Auteursarchief: Cor

De verborgen impact

Babette Porcelijn heeft een schokkend boek geschreven: De verborgen impact. Alles voor een eco-positief leven (derde druk, 2017). Zij toont namelijk aan dat het impact van ons leven op het milieu vele malen groter is dan wij denken. Wij kijken immers meestal alleen naar de milieu-impact tijdens ons gebruik van een product, terwijl we meestal buiten beeld laten hoe belastend voor het milieu het maken en vervoeren van dat product is geweest. Dat laatste noemt Porcelijn de verborgen impact, die in ons geval maar liefst 4x zo groot is als de zichtbare impact.
Extra schokkend is het om vervolgens te lezen dat wij hier in Nederland leven alsof we 3,9 aardes tot onze beschikking hebben. Zouden ook landen als China, India, Rusland en Brazilië gaan leven zoals wij, dan zou de aarde dat niet kunnen dragen.
Toch heeft Porcelijn een hoopvol boek geschreven. Juist doordat we de grote verborgen impact kennen, kunnen we aan de slag om kritischer met onze keuzes om te gaan en om zo het tij te keren.

Het boek staat bomvol plaatjes en diagrammen, waardoor het, ondanks de soms lastige materie, heel toegankelijk is. Ook maakt ze duidelijk onderscheid tussen wat wetenschappelijk aangetoond is en wat haar persoonlijke grove inschatting is in ‘achterkant-bierviltje-stijl’, zoals ze het zelf noemt.
Al is de boodschap van haar boek alarmerend, nergens is de auteur drammerig. Ze probeert recht te doen aan de verschillende benaderingen en keuzes die mogelijk zijn. Dat neemt niet weg dat je haar boek onmogelijk vrijblijvend kunt lezen. Er moet echt veel gebeuren.

In het eerste deel doet Porcelijn onderzoek naar de verborgen impact. Uitvoerig geeft ze aandacht aan de verschillende energiebronnen, waaruit naar voren komt dat benzine, gas en kolen echt hun langste tijd gehad hebben.

Boeiend is haar concretisering in de vorm van een impact top 10. Het meest belastend voor het milieu zijn onze spullen. Daarna is bij doorsnee-Nederlanders vlees een goede tweede. Vleeseters zullen zich dat meestal niet realiseren, maar Porcelijn komt met harde cijfers, bijvoorbeeld: om 120 gram rundvlees op je bord te krijgen, is 1800 liter water nodig, met name door het veevoer; 100 kilo graan levert slechts 4 kilo rundvlees op; voor het oppervlak aan landbouwgrond waarvan één vleeseter kan worden gevoegd, kunnen 3-7 vegetariërs leven. Deze cijfers maken duidelijk hoe bedreigend het voor het milieu is als door de toenemende welvaart ook de bewoners van China, India, Rusland en Brazilië al meer vlees zouden gaan eten.

Ongemakkelijk voel ik me als ik lees hoe vervuilend het maken van een laptop is. Daarin zitten namelijk materialen als: koper, kobalt/nikkel, goud, tin, aluminium, kunststof en glas. Volgens Porcelijn zou (uit de losse pols berekend) het gif dat vrijkomt bij de productie van een laptop opgelost moeten worden in 2000 grote zwembaden om het te verdunnen tot een veilig niveau. Dat motiveert mij om onze laptop voorlopig maar niet te vervangen door een meer moderne.

Nog één voorbeeld: in één spijkerbroek kan maar liefst tot 10.000 liter water verborgen zitten, terwijl 10 m2 landbouwgrond nodig is om de katoen voor één broek te verbouwen.
Uiteraard geeft Porcelijn eveneens aandacht aan het vervoer per auto, schip en vliegtuig. Ook van de gegevens daarover word je niet vrolijk. Zo zou je gemiddeld 300 bomen moeten planten ter compensatie ervan dat je auto is gemaakt en jij ermee rijdt.

In het tweede deel laat Porcelijn zien tot welke problemen onze impact leidt voor de planeet en voor onszelf. Allereerst wijst ze erop dat de druk op het ecosysteem de komende decennia verdriedubbelt. Dat komt door de toename van de wereldbevolking (in 2050 is het aantal mensen van 7,5 naar vermoedelijk 10 miljard gegroeid) en de toename van de welvaart (de welvaart groeit vermoedelijk met een factor 2,7 ten opzichte van nu). Dit is hachelijk omdat vier onderdelen van het ecosysteem een natuurlijk plafond hebben: vruchtbare landbouwgrond, zoet water, grondstoffen en energievoorraden. Toch ziet Porcelijn mogelijkheden om problemen te voorkomen of op te lossen. Recycling en verduurzamen zijn hierbij belangrijke sleutelwoorden. Daarmee verminder je meteen de impact op ons ecosysteem, te weten het verlies van biodiversiteit, de klimaatontwrichting en de vervuiling.

Aparte aandacht geeft Porcelijn aan de vervuiling met plastic. De laatste tijd is er veel aandacht geweest voor de immense plastic soep die in de oceanen drijft, en terecht want jaarlijks komt maar liefst 8 miljard kilo plastic in de oceaan terecht. Toch is die soep macroplastics niet het enige probleem. Veel geniepiger werken de microplastics (tussen de 5 micrometer en 5 millimeter) en de nog kleinere nanoplastics, die overigens ook overal in de lucht en op het land aanwezig zijn, mede door de slijtage van autobanden.

Porcelijn sluit dit deel af met de sociale gevolgen van wat er ecologisch gaande is. Dat maakt het extra duidelijk hoe benedenmaats het is dat Europa zich tegen de massamigratie uit Afrika meent te kunnen verdedigen door hekken en afspraken over terugkeer in plaats dat de eigenlijke, deels ecologische, oorzaken in de landen zelf worden aangepakt.

