespreekbaar.

Het kan duidelijk zijn dat op deze manier de rechten van de Palestijnen van geen belang zijn, al wonen zij vaak al generaties lang in het land. Verbazingwekkend hoe deze christen-zionisten Christus’ opdracht uit de Bergrede negeren: “Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.” Door deze opstelling dragen zij allerminst bij aan een politieke oplossing in het Midden-Oosten.
Hier komt nog bij dat vergeten wordt dat de zogenaamde landbelofte in het Oude Testament altijd voorwaardelijk was: de vervulling daarvan was afhankelijk van het geloof van de betrokkenen. Toen ontrouw aan God dominant werd onder de Israëlieten verloren ze het ene gebied na het andere, totdat ze tenslotte in ballingschap gingen. Verder is opvallend dat Gods landbelofte aan Abraham door Paulus verbreed wordt: Abraham en z’n nageslacht (en dat zijn bij Paulus de christen-gelovigen van joodse én heidense afkomst) ontvingen de belofte dat ze de wéreld in bezit zouden krijgen (Romeinen 4:13).

Wat Douma in z’n boek overtuigend aantoont is dat er bij de christen-zionisten theologisch meer aan de hand is dan hun visie op de landbelofte. Ze hebben eveneens een heel eigen opvatting over de aankondigingen van de oudtestamentische profeten, incl. Ezechiëls profetieën over de nieuwe tempel, en over wat zij noemen de opname van de christelijke gemeente (1 Tessalonicenzen 4:16-17). In mijn ogen bizar is hoe zij aan de haal gaan met het boek Openbaring.
Het gevolg van dit alles is dat de kerk en Israël volgens de christen-zionisten elk hun eigen weg gaan door de geschiedenis, waarom het onnodig is Joden tot het christelijk geloof over te halen. Als ik het goed begrepen heb, hebben christenen van Joodse en heidense afkomst volgens sommige christen-zionisten zelfs een verschillende eindbestemming: gelovige Joden verblijven te zijner tijd op de nieuwe aarde en gelovige heidenen in de hemel.

In zijn boek gaat Douma uitgebreid in op de verschillende deelthema’s. Ook wie niet geïnteresseerd is in het gesprek met de christen-zionisten zal met belangstelling lezen wat hij schrijft over de oudtestamentische profetieën. Elke bijbellezer vraagt zich immers herhaaldelijk af: in hoeverre kunnen wij nog een nadere vervulling verwachten van die profetieën? Douma helpt verder om de eigen aard van zulke profetieën beter te begrijpen en de gevolgen van de komst van Christus voor het lezen van die profetieën. Helpend is het onderscheid dat Douma maakt tussen einder en einde: vaak lijkt het alsof een bepaalde vervulling de eindvervulling is (denk aan de terugkeer uit de ballingschap), terwijl de geschiedenis daarna toch verder blijkt te gaan.
Ook spreekt een profeet altijd binnen het oudtestamentische referentiekader, waarom bijvoorbeeld Jesaja over kinderen op de nieuwe aarde vertelt dat ze pas sterven als honderdjarige (65:20), terwijl in Openbaring wordt aangekondigd dat de dood verdwenen zal zijn (21:4). Verder hebben de oude profeten het over het aanwijsbare Jeruzalem als toekomstige hoofdstad voor alle volken terwijl Paulus verwijst naar het hemelse Jeruzalem (Galaten 4:24-26), dat te zijner tijd vanuit de hemel op de aarde daalt (Openbaring 21:2).
Dit alles kan duidelijk maken dat het simplistisch is te zeggen dat we de oudtestamentische profetieën ‘gewoon letterlijk’ moeten lezen. De Bijbel zelf maakt duidelijk dat zorgvuldigheid om meer vraagt.

Overigens moet Douma niks hebben van het zogeheten vervangingsmodel. Daarmee wordt bedoeld dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Dat klopt niet met wat Paulus in Romeinen 9-11 schrijft. De kerk bestaat nu eenmaal uit het gelovig-geworden Israël, waar de gelovig-geworden heidenen bij gekomen zijn. Je kunt de kerk in Douma’s terminologie het verbrede Israël noemen. Vandaar dat allerlei typeringen van Israël door Petrus zomaar toegepast worden op de kerk, het verbrede Israël (zie tegenover elkaar: Exodus 19:5-6 en 1 Petrus 2:9, alsook: Hosea 2:25 en 1 Petrus 2:10).

Douma heeft geen makkelijk boek geschreven. Maar ja, de Bijbel zelf is geen makkelijk boek, al is de kern zo helder als glas: Christus, onze redder, onze heer, onze toekomst. Het erkennen van Hem wordt gelukkig gedeeld door alle christenen, of ze nu christen-zionist zijn of niet.

Volken en stammen

Als je wilt leren je te verwonderen of je te schamen, dan moet je de boekenserie “Volken en stammen” lezen die in 1974-1978 uitkwam onder redactie van Joep Büttinghausen. De serie omvat twaalf delen met elk 153 bladzijden tekst, gevolgd door een register en voorzien van talloze (kleuren)foto’s, met o.a. als auteurs: Herman Wouters, Wolf Kielich en Cees Gloudemans.

Maar voordat ik op die verwondering en schaamte inga zij eerst gezegd dat het uitermate interessante boeken zijn. Honderden volken en stammen over de hele wereld passeren de revue. Er wordt stilgestaan bij de vraag hoe en wanneer groepen op hun plek zijn terechtgekomen. Hun uiterlijk wordt beschreven en met foto’s getoond. Er wordt verteld over hun taal, hun leefgewoontes, hun omgaan met seksualiteit, hun levensbeschouwing, hun artistieke prestaties en hun spelgewoontes. Door de grote hoeveelheid gegevens krijgt het geheel vaak wat opsommerigs maar dat wordt meer dan vergoed door de vele treffende foto’s met hun toelichting.