In deel 3 komt Porcelijn met oplossingen. Die zijn deels ook al in het voorafgaande gegeven, maar in dit deel worden die nader geconcretiseerd voor de overheid, het bedrijfsleven en de consument. Iedereen kan aan de slag. Leuk is dat de auteur afsluit met een uitgebreide beantwoording van de vraag: ‘En wat doe jij, Babette?’ Ze blijft dus zelf niet buiten schot.

Kortom, een angstaanjagend en tegelijk stimulerend boek.

Onder dieren

Het is een goede zaak dat Ton Lemaire in z’n boek ‘Onder dieren. Voor een diervriendelijker wereld‘ (2017) opkomt voor het welzijn van dieren, want nog altijd laten mensen zich gruwelijk gelden ten koste van dieren door ze meedogenloos te verhandelen, benauwend op te sluiten, te slachten, als object van proeven te gebruiken, voor plezier te bejagen enzovoort.

Lemaire pakt z’n pleidooi breed aan. Z’n dikke boek van ruim 500 blz. begint met een uitgebreide beschrijving van zes diersoorten: wolven, olifanten, prieelvogels, bijen, paarden en honden. Daarbij geeft hij aandacht aan hun leefwereld, hun gedrag en hoe in de loop van de tijd over hen geschreven is.

Boeiend is hoe hij de eigenheid van de mens beschrijft ten opzichte van het dier. Hij moet niets hebben van de typering van de mens als beeld van God. Toch is ook in zijn ogen de mens echt anders dan het dier. Lemaire wijst dan niet op ons verstand of onze geest, want op dat vlak hebben dieren soms meer te bieden dan wij ons realiseren. Waarin zij vooral van elkaar verschillen is dit: dieren zijn specialisten in gedrag dat hoort bij een beperkt aantal problemen van hun specifieke leefwijze; mensen daarentegen zijn ongespecialiseerd en hebben een universele leefwereld. Omdat mensen de dwingende instincten missen die de dieren voortdrijven zijn ze potentieel open naar de volledige wereld, die ze dan ook in alle vrijheid kunnen bestrijken.
Helaas zijn we ook in een ander opzicht anders dan de dieren: we zijn de enige soort die martelt, genocide pleegt, andere diersoorten uitroeit en in staat zijn tot de systematische destructie van oorlogen.

Heel pijnlijk is het hoofdstuk over de devaluatie van levende dieren tot consumptievlees. Het mag waar zijn dat de mens altijd vlees gegeten heeft maar nooit waren de schaduwzijden hiervan zo groot als nu. Akelig is wat Lemaine schrijft over de fabrieksmatige afslachting in abattoirs. Schokkend is ook te lezen dat veeteelt voor 14,5% bijdraagt aan kwalijke gassen, 60% van alle agrarische grond nodig heeft en 45% verbruikt van al het water dat voor voedselproductie vereist is. En er hoeft bij het houden van consumptiedieren maar even iets mis te gaan en dan worden er opnieuw honderdduizenden afgemaakt.

In z’n boek gaat Lemaire uit van de evolutietheorie. Wel erkent hij dat die toe is aan herziening, want er zijn te veel verschijnselen die niet verklaard kunnen worden binnen de huidige theorie als zou de evolutie alleen een utilitaire machinerie zijn. Zo wijst hij op het voorkomen van onzelfzuchtigheid bij bijv. olifanten en chimpansees en van esthetische vermogens bij bijv. prieelvogels.
Ook vindt hij het laakbaar dat ethologen zich door hun evolutionistisch paradigma vroeger alleen beperkten tot het gedrag van dieren en wars waren over dierlijke gevoelens te spreken. Hij vindt een zekere antropomorfisering van het onderzoek een goede zaak, want daardoor krijg je als onderzoeker oog voor empathie, medelijden, zorgzaamheid en verdriet bij dieren. Dit maakt meteen duidelijk dat er continuïteit is tussen mens en dier: moreel gedrag is niet een uitvinding van mensen; aanzetten daarvoor komen al bij dieren voor.

Voor Lemaire is duidelijk dat het aanvaarden van de evolutietheorie niet kan samengaan met het geloof in een schepper: ‘Weliswaar blijft het mysterieus dat er ooit en ‘oerknal’ heeft plaatsgevonden en veel later het leven is ontstaan, maar in wetenschappelijke kringen is het idee van een persoonlijke godheid die zich met ons lot bemoeit en ons heil op het oog heeft een vrome wens en illusie, in ieder geval een overbodige veronderstelling.’ (p.388)

Hij heeft fundamentele kritiek op de houding van het christendom tegenover het dier. Daarbij maakt hij het zichzelf niet makkelijk, want hij confronteert zich met vele bijbelteksten waarin dieren voorkomen, niet alleen teksten die over dierenoffers gaan maar ook die waarin voor het belang van dieren wordt opgekomen. Z’n hoofdbezwaar is het antropocentrisme van christenen, want dat heeft volgens hem per definitie dieronvriendelijkheid als keerzijde. Dank zij de evolutietheorie is dit antropocentrisme doorbroken en kan eindelijk recht gedaan worden aan het dier, dat nu immers erkend wordt als mededier. Lemaire zegt het venijnig: ‘Al te lang is de zachte stem van het mededogen met elk schepsel overstemd geweest door de christelijke orthodoxie. Daarom juich ik het toe, omwille van het welzijn van dieren, dat de christelijke greep op de zielen minder wordt.’ (p.338)
Lemaire is zo eerlijk dat hij uitgebreid aandacht geeft aan het diervriendelijke standpunt van de protestantse predikant-arts Albert Schweitzer. Dat neemt niet weg dat Lemaire met z’n kritiek op het christendom een punt heeft: in de bestrijding van de slavernij hebben christenen voorop gestaan, maar in het opkomen voor dieren hebben zij het laten afweten. Ten onrechte, want anders dan Lemaire stelt geeft de Bijbel ons alle aanleiding diervriendelijk te zijn. Wel heeft de mens de opdracht gekregen te heersen over de dieren, maar blijkens Psalm 72 hoort dat heersen een dienend karakter te hebben. Verder is essentieel voor de omgang met dieren dat zij onze medeschepselen zijn. Dus ben ik het oneens met Lemaire dat het christelijke wereldbeeld een kloof veronderstelt tussen mens en dier en dat daardoor empathie met dieren niet gestimuleerd wordt. In de praktijk heeft hij helaas gelijk, waarom het hoog tijd wordt dat het diervriendelijke van de Bijbel door christenen in hun leven geactiveerd wordt.