Wie kennisneemt van deze beschrijvingen kan niet anders dan zich verwonderen over van alles. Wat is er een grote verscheidenheid aan mensentypes en dat terwijl ons gezicht maar een kleine omvang heeft. En hoe is het mogelijk dat er zulke grote verschillen in gebruiken bestaan, zelfs tussen groepen die dicht bij elkaar wonen.
Indrukwekkend is vaak ook de artistieke vaardigheid onder de beschreven volken en stammen. Het is waar, tegenwoordig kom je onder hen geen grote bouwers meer tegen zoals in de tijd waarmee de archeologie zich deels bezighoudt. Dat neemt niet weg dat de kleinkunst volop aanwezig is, wat de productie van houtsnijwerk, weefkunst en aardewerk afdoende bewijst.  Ook kom je een grote variatie tegen aan muziek- en dansvormen.
En dan het fenomeen van de taal. Verbazend hoe een oertaal kan uitwaaieren in een grote hoeveelheid talen, waarvan de gebruikers elkaar niet eens meer kunnen verstaan. Een bekend voorbeeld is natuurlijk het Latijn, dat veranderd is in een reeks Romaanse talen. Daarnaast zijn er talen, zoals het Baskisch, die helemaal op zichzelf staan en waarvan de geschiedenis niet getraceerd kan worden. Heel bijzonder is ook dat stammen die in elkaars buurt wonen toch totaal verschillende talen spreken, met bijvoorbeeld als gevolg dat onder de Papoea’s honderden talen voorkomen.

Maar de beschrijvingen uit “Volken en stammen” activeren ook schaamte bij mij. Allereerst de schaamte over de mens in het algemeen, want neem je kennis van de emigratiegeschiedenis van de mensheid maar ook van haar huidige optreden, dan kun je niet anders concluderen dan dat de mens de meest gewelddadige bewoner van de aarde is. Schrikbarend hoe meedogenloos de ene stam zich heeft laten gelden ten koste van de andere om maar een eigen woongebied te veroveren. En hoe onverdraagzaam zijn wij tot op de dag van vandaag niet tegenover mensen die in een bepaald opzicht anders zijn dan wij. Ondanks alle instinctieve ouderliefde wordt er vaak zonder veel empathie met kinderen omgegaan; denk alleen al aan de vernederende en pijnlijke initiatierites. Verder is vergaande vrouwonvriendelijkheid de hele geschiedenis door een dominante houding geweest bij mannen; gaan we af op de veel voorkomende vrouwenhandel, dan zijn we er nog lang niet.

In deze boekenserie lezend komt bij mij vooral schaamte boven over de westerse blanke man. Het gaat me nu niet om de politieke geschiedenis met bijvoorbeeld de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Want dan moet erkend worden dat de Aziaat eveneens van wanten weet, zoals de bloedbaden uit de 20ste eeuw door de Japanners, de maoïsten uit China en de Rode Khmer uit Cambodja bewijzen. Blijkens wat gaande is in het Midden-Oosten hebben ook oosterse moslims veel bloed aan hun handen, evenals trouwens allerlei Afrikaanse bendes.
Het gaat me nu om de westerse blanke man in volkenkundig opzicht. Beperken we ons daartoe, dan blijkt er veel te zijn waarover je je als soortgenoot diep schaamt. Bekend is hoe fataal het geweest is dat het Westen het Midden-Oosten en Afrika als kolonie heeft behandeld. Zo heeft elk koloniaal land de volken in zijn gebied tegen elkaar uitgespeeld; bovendien zijn er willekeurige grenzen getrokken – wandaden die tot op de dag van vandaag grote gevolgen hebben.
Verschrikkelijk is ook hoe blanken zijn opgetreden in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Toen ze kwamen leefden daar tientallen miljoenen Indianen met soms hoge beschavingen. De komst van de blanken heeft miljoenen slachtoffers opgeleverd, want ze hebben de Indianen met bruut geweld bestreden en hen beroofd van hun land en levensmogelijkheden. Triest is ook dat er miljoenen zijn overleden doordat ze niet immuun waren voor de infectieziekten van de blanken. Helaas hebben de overheden in Amerika nog altijd onvoldoende respect voor de Indiaanse belangen, zoals bewezen wordt door de verwoesting van het regenwoud in Brazilië, het leefgebied van de Indianen, en de aanleg van oliepijpleidingen door Indiaans gebied in de VS.

Door dit alles is het onmogelijk deze twaalf volkenkundige boeken alleen maar met interesse te lezen. Telkens dringen verwondering en schaamte zich aan ons op.

Charles Dickens

Haast 40 jaar staan de 32 deeltjes van de Prisma-uitgave van “De werken  van Charles Dickens” al in onze boekenkast; de eerste druk hiervan verscheen in 1952-1955. Daaraan zijn toegevoegd de twee pockets met John Foster, “Het leven van Charles Dickens” en de bundel “Chesterton over Dickens“. Eindelijk ben ik ertoe gekomen deze uitgave achter elkaar te lezen. Boeiend om te doen.

Al lezend kom je in een compleet andere wereld terecht: het 19de eeuwse Engeland. De armen toen waren echt arm; velen woonden in krotten, hun kinderen stierven vaak voortijdig en hadden geen kans op goede scholing. In de fabrieken werden de arbeiders (mannen, vrouwen én kinderen) uitgebuit, terwijl de luchtvervuiling het milieu verpestte en bijvoorbeeld Londen telkens in dichte mist hulde. Goede wegen ontbraken vaak, zodat de bewoners in het geval van regen zich door modder een weg moesten banen. De bureaucratie was er eerder voor de ambtenaren dan voor de burgers. De repressie van de justitie was meedogenloos, ook als er sprake was van kleine vergrijpen; deportatie naar Australië was een vaak toegepaste straf en tot in Dickens tijd werden mensen in het openbaar terechtgesteld.
En dan te bedenken dat Engeland toen officieel een christelijk land was met een machtige staatskerk,  maar het omgaan met elkaar werd bepaald niet getypeerd door bijbelse empathie, rechtvaardigheid en barmhartigheid. Het recht van de sterkste was dominant.

In die wereld schreef Dickens (1812-1870) z’n boeken. Daarin komt een lange stoet van kleurrijke figuren voorbij:  kwetsbare en ontaarde kinderen, egocentrische en zichzelf opofferende meisjes, huichelachtige en altruïstische mannen, kleine en grote schurken. Ons wordt een blik gegund in gezinnen, scholen, kerken, fabrieken, handelsfirma’s, armenhuizen, gevangenissen, de onderwereld.
Er wordt veel gereisd: met de voeten, de diligence en later ook met de trein. Heel vaak wordt er door de beschreven personen getafeld, waarbij opvallend veel vlees gegeten en wijn gedronken wordt.  Elk boek bevat vele vertellijnen, die spannend, ontroerend of in elk geval onderhoudend zijn. Herhaaldelijk moet je lachen om de humor in de typeringen van personen en situaties. Telkens komt Dickens met treffende psychologische observaties, die des te opvallender zijn omdat Freud nog niet eens geboren was.
Er is wel eens gezegd dat Dickens beschrijvingen revolutionairder waren dan “Das Kapital” van Karl Marx. Ik kan me daar alles bij voorstellen, want het is aangrijpend hoe hij aan de hand van het leven van concrete mensen misstanden aan de kaak stelt. Het kon niet uitblijven of in de samenleving is daardoor het verzet tegen die misstanden gaan groeien, met als resultaat dat mede dank zij Dickens sociaal heel wat verbeterd is in Engeland.