Telkens bepleit Lemaire het humanisme te verruimen tot humanimalisme. Dat vindt hij de consequentie van het evolutionisme, dat ons immers geleerd heeft de dieren te zien als onze mededieren. We dienen Schopenhauer en het boeddhisme na te volgen door ons mededogen niet alleen te laten uitgaan naar onze medemensen maar evengoed naar de dieren.

Dit boeiende boek roept schaamte op over de vreselijke manier waarop we nog altijd dieren behandelen. Het moet eindelijk eens voor ons allemaal leven dat ook dieren ons mededogen waard zijn. Dit roept meteen de vraag op, om op één punt te concretiseren, hoe ethisch verantwoord het, zeker in de huidige omstandigheden, is geregeld vlees te eten.

Roper over Luther

Lyndal Roper heeft met ‘Luther. Een biografie’ (2017) een fascinerend verhaal over Luther geschreven. Kwistig citeert ze uit de talloze brieven en tafelgesprekken die van de hervormer bewaard zijn gebleven. Daardoor komt de persoon van Luther heel dicht bij. En dat was ook het hoofddoel van de historica. Het was haar niet zozeer te doen om een theologisch of sociologisch beeld te geven van Luther en de door hem geïnitieerde reformatie. Ze wilde Luther voor alles psychologisch begrijpen. Daarom is het terecht dat haar boek als ondertitel heeft ‘een biografie’ en is de titel op de omslag ‘de biografie’ misplaatst, want door haar keuze heeft Roper bewust veel weggelaten of maar summier behandeld.

De rode draad door het boek is Luthers verstoorde verhouding met z’n vader. Daaruit verklaart Roper allereerst de panische angst die Luther in z’n jonge monniksjaren had voor de veroordelende God en eveneens z’n latere felle verzet tegen de autoriteit van de paus in Rome. Voor een groot deel heeft ze mij overtuigd – al blijft het natuurlijk hachelijk boude uitspraken te doen over de psyche van iemand die je alleen op papier en niet uit persoonlijke ontmoetingen kent.
Tegelijk schat ik in dat die angst en dat verzet alles te maken hadden met de context waarin Luther leefde.  Zo werden de paus en de verdere geestelijkheid in die tijd door vele gelovigen verafschuwd vanwege hun hebzucht en zedeloosheid. Ik wil best aannemen dat Luthers verzet tegen z’n vader de felheid van z’n opstand tegen de kerkelijke hiërarchie mee bepaald heeft, maar de breed-gedeelde woede op de uitbuitende en bandeloze kerkleiders moeten we niet uitvlakken.
Verder zijn de Middeleeuwen erdoor gekenmerkt dat de gelovigen het goddelijke oordeel vreesden. Denk alleen maar aan de beeldhouwwerken met het laatste oordeel in de portalen van middeleeuwse kathedralen en aan het bekende lied ‘Dies irae’. Ongetwijfeld heeft ook deze veel-voorkomende benauwdheid invloed gehad op Luther, naast z’n projectie van z’n negatief-beleefde vader op de goddelijke Vader. Overigens maakt dit meteen duidelijk hoe bevrijdend voor Luther z’n ontdekking was dat je, om bij God in de gunst te komen, niet afhankelijk was van je, per definitie twijfelachtige, prestaties maar van je geloof, je gerichtheid op Christus.

Hoe origineel was Luther? Roper geeft er maar beperkt aandacht aan, maar veel van wat Luther te berde bracht was al eerder verdedigd door mensen als John Wyclif (overleden in 1384) en Johannes Hus (terechtgesteld in 1415). En ook in Luthers eigen tijd werden door veel mensen allerlei reformatorische inzichten gespuid. Nieuw was de radicaliteit waarmee Luther door dacht over die nieuwe inzichten terwijl ook nieuw was hoe hij stelselmatig de boekdrukkunst inschakelde om z’n ideeën te verspreiden. Hij was dus niet een eenling maar meer de juiste man op de juiste plaats.
Daarbij heeft hij nooit geïsoleerd geopereerd. In z’n reformatorische opvattingen groeide en radicaliseerde Luther door de kritische reacties op z’n geschriften. Hij was geen studeerkamergeleerde die in alle rust nadacht over zijn ideeën en over de consequenties daarvan. In samenspraak met z’n vrienden kwam hij al worstelend met een publicatie, kreeg daarop van allerlei kanten commentaar en zette daarna een volgende stap.
Een van die vrienden was Melanchthon. Hij was een irenisch ingestelde geleerde en werd daarom niet altijd gewaardeerd door de felle Luther. Maar Ropers boek lezend is het me voor het eerst goed duidelijk geworden hoe essentieel Melachthons inzet is geweest voor Luther zelf en voor de reformatie.