Natuurlijk merk je als lezer uit de 21ste eeuw de afstand. Het meest is dat het geval als je de reisverslagen van Dickens leest over z’n verblijf in Amerika en Italië of z’n korte schetsen over mensen en zaken in Londen. Voor mij zijn die niet zo interessant omdat die grotendeels over het voorbije verleden gaan en meer niet.
Ook bij z’n romans kun je kanttekeningen plaatsen. Nog al eens doen de typeringen van personen wat overdreven of zelfs karikaturaal aan – al wil ik er rekening mee houden dat door de grotere sociale verschillen tussen mensen de karakters toentertijd wellicht extremer waren dan tegenwoordig. De beschrijving van kleding en gebouwen is voor onze begrippen wel erg gedetailleerd – hoe knap ik het ook vind dat Dickens zich alles zo minutieus kon voorstellen. Misschien dat ik na herlezing er anders over denk, maar nu leken sommige episodes in zijn boeken mij niet altijd even noodzakelijk.
Typerend voor die tijd (de regeringsperiode van koningin Victoria) is ook het ontbreken van seksualiteit en het verbloemend spreken over zwangerschap en geboorte zelfs door getrouwden onderling. Overigens heb ik deze terughoudendheid liever dan het exhibitionisme in veel romans uit onze tijd.
Ondanks alle kanttekeningen blijf ik zeggen dat Dickens romans om hun vele kwaliteiten nog altijd het lezen en herlezen meer dan waard zijn.

Ook het leven van Dickens zelf is een boek waard, zoals alleen al uit de biografie van Foster kan blijken. Hij beschrijft hoe Dickens als kind eronder geleden heeft dat z’n ouderlijke gezin op een gegeven moment zo verarmde dat z’n vader in de schuldgevangenis terechtkwam en hij (van z’n 12-15de jaar) moest werken in een schoensmeerfabriek. Door het gebrek aan financiën thuis heeft Dickens dan ook slechts een beperkte schoolopleiding gehad, die hij door zelfstudie heeft kunnen compenseren. Deze jeugdervaringen heeft hij verwerkt in de beginhoofdstukken van “David Copperfield”.
Uit biografieën als die van Wolf Mankowitz (1977) en André Roes (2012) krijg je de indruk dat Dickens als kind weinig bevestiging heeft gehad. Dat zou kunnen verklaren waarom hij in een brief uit 1855 verzuchtte: “Hoe komt het dat ik steeds weer het verpletterende gevoel krijg dat het ene grote geluk in het leven aan mij is voorbij gegaan?” Goed, dit is één enkele uitspraak, maar ik ben toch geneigd bij Dickens een zekere bodemloosheid te veronderstellen. Het is immers opmerkelijk hoe vaak hij verhuisde, hoe onrustig hij heeft rondgereisd en vooral hoe obsessief hij vanaf 1858 honderden voordrachten heeft gegeven van passages uit z’n boeken. Natuurlijk, dit laatste had ook te maken met z’n grote liefde én talent voor toneel; bovendien kon hij het extra geld goed gebruiken voor z’n gezin en verdere familie. Tegelijk proef je dat hij intens hunkerde naar erkenning en waardering, zelfs zozeer dat hij door die talloze voordrachten tot in Amerika toe z’n gezondheid benadeeld heeft.
Ook al was Dickens uit op bevestiging, dit deed geen afbreuk aan z’n betrokkenheid bij z’n gezin, z’n familie en vrienden. Veelzeggend is dat z’n vriend Carlyle, de historicus, tegenover Foster met deze typering kwam: “De goede, zachtaardige, begaafde, immer vriendelijke, nobele Dickens – in hart en nieren een rechtschapen man.” Dat gold voor z’n vrienden, maar eveneens in z’n gezin was hij met z’n interesse en inzet duidelijk aanwezig.

Tot z’n dood was Dickens lid van de Anglicaanse kerk, en dat niet slechts voor de vorm. In z’n testament van 1869 schreef hij: “Ik beveel mijn ziel aan in de barmhartigheid van God, door de tussenkomst van onze Heer en Zaligmaker, Jesus Christus.” En hij voegde daaraan toe: “Ik vermaan mijn dierbare kinderen nederig te trachten zich te gedagen naar de leringen van het Nieuwe Testament.” Ook al komt het geloof in z’n romans niet heel vaak expliciet aan de orde en kon hij heel kritisch schrijven over kerkelijke praktijken, je kunt rustig zeggen dat Dickens benadering van mensen en zaken gedrenkt was in bijbelse waarden.

Archeologische vondsten

Het is verbazingwekkend hoeveel restanten er nog te vinden zijn van oude beschavingen.  Vaak waren uitgebreide opgravingen nodig om ze aan het licht te brengen, soms ook waren ze deels altijd al zichtbaar en kon volstaan worden met opruimwerk.
Twee boeken hebben mij rondgeleid in de wereld van de archeologie: K. Bratigam (adviseur), Spectrum Atlas van de archeologie (1984) en: Fabio Bourbon en Manferto De Fabianis (redactie), Het grote archeologieboek (2005).  Beide boeken vullen elkaar prachtig aan doordat ze soms verschillende locaties bespreken (zo ontbreken de Hettieten in het Archeologieboek en de beelden op het Paaseiland in de Atlas). Daarnaast bevat de Atlas vooral tekstuele informatie (in de inleiding worden bijvoorbeeld verschillende dateringsmethodes besproken) terwijl het dubbel zo dikke Archeologieboek vol staat met illustraties.

Beide boeken kunnen ons, West-Europeanen, bescheidenheid leren. Wij denken wel dat wij het toppunt van de beschavingsgeschiedenis zijn, maar het is indrukwekkend wat vroegere mensen overal in de wereld op allerlei gebieden wisten en konden. Zo gaat de astronomische kennis van de oude Egyptenaren, Babyloniërs en Maya’s heel ver. Ook snap je niet hoe die oude volken zonder onze hulpmiddelen hun gigantische bouwwerken hebben kunnen maken. En medisch waren ze vaak van alles op de hoogte. We hebben daarom geen enkele reden met arrogantie neer te zien op het verleden van Egypte, Mesopotamië, Voor-Indië, China en Amerika.