Luther is bekend van z’n strijd tegen de aflaat, maar algauw verzette hij zich ook tegen de relikwieënverering en het lezen door priesters van dodenmissen. Wat ik me nooit gerealiseerd heb was dat dit verzet financieel een geweldige bedreiging was voor de toenmalige rooms-katholieke kerk. Want behalve uit haar grondbezit haalde de kerk haar inkomsten vooral uit de genoemde zaken. Zo had Rome grote bedragen geleend van de bankiersfirma Fugger voor de bouw van de Sint Pieter; nu zouden die leningen terugbetaald worden door de inkomsten van de aflaten. Behalve een theologisch belang had Rome er dan ook een financieel belang bij om Luther weer in het gareel te krijgen.

Beroemd is het optreden van Luther op de rijksdag te Worms in 1521. Het moet voor Luther een adembenemend gebeuren zijn geweest. Hij stond daar voor het hoogste burgerlijke en kerkelijke gezag van Europa en hield daar vast aan standpunten die ingingen tegen wat eeuwen lang als waarheid was uitgedragen. Het heeft hem ongetwijfeld herhaaldelijk naar de keel gegrepen of hij misschien toch niet ongelijk had, want wie was hij: een gewone monnik die hoogleraar was aan een mini-universiteit in een randgebied.

Heel intrigerend om te lezen was hoe positief Luther stond tegenover de lichamelijkheid en dan ook tegenover fysieke genietingen, inclusief seksueel genot. Voor zover mij bekend was hij daarin uniek. Mensen als Augustinus en Calvijn stonden in elk geval uiterst kritisch tegenover de seksuele begeerte. Luther niet. Hij vond de seksuele gemeenschap zelfs zo belangrijk dat hij het bij één gelegenheid kon billijken dat een hertog die z’n libido niet bij z’n vrouw kwijt kon in het geheim een tweede huwelijk sloot – wat in die tijd overigens bij vriend en vijand  een rel heeft veroorzaakt.

Ook dit boek over Luther maakt duidelijk dat hij beslist geen heilige was. Zoals elke pionier kon eveneens Luther geen tegenspraak verdragen, met als gevolg dat hij talloze medestanders van zich vervreemd heeft. Mee daardoor is de reformatorische gemeenschap al meer verdeeld geraakt, met alle schade van dien voor haar positie tegenover de katholieke partij. Het zal waar zijn dat verschillende van die medestanders behoorlijk eigenzinnig waren, maar dat neemt niet weg: Luther was geen samenbindende figuur. Als iemand ook maar op één punt anders dacht dan hij, beschouwde hij zo iemand gauw als een vijand die de duivel in de kaart speelde. Vaak keerde hij zich tegen zo iemand in platte scheldtirades, waarbij hij kwistig strooide met woorden als ketter en varken, pis en schijt.

Beschamend is ook hoe fel hij was tegenover Zwingli, de reformator van Zürich. Die had eigen gedachten over het avondmaal. Z.i. waren brood en wijn alleen een téken van Christus’ lichaam en bloed; in Luthers ogen was deze visie een doodzonde omdat hij heilig geloofde aan de fysieke aanwezigheid van Christus in brood en wijn. Ook had Zwingli een eigen benadering van de verhouding tussen kerk en staat, waarom hij als een gewoon burger meedeed met een veldslag in 1531. Toen hij daarbij sneuvelde, deed Luther dat ijskoud af als Zwingli’s eigen schuld en als een straf van God. En over de gestorven Erasmus verklaarde hij dat hij ervan overtuigd was dat die naar de hel was gegaan.

Vreselijk is verder hoe Luther in 1525 de hoge heren heeft opgeroepen de opstandige boeren af te slachten. Tevoren heeft hij wel enig begrip gehad voor de klachten van de boeren en heeft hij ook wel de overheden aangespoord hen beter te behandelen, maar toen het erop aan kwam heeft hij zich volledig aan de kant van de overheden geschaard. En daarna heeft hij er niets meer aan gedaan om de soms wanhopige omstandigheden van de boeren te verbeteren.

Algemeen wordt als dieptepunt ervaren hoe Luther te keer is gegaan tegen de joden: hun synagoges en boeken moesten worden verbrand, zijzelf moesten worden verdreven, in getto’s worden samengebracht en verplicht worden tot lichamelijke arbeid. Wie joden tegenkwam moest ‘varkensstront naar hen gooien.’ Natuurlijk kun je erop wijzen dat Luthers aversie ingebed was in een algemeen antisemitisme in christelijk Europa; ook is waar dat het voor christenen in die tijd van eenheid tussen kerk en staat haast onmogelijk was andersdenkenden voluit hun maatschappelijke plek te gunnen. Maar onvergeeflijk blijft dat Luther blijkbaar zelfs geen seconde overwogen heeft dat Christus’ gouden opdracht (je moet de ander zo behandelen als jezelf behandeld wil worden, Matteüs 7:12) ook van toepassing was voor de relatie tot joden. Natuurlijk weten we niet wat Luther gevonden zou hebben van het vernietigingsprogramma van de nazi’s, maar helaas moet erkend worden dat zijn optreden de komst daarvan heeft bevorderd.

Door dit alles zal niemand bepleiten dat hij in de rooms-katholieke zin van het woord heilig verklaard wordt – hoe dankbaar we ook kunnen zijn voor wat hij tot op de dag van vandaag aan de vernieuwing van de kerk heeft  bijgedragen.

Meer door minder

Al vele jaren is er wereldwijd een beweging gaande waarin gepleit wordt voor ontspulling. Talloze mensen hebben het gevoel dat ze omkomen in hun materiële overvloed en willen niks liever dan zich beperken tot wat ze echt nodig hebben.
In de rubriek ‘Teksten van anderen’ maak ik melding van minimalisten. Die maken er een sport van hun spullen tot het minimum te beperken, soms zelfs tot minder dan 100 stuks.
Anderen gaan realistischer te werk, vaak ook omdat zij deel uitmaken van een gezin, waarvan de leden lang niet altijd op dezelfde lijn zitten. Ik vind het boeiend zulke boeken te lezen. Altijd stimuleren ze mij om mijn bezit weer eens kritisch bij langs te gaan. En hoe beperkt ook, telkens lukt het me weer wat op te ruimen.

De twee laatste boeken die ik hierover gelezen heb zijn: Joshua Becker, Meer door minder. Maak ruimte om te leven (2016) en Duane Elgin, Houd het simpel! Rijk van binnen, eenvoudig naar buiten (2010).

Becker heeft een aanstekelijk boek geschreven over de vraag hoe je je spullen het beste kunt verminderen. Hij komt met vele praktische verhalen en voorbeelden, die je houvast bieden om zelf aan de slag te gaan.
Hij maakt ook duidelijk waarom het goed zou zijn om met minder materieel bezit te leven. Zo’n leven bezorgt je meer tijd, meer geld, meer vrijheid, minder stress, minder afleiding en heeft ook een kleinere impact op het milieu. In z’n boek wordt dat nader uitgewerkt.
Zo wijst hij erop dat consumentisme vaak wordt verward met geluk. In elk geval de reclame wil ons wijs maken dat we pas echt gelukkig zijn als we de aangeprezen producten kopen. En of we het nu willen of niet: vaak geloven we daaraan. Maar in dat geloof worden we telkens teleurgesteld, want algauw na de aankoop blijkt het geluk weer onbereikbaar achter de horizon te liggen. Wie ervoor kiest met minder te leven, zal zich bevrijd voelen van deze deprimerende drang om maar te bezitten.

Beperk je je op materieel gebied tot wat je echt nodig hebt, dan blijk je van dat mindere meer te kunnen genieten. Hoe waar dit is, bewijzen kleine kinderen: hoe vaak komen zij niet om in speelgoed, met als gevolg dat ze onmachtig zijn geconcentreerd te spelen met één ding. Maar ook omgekeerd: je geeft een kind iets onnozels (in volwassen ogen), waarna dat kind hier tijden mee in de weer is.
Materiële beperking geeft je meer ruimte om aandacht te geven aan wat er echt toe doet. Becker wijst dan met name op relaties. In dat kader pleit hij voor het opvoeren van de hoogte van je giften, het doen van vrijwilligerswerk en het onderhouden van vriendschappen.

Elgin heeft een totaal ander boek geschreven. Hij plaatst het onderwerp ontspullen in het bredere kader van wat in de wereld gaande is. Zo wijst hij erop dat wij voor het huidige consumptieniveau eigenlijk niet toekunnen met deze aarde. We teren in. Dat probleem wordt nijpender nu diverse minder ontwikkelde landen zoals China, India en Brazilië op weg zijn naar ons consumptieniveau.
Elders las ik: als de huidige wereldbevolking net zo welvarend zou zijn als wij in Europa of de Verenigde Staten, zouden we vier aardes nodig hebben. Deze ontwikkeling, aldus Elgin, brengt ons onstuitbaar in aanraking met urgente problemen zoals: te grote bevolkingsgroei, wijdverbreide en diepe armoede, ernstige verstoring van het klimaat, het einde van goedkope olie, wereldwijd tekort aan drinkwater en grootschalig uitsterven van planten- en dierensoorten.

Als privé-persoon kunnen we daar natuurlijk weinig aan doen. Wat we wel kunnen doen is materieel bescheidener leven, ofwel: onze ecologische voetadruk verkleinen. In zijn boek geeft Elgin talloze reacties door van mensen die daar al mee bezig zijn. Ook geeft hij diepgravende analyses om de lezer te stimuleren deze voortrekkers na te volgen.

Zijn boek maakt mij meteen duidelijk hoe kortzichtig en egoïstisch West-Europa omgaat met de stroom economische vluchtelingen uit Afrika. Wat het meest het nieuws haalt zijn onze pogingen om die vluchtelingen buiten Europa te houden, met als doel (is mijn indruk) dat onze welvaart onaangetast gehandhaafd kan blijven. Maar heel weinig hoor je dat deze situatie erom vraagt dat wij ons welvaartspeil naar beneden aanpassen en de Afrikaanse landen helpen hun mensen perspectief te geven.
Blijven we op de huidige manier met dit onderwerp omgaan, dan zullen we binnen afzienbare tijd ontdekken dat het probleem van economische vluchtelingen nog vele malen groter zal worden. We moeten af van onze hebzucht en onze egocentrie. Elgin is vrij optimistisch over de verandering ten goede in de wereld. Zijn talloze contacten geven daar ook aanleiding toe. Maar in Den Haag zie ik weinig tekenen dat er openheid is voor de urgentie van dit onderwerp. Het is waar, het klimaatakkoord van Parijs wordt unaniem omarmd, maar dat gebeurt naar mijn inschatting meer om onze eigen veiligheid en welvaart te handhaven dan om de kwetsbaren in de wereld te beschermen.

Oorlogstranen

In ‘Sara’ (2017) beschrijft Lody B. van de Kamp aan de hand van het leven van één fictieve persoon de kindertransporten die in 1938-1939 plaatsvonden vanuit Duitsland naar Engeland. Zijn eerdere boek Oorlogstranen (2008) gaat over ondergedoken Joodse kinderen tijdens maar vooral na de oorlog. Bij voorbaat kan duidelijk zijn hoe traumatisch het voor die kinderen was om van het ene op het andere moment hun ouders kwijt te raken. Hartverscheurend was het ook voor de ouders dat ze noodgedwongen hun kinderen aan wildvreemde verzetsmensen afstonden, in de hoop dat ze zo de oorlog zouden overleven.
Maar toen de oorlog voorbij was, was het verdriet niet voorbij, allereerst voor de kinderen niet, want zij waren veelal hun ouders kwijt. In zijn Voorwoord wijst  de auteur erop dat ook de onderduikouders veel leed hebben doorstaan. “Niet altijd werd dat door de bezetter veroorzaakt. Het verdriet, de angst en de onzekerheid die bijvoorbeeld ontstonden na een gedwongen scheiding tussen onderduikkind en onderduikouders bleken eveneens diep aangrijpend te zijn. Van de ene op de andere minuut moest een kind aan wie men zich had gehecht, worden afgestaan om het naar een nieuwe, onbekende plek te laten brengen. Het contact tussen kind en pleegouders werd daardoor vaak abrupt verbroken. Ook na de oorlogsjaren had dit soort scheidingen nog plaats. Als onderduikkinderen door familieleden werden opgehaald, bleef het contact soms in stand, maar soms juist helemaal niet.”