In de Atlas worden enkele bladzijden gewijd aan prehistorische vondsten in met name Afrika van mensenbotten. Omdat daarbij tekstvondsten ontbreken, moeten de auteurs telkens volstaan met voorzichtige uitspraken, ingeleid met ‘misschien’, ‘vermoedelijk’ e.d. Maar dan verbaast het mij met hoeveel stelligheid toch conclusies getrokken worden, bijvoorbeeld over Afrika als ‘bakermat van de mensheid’ – maar die verbazing zal vast voortkomen uit mijn vooroordeel dat gevoed wordt door wat de Bijbel vertelt over de oorsprong van de mens.

Waar beide boeken maar beperkt aandacht aan geven is het werk van geleerden om teksten te ontcijferen. En er zijn heel wat teksten gevonden, denk aan de duizenden kleitabletten met spijkerschrift in het Midden-Oosten en de uitgebreide inscripties op overheidsgebouwen.
We staan er meestal niet bij stil, maar de ontwikkeling van het schrift is een van de grootste uitvindingen geweest van de mens. Eerst werd uitsluitend gewerkt met talloze pictogrammen, maar door Semieten in het Midden-Oosten (de Feniciërs) is toen het alfabet ontwikkeld waarvoor maar 20-30 letters nodig waren. Door deze teksten kunnen de archeologische vondsten geïnterpreteerd worden en krijgen we zicht op het dagelijks leven van vroeger. Dank zij die teksten hebben verschillende van die oude culturen eveneens een boeiende literatuur nagelaten; het meest beroemd zijn natuurlijk de wijsheidsteksten uit Egypte en het Gilgamesj-epos uit Mesopotamië.

Heel begrijpelijk is in beide boeken de ethische benadering van die oude culturen onderbelicht. Natuurlijk komt aan de orde dat de volken in die tijd onderling vaak niet erg humaan met elkaar omgingen en ook dat de onderdanen van de vorsten niet altijd even veilig waren. Zo wordt gewezen op het fenomeen van het doden van functionarissen bij de begrafenis van hun vorst en op het brengen van rituele mensenoffers.  De Atlas wijdt bijvoorbeeld een aparte paragraaf aan de manier waarop de Tolteken van levende slachtoffers het hart uit het lichaam rukten, terwijl beide boeken melding maken van een bron waarin de Maya’s hun slachtoffers gooiden. Verder kan duidelijk zijn dat het bouwen van al die prachtige bouwwerken een gigantische belasting moet zijn geweest voor de bevolking.
Maar toch, als je in die boeken al die prachtige afbeeldingen bekijkt en de interessante verhalen daarbij leest, ben je vooral geneigd te concluderen: ‘Wat jammer dat die culturen in de loop van de tijd verdwenen zijn en wat erg dat de Spanjaarden de toen bestaande Amerikaanse culturen vernietigd hebben.’
Bij nader inzien kun je je afvragen of het voor de gewone man wel zo’n pretje was in die barbaarse culturen geleefd te hebben en of het daarom echt spijtig is dat die culturen verdwenen zijn.
Tegelijk moeten we erkennen dat wij boter op ons hoofd hebben, want wat een verschrikkingen hebben wij alleen al in de 20e eeuw elkaar aangedaan door het communisme en het nazidom.
Kortom, al roepen archeologische vondsten bewondering op, gemengde gevoelens zijn onvermijdelijk als je vervolgens kijkt naar de donkere kant van de desbetreffende beschaving. Als christen concludeer ik dan: er is fundamentele redding nodig, van Buitenaf.

Ontdekkingsreizen

Meer dan 600 ontdekkingsreizigers komen voorbij in Atlas van de grote ontdekkingsreizen van Eric Newby (1975, tweede druk 1987). De auteur is heel systematisch te werk gegaan. Hij begint met de Oudheid (met o.a. de Feniciërs, Alexander de Grote en de Romeinen). Dan verhaalt hij over Chinese landreizigers die in de loop van de eeuwen de zijderoute ontsloten hebben; verderop komen Chinese zeereizen aan de beurt. Hierop volgen de Noormannen, die tot in Noord-Amerika gekomen zijn. De Arabieren waren van de tiende tot en met de dertiende eeuw actief met exploreren.
De hoofdmoot van het boek bestaat uit de zee- en landverkenningen van Europese reizigers, vanaf Marco Polo in Azië t/m Jacques Cousteau in de diepzee. Per werelddeel wordt beschreven hoe de exploratie stap voor stap voortgezet werd om zo alle witte vlekken op de landkaarten te kunnen invullen.
Het boek staat vol met portretten van reizigers, met geografische kaarten en met afbeeldingen annex beschrijvingen van de voertuigen en navigatiemiddelen die tijdens reizen gebruikt werden. De hoeveelheid feiten en locaties die op elke bladzijde vermeld worden, laten je herhaaldelijk duizelen. Toch blijft het boek boeien door de indrukwekkende verhalen en de beeldende citaten uit dagboeken.

In het begin van het boek wordt breed aandacht gegeven aan de motieven van de ontdekkingsreizigers.  Wat dan allereerst naar voren komt is onze weetgierigheid: we hebben het in ons dat we graag willen weten wat zich achter de horizon bevindt. En bij sommige mensen is die drang zo sterk ontwikkeld dat ze wel onderweg móeten gaan. Indrukwekkend is dan te zien wat mensen ervoor over hebben gehad om hun doel te bereiken; tegelijk is het triest te constateren dat dit alles vaak ten koste is gegaan van mensenlevens.
Een tweede belangrijk motief is altijd geweest het bevorderen van de handel; daarvoor was het gewenst nieuwe producten, nieuwe partners en snelle routes te vinden. Dit legitieme motief kon zo maar ontaarden als de hebzucht en het eigenbelang de boventoon gingen voeren. Denk maar aan de misstanden waarmee het zoeken naar goud altijd gepaard ging. Berucht is de westerse slavenhandel om de productie in de kolonies op peil te houden. En als een handelsmonopolie gevaar liep werden rustig individuen vermoord en soms zelfs dorpen uitgeroeid.
Eeuwenlang was ook het missionaire motief een belangrijke beweegreden om op ontdekkingsreis te gaan. Christus had toch opgedragen erop uit te gaan om de volken het Evangelie te brengen? Alleen, dat uitdragen van het Evangelie ging nog al eens samen met het respectloos en vaak zelfs meedogenloos omgaan met andersdenkenden.
Ontdekkingsreizen werden eveneens ondernomen om leefruimte te vinden voor economische, politieke of godsdienstige vluchtelingen. Ten slotte was het met name in de 19e eeuw dat reizigers er in Afrika op uit trokken om hun thuisland aan kolonies te helpen.

Hoe interessant deze atlas ook is, de inhoud daarvan roept tegelijkertijd dus gemengde gevoelens op. Daar komt nog wat bij: het lijkt net alsof de Europese mens de maatstaf van alles was. Dat is geen kritiek op de auteur want die onderkent dit pijnpunt: pas als een Europeaan een locatie voor het eerst bezocht, werd dat als ontdekt beschouwd. Dat op die locatie wellicht al eeuwen mensen woonden, soms zelfs met een hoge beschaving, was niet relevant. Daarom leg ik de term ontdekkingsreis graag zo uit dat daardoor locaties aan meer dan aan de oorspronkelijke bewoners bekend werden, oftewel: je kunt van een ontdekking spreken als daardoor bepaalde kennis eigendom wordt van de mensheid in haar geheel.
Zo kosmopolitisch werd vroeger niet gedacht. Als ontdekkingsreizigers ergens voor het eerst voet aan land zetten, namen zij dit land rustig in bezit voor hun staatshoofd – zelfs als de oorspronkelijke bewoners zichtbaar aanwezig waren. Voor ons is dit het toppunt van arrogantie. Een arrogantie die trouwens ook bestond tegenover de niet-Europese mens zelf. Die werd meestal als inferieur beschouwd, waarom ontdekkingsreizigers  er vaak geen been in zagen die wreed te behandelen.

Deze zwarte kant van veel ontdekkingsreizen is des te wranger als je bedenkt dat de meeste Europese reizigers van huis uit christen waren. Telkens weer vraag ik me af hoe het kan dat de ethische kern van het christendom (Christus’ gouden regel: de ander zo behandelen als je zelf behandeld wil worden) zo weinig gerealiseerd is in het leven van Christus’ volgelingen.

Maar terug naar de reizigers zelf: je kunt niet anders dan diep onder de indruk zijn van wat die aan ontberingen hebben doorstaan. Wat een moed en wat een doorzettingsvermogen. Twee voorbeelden:
John Colter: in 1808 werd hij door Indianen gevangen genomen. Ze trokken al z’n kleren uit, gaven hem 30 seconden voorsprong en bevalen hem weg te rennen over een ruw hoogland vol scherpe stenen en cactussen. Hij bleef de achtervolgende Indianen voor; slechts één kon hem inhalen maar die werd met z’n eigen speer door Colter gedood. Spiernaakt trok hij door de woestenij en na een week kwam hij rood verbrand en vol insectenbeten aan in een fort.
En dan Fridtjof Nansen: in 1893 vertrok hij op een schip naar de Noordpool, waar hij zich met z’n schip maanden door drijfijs liet meenemen; in 1895 ging Nansen met een kameraad van het schip af om met sleden en honden verder over het poolijs te trekken; pas na 16 maanden bereikte hij het beoogde eindpunt.
Niet te bevatten dat mensen zulke loodzware tochten kunnen overleven. Terecht dat hun namen in deze atlas met ere genoemd worden.
Tegelijk is waar, dat vele ontdekkingsreizigers kanten hadden die je niet vrolijk stemmen. Pure heiligen zijn ons nu eenmaal niet gegeven. Wellicht dat Livingstone daar dicht bij kwam – al denk ik dat z’n vrouw en kinderen in Engeland niet zo blij waren met z’n jarenlange afwezigheid, ver weg in Afrika….

Biggles

Toen ik 14-15 jaar was heb ik Biggles-boeken gespaard van de schrijver W.E. Johns, uitgegeven in de reeks Prisma-juniores van uitgeverij Het Spectrum. Prachtig vond ik het te lezen over de piloot Biggles, die met z’n drie vrienden overal in de wereld het kwaad bestreed. Maar op een gegeven moment kwamen er zo veel delen tegelijk uit dat ik met m’n bescheiden inkomsten moest afhaken, temeer omdat de prijs verhoogd was van 1 gulden naar 1,25.
In het kader van m’n project ‘jeugdboeken herlezen’ ben ik me weer met Biggles gaan bezighouden.  Het blijkt dat er tussen 1958 tot 1972 maar liefst 91 delen zijn uitgekomen, in 2001-2003 met nog drie delen aangevuld. (Ik reken de twee bundels die later zijn verschenen niet mee omdat die verhalen bevatten die Johns in bewerkte vorm in andere bundels heeft heruitgegeven).

Deze 94 delen betreffen vier periodes uit het leven van Biggles: zijn jeugd (3 x), de Eerste Wereldoorlog (5½ x) de jaren twintig en dertig, toen hij een eigen luchtvaartbedrijf had (16 x), de Tweede Wereldoorlog (8 x) en ten slotte de jaren daarna, toen hij bij de luchtvaartpolitie van Scotland Yard werkte, met commodore Raymond als z’n chef (61½ x).

De hoofdpersonen zijn Biggles, z’n neef Algy, lord Bertie en vanaf de jaren dertig ook de jongere Ginger (= Rooie). Voor een overzicht van de serie, zie: Biggles-serie
Het tekenen van karakters is niet Johns’ sterkste kant. Het meest hinderlijk is dat bij Algy die in al die delen een kleurloze figuur blijft. Biggles zelf is in z’n jeugdjaren levendig, vol heftige gevoelens maar als volwassene is hij flegmatiek maar wel creatief in het vinden van oplossingen. Bertie, die constant z’n monocle oppoetst, lijkt soms wat onnozel want hij komt telkens met irreële voorstellen. Ginger is een jonge hond, die vaak goede ideeën heeft. Als Johns wil aangeven wat er innerlijk speelt bij onze vier helden maakt hij dat meestal alleen duidelijk aan de hand van wat er opkomt bij Ginger. De vier vrienden vormen een hecht koppel en zijn door dik en dun trouw aan elkaar. Haast zonder tegenspreken wordt Biggles erkend als de leider, zonder wie ze zich onzeker voelen. Hun vriendschap gaat zo ver dat ze samen in Londen een appartement bewonen.