Heel invoelend en met kennis van zaken beschrijft Van de Kamp nog een ander punt: “Joodse kinderen werden door de oorlogsomstandigheden opgenomen in niet-Joodse gezinnen. Zo groeiden zij op binnen een leefomgeving die wezenlijk verschilde van hun eigen achtergrond. Ook dit heeft (na de oorlog) zijn sporen nagelaten: jonge kinderen, getraumatiseerd als ze waren, moesten ook nog eens kiezen tussen het geloof en de traditie van hun ouders die zij nauwelijks hadden gekend, en die van hun pleegouders die hun het leven hadden gered. Zo ontstonden er verscheurende gevoelens van geloofscrisis en dubbele loyaliteit.”

Heel dit complexe gebeuren tekent Van de Kamp uit aan de hand van het leven van twee zusjes van een Joods echtpaar uit Enschede, die tijdens de oorlog elders ondergebracht worden, de jongste op een Achterhoekse boerderij en de oudste in een Belgisch mijnstadje. Ze zijn zo jong dat ze zich van hun Joodse afkomst niet bewust zijn, waarom ze probleemloos rooms-katholiek kunnen worden opgevoed.
Na de oorlog blijken hun beide ouders door de nazi’s te zijn vermoord. Het jongste meisje wordt al gauw opgehaald door haar Amsterdamse, orthodox-levende oom en tante. Mede door z’n  concentratiekampsyndroom kan de oom het onmogelijk verkroppen dat z’n nichtje vervreemd is van haar Joodse achtergrond en emotioneel verbonden blijft met haar katholieke pleegouders, al heeft ze al gauw geen contact meer met hen.

Het oudste meisje, de hoofdpersoon van het boek, wordt pas na haar dertigste en na de dood van haar pleegouders bekend met haar Joodse achtergrond. Op dat moment is ze non in een katholiek ziekenhuis in Amsterdam. Ze treedt uit en gaat op zoektocht naar haar Joodse oorsprong. Daarbij wordt ze geholpen door de kesobbe (huwelijksacte) van haar Enschedese ouders, die haar Waalse pleegouders haar hebben nagelaten.

Aangrijpend hoe ook zij net als haar zus worstelt met haar trouw aan het christelijk geloof van haar pleegouders en haar solidariteit met het Joodse geloof van haar ouders. “Ze kan Hem niet loslaten in Wie ze van harte gelooft (…), want Hij heeft toch ook voor haar geleden?” Tegelijk vraagt ze zichzelf af of de Verlosser dan misschien toch nog niet gekomen is. Het lukt haar aan deze dubbele loyaliteit recht te doen door zichzelf voor te houden: “of ze nu rooms-katholiek of Joods is, de Verlosser heeft ze nodig (…) de hele wereld schreeuwt om verlossing van schuld en lijden.”

Dit boek maakt nog eens duidelijk hoe veel psychische schade de Tweede Wereldoorlog blijvend heeft aangericht, ook in het leven van mensen die de oorlog zelf niet (bewust) hebben meegemaakt.

Sara, evacuée uit nazi-Duitsland

De tekst op de achterflap klopt helemaal: in zijn historische roman Sara, het meisje dat op transport ging (2017) heeft rabbijn Lody B. van de Kamp een ontroerend verhaal geschreven. Door de levensbeschrijving van één fictieve persoon stelt de auteur de kindertransporten aan de orde die in 1938-1939 hebben plaatsgevonden vanuit Duitsland via Nederland naar met name Engeland. Een van de drijvende krachten achter deze transporten was de hervormde Truus Wijsmüller-Meijer, een verzetsheldin uit Amsterdam, die volgens Wikipedia na Raoul Wallenberg het grootste aantal Joden heeft gered, meer dan 10.000 kinderen.

Van de Kamp vertelt hoe de veertienjarige Sara Jacobson in Kleve de opkomst van de bruinhemden meemaakt en de emoties van haar ouders daarover. Angstaanjagend voor het meisje en dat temeer omdat haar ouders, passend bij die tijd, haar weinig vertellen over wat er gaande is. Ze maakt mee hoe haar vader om z’n Jood-zijn niet meer mag werken als advocaat en z’n brood verdienen moet met handarbeid. Ze is getuige van het nazi-vandalisme tijdens de Kristallnacht, de nacht van het gebroken glas, 8-9 november 1938. Ze merkt de groeiende spanningen tussen haar ouders over al of niet emigreren.
Intussen blijken al meer kinderen uit haar klas te vertrekken naar Engeland. December 1938 brengen haar ouders haar rechtstreeks vanaf school naar het station. Tot haar verbijstering moet Sara dan met haar zevenjarige zusje Mirjam mee met de trein terwijl haar ouders en jongere broertje Izaäk achterblijven. Traumatisch voor Sara. Wanhopig wordt ze als in Nijmegen haar zusje Mirjam niet verder mag omdat Engeland nog geen toestemming heeft gegeven zulke jonge kinderen mee te nemen. Later blijkt dat Mirjam de overtocht niet meer gehaald heeft en uiteindelijk in Bergen-Belsen is terechtgekomen.