Een belangrijke rol is ook weggelegd voor Biggles’ aartsvijand Erich von Stalhein. In maar liefst 18 delen van de serie komt hij voor. Tijdens de Eerste Wereldoorlog treedt hij op als Duits spion; later is hij geheim agent van de nazi’s; na de Tweede Wereldoorlog laat hij zich door allerlei ongure mensen inhuren, maar algauw werkt hij voor de Sovjet Unie. Met al z’n Pruisische rechtlijnigheid is hij in z’n werk meedogenloos, vol haat voor de Engelsen en vooral voor Biggles. Tegelijk heeft hij bewondering voor de inventiviteit en integriteit van Biggles; ook is hij er jaloers op hoe de vier vrienden als hecht team fungeren. In z’n houding tegenover Biggles komt een radicale wending als hij door Biggles’ team bevrijd wordt uit een communistisch kamp op Sachalin. Daarna ontwikkelt zich zelfs vriendschap tussen Biggles en Von Stalhein.

De meest opmerkelijke passages in al die 94 delen staan in het gesprek dat Biggles in deel 79 (Biggles achter het IJzeren Gordijn) met Von Stalhein heeft over zijn jeugdliefde Marie Janis. Die jeugdliefde wordt beschreven in deel 71 (Biggles als luchtheld). In 1918, toen hij, nog maar 19 jaar, piloot was in Frankrijk, had Biggles namelijk een toevallige ontmoeting met Marie Janis. Als hij haar hoort en ziet is hij meteen onzinnig verliefd. Op haar vraag ‘Zoekt u mij misschien’ antwoordt hij: ‘Ik zoek u heel m’n leven al. Ik had niet gedacht dat ik u ooit zou vinden.’ Of zo’n reactie bij de vechtjas Biggles past, betwijfel ik, maar goed: hij is door Marie totaal van de kaart en gaat vanaf die tijd intensief met haar om. Binnen de kortste keren is hij haar weer kwijt doordat zij een Duitse spionne blijkt te zijn. Decennia later ziet Biggles uitgerekend met z’n vroegere aartsvijand Von Stalhein terug op die periode en daarbij laat hij op een verrassend open manier in z’n hart kijken: ‘Er is nooit een andere vrouw in mijn leven geweest.’ Mijn hart ‘heeft in een ijskast gelegen sinds die nacht dat mijn droom in een wolk van leugens uit elkaar spatte.’ Op deze manier heeft Johns het aannemelijk gemaakt dat in de Biggles-boeken vrouwen nagenoeg ontbreken.

Wat in de verhalen over Biggles ook grotendeels ontbreekt is het levensbeschouwelijke element. Het is waar, op de achterflap van ‘Biggles begraaft de strijdbijl’ uit 1960 (later deel 52 uit de serie) staat een (stoïsch aandoende) tekst die ik als tiener fantastisch vond. Ik citeer: “De reden waarom Biggles zelfs op de gevaarlijkste ogenblikken zo kalm blijft, spreekt uit zijn levensopvatting.
‘Als je met een vliegtuig in de lucht bent, is alles in orde of het is niet in orde.  Als alles in orde is, hoef je niet te tobben. Als niet alles in orde is, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je valt of je valt niet. Als je niet valt, is er geen reden om te tobben. Als je wel valt, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je raakt gewond, of je raakt niet gewond. Als je niet gewond raakt, hoef je niet te tobben. Als je wel gewond raakt, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je wordt beter, of je gaat dood. Als je beter wordt, is er geen reden om te tobben. En als je dood gaat, kun je niet meer tobben.'”
In de boeken zelf ben ik deze uitspraak niet tegenkomen. Wel klopt het dat Biggles de dingen telkens zonder mopperen neemt zoals ze zijn, ook als ze hem niet aanstaan.

Wat ons iets onthult over Biggles’ religieuze achtergrond zijn twee momenten waarop Biggles leiding geeft aan een begrafenis. In deel 28 (Biggles bij Scotland Yard) wordt verteld:  ‘Biggles nam zijn pet af en vroeg Ginger hetzelfde te doen. Toen, terwijl de zoute wind door zijn haren streek en de meeuwen een melancholiek requiem krijsten, bad hij het Onze Vader.’ In deel 87 (Biggles op het ongelukseiland) wordt bij een begrafenis vermeldt: ‘ Biggles sprak een paar woorden die hij zich van de begrafenisdienst wist te herinneren.’

Z’n instemming met bijbelse waarden laat Biggles merken als hij in no.91 (Biggles en het spookvliegtuig) stilstaat bij de zelfmoord van een aan lager wal geraakte man: ‘Waarschijnlijk had hij te veel geld toen hij nog jong was, en dan wordt zo iemand gauw over het paard getild. Die wijze koning Salomo wist wel wat hij zei toen hij beweerde: “IJdelheid, ijdelheid, alles is ijdelheid.” Maar wat geeft ons het recht kritiek te leveren? We zijn er geen van allen vrij van.’

Dat de auteur van de Biggles-boeken begrip had voor religie blijkt ook uit twee andere passages. In deel 33 (Biggles in Arabië) staat: ‘De naam van God is altijd op de lippen van de woestijn-Arabier die, door zijn leven in de natuur, steeds herinnerd wordt aan de macht van de Almachtige en de nutteloosheid zijn eigen nietige kracht daartegenover te stellen.’ Een soortgelijke uitspraak lezen we in deel 80 (Biggles en het koningsgraf): ‘Voor hen lag nu de grote zandzee, een schouwspel dat niemand kan aanzien, op welke manier hij ook reist, zonder vrees in het hart. Wanneer hij een dergelijk landschap beschouwt, realiseert hij zich, misschien voor de eerste maal, hoe nietig de mens is, en hoe onbetekenend de gewone dingen van het leven zijn.’

Voor mij was heel verrassend wat ik las over het werk van gevechtspiloten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dat niet alleen tijdens de Tweede maar ook al tijdens de Eerste Wereldoorlog vliegers aan het werk waren, heb ik namelijk nooit geweten. Over deze tijd heeft Johns een boeiend overzicht geschreven, zie: Johns (handig te weten zijn de termen die in die tijd gebruikt werden, zie: Termen). Schokkend was het te lezen hoe de meeste piloten in die tijd geen parachute hadden. Als hun vliegtuig in de lucht in brand vloog, sprongen ze zich liever te pletter op de grond dan in hun machine geroosterd te worden.

Wat mij verder boeit in de boeken over Biggles? Johns kan spannend schrijven. En gezien alle ellende in de wereld vind ik het prettig dat het altijd goed afloopt voor onze vier vrienden, al zijn ze soms slachtoffer van hun eigen fouten of gewoon van pech.
Verder zijn de natuurbeschrijvingen prachtig. Als ervaringsdeskundige weet Johns beeldend weer te geven wat de piloten al vliegend waarnemen. En door z’n reiservaringen krijgen we allerlei details te horen van landschappen overal in de wereld. Thuis gerieflijk in je stoel zittend kom je zo in aanraking met plekken en vergezichten die anders ver buiten je horizon gebleven waren.

Nachttrein naar Lissabon

Meer dan dertig jaar is Raimund Gregorius – een geleerd docent Latijn, Grieks en Hebreeuws – elke werkdag trouw naar z’n klassen op het gymnasium in Bern gegaan, de school waarvan hij zelf ook leerling was geweest. Hij was na enkele jaren huwelijk gescheiden en had geen kinderen. Al die jaren had hij nooit iets verrassends gedaan. Maar op een regenachtige morgen ontmoet hij op z’n wandeling naar school een vrouw die op het punt lijkt te staan van de brug in het water te springen. Hij maakt contact met haar, waarna zij hem vraagt of ze met hem mee mag. Hij neemt haar mee naar z’n school en laat haar plaatsnemen in z’n lokaal. Hij had al van haar gehoord dat ze Portugese was. Op een gegeven moment vertrekt de vrouw. Aan het einde van de morgen zet Gregorius z’n leerlingen aan het werk, pakt z’n natte jas en verdwijnt uit de klas en uit de school. Zo begint ‘Nachttrein naar Lissabon’ van Paul Mercier, in 2006 voor het eerst in Nederland verschenen; in 2017 kwam de 50e druk uit.

Je zou verwachten dat de Portugese vrouw in het vervolg een beslissende rol gaat spelen. Maar het boek is geen goedkoop liefdesverhaal. Wel zet de ontmoeting met haar Gregorius aan om de Spaanse boekhandel te bezoeken. Daar krijgt hij een Portugees boek in handen van de fictieve auteur Amadeu de Prado, een adellijke huisarts die ook in het verzet tegen dictator Salazar had gezeten. De boekhandelaar vertaalt voor hem de openingstekst. Gregorius wordt daar zo door getroffen dat hij het boek graag als cadeau van de boekhandelaar aanvaardt. Ook koopt hij een cursus Portugees. Thuis gaat hij met die cursus aan de slag en begint hij passages te vertalen uit het boek van Prado. En dan besluit hij naar Lissabon te gaan om meer te weten te komen over de auteur. Een dag na z’n vertrek uit school zit hij in de trein naar Lissabon. En dan begint zijn zoektocht.
Het is een fascinerend boek, met verschillende lijnen.

Daar is allereerst Gregorius. Door zijn ontmoeting met die Portugese is een oud verlangen bij hem geactiveerd naar verre horizonten. Als scholier had hij al eens een Perzische grammatica gekocht om zich voor te bereiden op een reis naar Isfahan. Deze uitbraak uit z’n beperkte leefsfeer was uiteindelijk in de kiem gesmoord, maar kennelijk was het verlangen nooit helemaal verdwenen.
Prachtig is te lezen hoe Gregorius’ uitbraak ook bij anderen verlangen activeert. Allereerst bij z’n rector, die hij uitvoerig heeft geschreven waarom hij er opeens vandoor is gegaan. Daarna ook bij een medereiziger in de trein, die hem later in z’n huis laat logeren. En als hij een leerlinge in Bern belt om boeken voor hem te kopen en naar Lissabon te versturen, blijken ook bij haar grensverleggende gevoelens wakker te worden.
Zijn onverwachte levenswending verschaft Gregorius in Lissabon telkens makkelijk toegang tot allerlei mensen, die door z’n escapade gefascineerd worden en daardoor gauwer bereid zijn hem toe te laten in hun leven. Het zou me niet verbazen als Mercier’s boek lezers ertoe aangezet heeft eindelijk eens gehoor te geven aan hun weggestopte verlangens.

Een tweede lijn is het leven van Amadeu de Prado, de schrijver van het Portugese boek. Hij had een gecompliceerde relatie met z’n ouders en had gebroken met het katholieke geloof, al bleven kerken met hun schoonheid en liturgie belangrijk voor hem. Een sleutelgebeuren in z’n leven was dat hij ‘de slager van Lissabon’ redde van een hartstilstand; altijd bleef hem kwellen of hij daar goed aan had gedaan want door zijn medische reddingsactie kon deze beul van dictator Salazar doorgaan met z’n slagerswerk. Ook was het vanaf die tijd gedaan met z’n populariteit onder z’n patiënten. Het was door dit alles dat hij bij het verzet ging.
Het lukt Gregorius in gesprek te komen met talloze mensen die Prado goed gekend hebben: twee zussen, medescholieren uit z’n lyceumtijd, een lyceumdocent, patiënten van hem, collega-verzetsmensen. Uit hun verhalen komt Prado naar voren als een hoogbegaafde en hoogsensitieve man, die diep over zijn en het leven nadacht en daarover voor zichzelf schreef. Een groot deel van deze teksten had z’n zus in het genoemde boek uitgegeven, maar Gregorius kreeg van diverse gesprekspartners nieuwe teksten in handen, die hem nog beter zicht gaven op Prado. Die teksten zijn allemaal in het boek opgenomen en zetten de lezer door hun levensbeschouwelijke en filosofische karakter aan tot nadenken.

Ten slotte zijn daar de vele gesprekspartners van Gregorius, die elk op zijn/haar eigen manier gereageerd hebben op het, voortijdig door een hersenbloeding geëindigde, leven van Prado. Ontroerend hoe de empathische aandacht van Gregorius hun verdriet om vroeger en hun moeiten met vandaag tot hun recht laat komen.

Het boek eindigt ermee dat Gregorius terugkeert naar Bern om zich daar neurologisch te laten onderzoek en zo achter de oorzaak te komen van z’n toenemende duizelingen. Het doet haast pijn dat je als lezer niet weet hoe dit afloopt en dat je evenmin weet of hij z’n gesprekspartners in Lissabon nog weer ontmoet heeft terwijl zij zo blij waren met hun contact met hem. Dit maakt wel duidelijk hoe zeer Paul Mercier met z’n boek het hart van z’n lezers bereikt heeft.