In Londen wordt Sara door haar oom en tante opgevangen. Bij hen blijft ze, ook als het haar vader gelukt is Engeland te bereiken. Als in 1939 de oorlog met Duitsland is uitgebroken, wordt Sara met vele andere Londense kinderen geëvacueerd naar het veilige platteland en komt zij terecht bij wildvreemde mensen, bij wie ze de rest van de oorlogsjaren blijft. Na de oorlog gaat ze weer terug naar haar oom en tante in Londen.
Het lukt Sara niet haar draai te vinden: haar vader is een gebroken mens; over haar moeder, zus en broertje weet ze aanvankelijk niets. Maar dan komen de berichten los: haar moeder is in een kamp overleden; daar is haar broertje Izaäk spoorloos verdwenen; haar zus Mirjam heeft Bergen-Belsen amper overleefd en moet in Duitsland en later in Zweden  aansterken, waarna ze als ziekenhuispatïente in Londen komt en maanden nodig heeft om te herstellen.

Van de Kamp beschrijft overtuigend de ontworteling en radeloosheid van Sara. De gebeurtenissen die zij moet meemaken zijn in feite te veel en te groot voor een tiener. Je kunt er niet met droge ogen over lezen.

Op één moment komt de rabbijn Van de Kamp met zijn visie om de hoek kijken, namelijk als hij beschrijft hoe de christelijke pleegouders van Sara wat onbeholpen hun geloof op Sara proberen over te brengen: “Luister eens, Sara, je moet weten dat er een Verlosser is. Die is aan het kruis gestorven voor wat wij verkeerd hebben gedaan (…) Zonder Hem komt niemand in de hemel. Daarom is het nodig dat ook jij Hem leert kennen.” En dan laat Van de Kamp Sara zo reageren: “Verward kijk ik de man aan. Wat moet ik met deze informatie? Ik ben toch een Joods kind? Dus heb ik hier geen boodschap aan (…) Zij zijn christelijk, ik ben Joods.” Ik kan me niet goed voorstellen dat een tiener zo (volwassen) denkt. Ik herken hierin de benadering van Van de Kamp. Als ik zijn schrijfsels in de krant goed begrepen heb vindt hij dat christenen en Joden elkaar niet moeten lastigvallen met hun overtuiging. Het zijn nu eenmaal verschillende werelden. Hij moet dus niks hebben van het missionaire karakter van het christelijk geloof. Historisch gezien heel begrijpelijk want de christelijke drang om het geloof uit te dragen heeft de Joden in de loop van de geschiedenis verschrikkelijk veel ellende gebracht. Tegelijk is waar dat het wel bij christenen hoort dat ze hun z’n geloof met de ander willen delen.

Intussen roept de roman Sara de vraag op: moet je, mag je dat wel doen tegenover een Joods pleegkind, dat qua leeftijd en situatie compleet afhankelijk is van jou? Maak je door het mondeling uitdragen van je geloof in feite geen misbruik van je macht tegenover een weerloos kind? Ik heb het heel respectvol gevonden toen ik las dat christenen met Joodse onderduikers aan tafel soms uitsluitend voorlazen uit het Oude Testament. Maar goed, dit punt beslaat slechts één bladzijde van het boek.

Het is een goede zaak dat Van de Kamp de kindertransporten op deze invoelende manier tot leven heeft gebracht. Wat hebben ook Joodse kinderen die geen kamp hebben gezien geleden door hun verlorenheid bij vreemde mensen en vaak zelfs in een vreemd land. En wat verschrikkelijk was het toen na de oorlog bleek dat hun verlorenheid nooit meer zou overgaan omdat de meeste geliefden gruwelijk vermoord waren. Hoe ter wereld kunnen er dan nog mensen zijn die Hitler verheerlijken en het nazisme nieuw leven willen inblazen?! Maar ik weet het: van mensen kun je alles verwachten, gezien alleen al wat op dit moment kinderen in Syrië of in midden-Afrika aangedaan wordt.

Ziekmakende moeders

Het menselijke brein kan soms bizar functioneren. Dat bewijst alleen al het fenomeen van het syndroom van Münchhausen. Dat is een psychiatrische aandoening waarbij iemand fantasieverhalen vertelt over ziekten bij zichzelf om aandacht te krijgen. Dergelijke patiënten kunnen zo ver gaan dat ze zichzelf ziek maken of verwonden.
Nog vreselijker is het syndroom van Münchhausen by proxy. In dat geval is iemand erop uit om aandacht van hulpverleners te trekken door een ander die aan haar/zijn zorg is toevertrouwd patiënt te maken. Vaak betreft dat een moeder die gefantaseerde ziekteverhalen over haar kind vertelt of die haar kind dwingt gefantaseerde klachten aan artsen te uiten. Helaas komt ook vaak voor dat zo’n moeder haar kind door het toedienen van medicatie of van verwondingen letterlijk ziek maakt. Soms gaat zo’n ziekmakende moeder zo ver dat ze haar kind vermoordt. Want ze heeft maar één doel: de aandacht van haar omgeving moet naar haar uitgaan, de zielige moeder van dat zieke kind. En ze heeft emotioneel en ethisch geen enkele rem om dit te realiseren ten koste van haar kind.
Dit is zo’n ongeloofwaardig fenomeen en moeders hebben als dé kenners van hun kind zo veel gezag dat het meestal lang duurt voordat hulpverleners door hebben wat er gaande is. En soms zijn ze te laat: dan is het kind al blijvende schade toegebracht of is het kind al niet meer levend.