De verborgen impact

Babette Porcelijn heeft een schokkend boek geschreven: De verborgen impact. Alles voor een eco-positief leven (derde druk, 2017). Zij toont namelijk aan dat het impact van ons leven op het milieu vele malen groter is dan wij denken. Wij kijken immers meestal alleen naar de milieu-impact tijdens ons gebruik van een product, terwijl we meestal buiten beeld laten hoe belastend voor het milieu het maken en vervoeren van dat product is geweest. Dat laatste noemt Porcelijn de verborgen impact, die in ons geval maar liefst 4x zo groot is als de zichtbare impact.
Extra schokkend is het om vervolgens te lezen dat wij hier in Nederland leven alsof we 3,9 aardes tot onze beschikking hebben. Zouden ook landen als China, India, Rusland en Brazilië gaan leven zoals wij, dan zou de aarde dat niet kunnen dragen.
Toch heeft Porcelijn een hoopvol boek geschreven. Juist doordat we de grote verborgen impact kennen, kunnen we aan de slag om kritischer met onze keuzes om te gaan en om zo het tij te keren.

Het boek staat bomvol plaatjes en diagrammen, waardoor het, ondanks de soms lastige materie, heel toegankelijk is. Ook maakt ze duidelijk onderscheid tussen wat wetenschappelijk aangetoond is en wat haar persoonlijke grove inschatting is in ‘achterkant-bierviltje-stijl’, zoals ze het zelf noemt.
Al is de boodschap van haar boek alarmerend, nergens is de auteur drammerig. Ze probeert recht te doen aan de verschillende benaderingen en keuzes die mogelijk zijn. Dat neemt niet weg dat je haar boek onmogelijk vrijblijvend kunt lezen. Er moet echt veel gebeuren.

In het eerste deel doet Porcelijn onderzoek naar de verborgen impact. Uitvoerig geeft ze aandacht aan de verschillende energiebronnen, waaruit naar voren komt dat benzine, gas en kolen echt hun langste tijd gehad hebben.

Boeiend is haar concretisering in de vorm van een impact top 10. Het meest belastend voor het milieu zijn onze spullen. Daarna is bij doorsnee-Nederlanders vlees een goede tweede. Vleeseters zullen zich dat meestal niet realiseren, maar Porcelijn komt met harde cijfers, bijvoorbeeld: om 120 gram rundvlees op je bord te krijgen, is 1800 liter water nodig, met name door het veevoer; 100 kilo graan levert slechts 4 kilo rundvlees op; voor het oppervlak aan landbouwgrond waarvan één vleeseter kan worden gevoegd, kunnen 3-7 vegetariërs leven. Deze cijfers maken duidelijk hoe bedreigend het voor het milieu is als door de toenemende welvaart ook de bewoners van China, India, Rusland en Brazilië al meer vlees zouden gaan eten.

Ongemakkelijk voel ik me als ik lees hoe vervuilend het maken van een laptop is. Daarin zitten namelijk materialen als: koper, kobalt/nikkel, goud, tin, aluminium, kunststof en glas. Volgens Porcelijn zou (uit de losse pols berekend) het gif dat vrijkomt bij de productie van een laptop opgelost moeten worden in 2000 grote zwembaden om het te verdunnen tot een veilig niveau. Dat motiveert mij om onze laptop voorlopig maar niet te vervangen door een meer moderne.

Nog één voorbeeld: in één spijkerbroek kan maar liefst tot 10.000 liter water verborgen zitten, terwijl 10 m2 landbouwgrond nodig is om de katoen voor één broek te verbouwen.
Uiteraard geeft Porcelijn eveneens aandacht aan het vervoer per auto, schip en vliegtuig. Ook van de gegevens daarover word je niet vrolijk. Zo zou je gemiddeld 300 bomen moeten planten ter compensatie ervan dat je auto is gemaakt en jij ermee rijdt.

In het tweede deel laat Porcelijn zien tot welke problemen onze impact leidt voor de planeet en voor onszelf. Allereerst wijst ze erop dat de druk op het ecosysteem de komende decennia verdriedubbelt. Dat komt door de toename van de wereldbevolking (in 2050 is het aantal mensen van 7,5 naar vermoedelijk 10 miljard gegroeid) en de toename van de welvaart (de welvaart groeit vermoedelijk met een factor 2,7 ten opzichte van nu). Dit is hachelijk omdat vier onderdelen van het ecosysteem een natuurlijk plafond hebben: vruchtbare landbouwgrond, zoet water, grondstoffen en energievoorraden. Toch ziet Porcelijn mogelijkheden om problemen te voorkomen of op te lossen. Recycling en verduurzamen zijn hierbij belangrijke sleutelwoorden. Daarmee verminder je meteen de impact op ons ecosysteem, te weten het verlies van biodiversiteit, de klimaatontwrichting en de vervuiling.

Aparte aandacht geeft Porcelijn aan de vervuiling met plastic. De laatste tijd is er veel aandacht geweest voor de immense plastic soep die in de oceanen drijft, en terecht want jaarlijks komt maar liefst 8 miljard kilo plastic in de oceaan terecht. Toch is die soep macroplastics niet het enige probleem. Veel geniepiger werken de microplastics (tussen de 5 micrometer en 5 millimeter) en de nog kleinere nanoplastics, die overigens ook overal in de lucht en op het land aanwezig zijn, mede door de slijtage van autobanden.

Porcelijn sluit dit deel af met de sociale gevolgen van wat er ecologisch gaande is. Dat maakt het extra duidelijk hoe benedenmaats het is dat Europa zich tegen de massamigratie uit Afrika meent te kunnen verdedigen door hekken en afspraken over terugkeer in plaats dat de eigenlijke, deels ecologische, oorzaken in de landen zelf worden aangepakt.

In deel 3 komt Porcelijn met oplossingen. Die zijn deels ook al in het voorafgaande gegeven, maar in dit deel worden die nader geconcretiseerd voor de overheid, het bedrijfsleven en de consument. Iedereen kan aan de slag. Leuk is dat de auteur afsluit met een uitgebreide beantwoording van de vraag: ‘En wat doe jij, Babette?’ Ze blijft dus zelf niet buiten schot.

Kortom, een angstaanjagend en tegelijk stimulerend boek.