Nina Blom heeft over haar eigen ervaringen met dit syndroom het aangrijpende boek Je bent een verschrikkelijk kind (2011) geschreven. Zij is maar liefst veertien jaar door haar moeder ziek gemaakt. Opmerkelijk is hoe haar vader haar moeder nooit ook maar even heeft proberen te stuiten: hij is helemaal in de gekte van z’n vrouw meegegaan. En na elk onderzoek kwamen de artsen tot de conclusie dat ze echt niks konden vinden. Maar ja, de moeder was zo overtuigend. zo dwingend en Nina kwam zelf ook met zulke (door haar moeder haar gedicteerde) klachten, dat de artsen zich toch telkens genoodzaakt voelden opnieuw onderzoek te doen. Meestal waren dat niet dezelfde artsen: als de moeder vond dat ze te weinig erkenning kreeg ging ze weer naar een andere specialist en/of ander ziekenhuis.
Tijdens zulke trajecten gaf de moeder geen krimp, zelfs niet als een onderzoek uitermate belastend was voor haar kind, zoals een beenmergpunctie, een ruggenprik, maagonderzoek en een spierbiopsie. Maandenlang heeft ze thuis de armen en benen van haar kind ingezwachteld, met als resultaat dat haar kind volledig bedlegerig werd.

Empathie met het lijden van haar kind ontbrak volledig. Het kind was er alleen om aandacht voor haar te genereren. Toen ze eens met Nina een fotoalbum doorbladerde en daar een foto tegenkwam van een driejarig dansende en zingende Nina, was de reactie van haar moeder: ‘Hier, moet je eens kijken wat een verschrikkelijk kind je bent. Ik haat je zo erg (…) Je wilde altijd in de schijnwerpers staan met je vrolijke gedoe.’ Doorbladerend kwamen ze nog zo’n kleine Nina tegen die als jarige met haar handjes in de lucht naar de slingers wees. ‘Hier, nog zo’n uitbundige foto van jou. Ik haat je’, herhaalde haar moeder. Hoe zij haar dochter verafschuwde bleek ook uit het feit dat ze haar kind aan de haren trok en verschillende keren tot stikken toe een kussen op het hoofd drukte. En dit alles is nog maar een fractie van wat haar moeder haar kind heeft aangedaan.
Verbijsterend is hoe Nina tot het laatste toe loyaal bleef aan haar ouders. Zelfs als artsen haar apart spraken, bleef ze de lesjes opzeggen die haar moeder haar had voorgekauwd.

Op een gegeven moment was het kind er zo slecht aan toe dat haar ouders bij de artsen bepleitten dat op haar euthanasie zou worden toegepast. En ze voegden daaraan toe: ‘Nina wil toch zelf ook dood. Een hond hadden jullie allang laten afmaken.’ Pas toen was de kinderarts ervan overtuigd dat het probleem niet het zieke kind was maar de ziekmakende moeder. Het ouderlijke gezag werd toen opgeschort en Nina werd definitief uit huis gehaald om zo te kunnen werken aan haar herstel. Haar revalidatie heeft maanden geduurd tot ze eindelijk weer normaal kon eten en lopen. Ook heeft het haar daarna nog jaren gekost voordat ze haar leven op orde had.

Op dit moment zet ze zich door haar ‘Stichting overlevers Münchhausen by proxy’ (zie: Stichting) ervoor in om lotgenoten te ondersteunen en hulpverleners meer alert te maken voor het onderkennen van dit syndroom.

Tegenwoordig wordt gewerkt aan een landelijk elektronisch patiëntendossier. Velen staan daar kritisch tegenover vanuit het oogpunt van de bescherming van de privacy. Dat snap ik, zeker als de zorgverzekeraars ook toegang zouden krijgen. Tegelijk was in het geval van Nina door een landelijk verplicht registratiesysteem eerder het patroon ontdekt van een moeder die bij telkens wisselende specialisten en ziekenhuizen ten koste van haar kind haar gelijk probeerde te halen. Alleen al daarvoor wil ik best iets van mijn privacy inleveren.

Silvio Pellico

Op het Congres van Wenen, dat na Napoleons nederlaag in 1814 werd gehouden, werd Italië verdeeld onder verschillende vorstenhuizen. De Oostenrijkse Habsburgers beheersten grote delen van Noord-Italië. In toenemende mate kwam daar verzet tegen van patriottisch gezinde Italianen. Bekend waren de carbonari (kolenbranders), leden van een geheime, revolutionaire groepering, die verdrijving van de Oostenrijkers voorstond en streefde naar de vorming van Italië tot een eenheid. De Oostenrijkse keizer greep keihard in en talloze carbonari werden voor jaren gevangen gezet. Een van hen was de schrijver Silvio Pellico (1789-1854). Hij heeft ruim tien jaar achter de tralies gezeten (1820-1830) – in voorarrest in Milaan en Venetië en na z’n veroordeling in het kasteel Spielberg, vlakbij Brünn (nu: Brno), wat tegenwoordig ligt in de Tsjechische regio Zuid-Moravië. Pellico heeft verslag gedaan van zijn ervaringen in het boek ‘Le mie prigione’, in 1896 vertaald als Mijne kerkers.

Doordat deze vertaling meer dan een eeuw oud is en de vertaler ook nog plechtiger Nederlands gebruikt dan iemand als Multatuli decennia eerder, doet dit boek ouderwets aan. Maar wie hier doorheen kan kijken, zal alleen maar genieten van deze kroniek. Van het begin tot het eind ziet Pellico kans ons door z’n menselijkheid te boeien.

Heel open schrijft hij over zijn emotionele en geestelijke situatie. Telkens komt naar voren hoe het gemis van de mensen die hem dierbaar zijn aan hem vreet. Dit wordt verergerd door het feit dat het uitwisselen van brieven en het bezoeken van hem verboden zijn, zodat hij onbekend is met hun wel en wee. Mee hierdoor worstelt hij met aanvallen van somberheid en wanhoop, maar vaak lukt het hem toch te genieten van de contacten met medegevangenen of cipiers.
Er zijn momenten dat hij vol haat zit tegenover z’n tegenstanders, maar steeds weer zet hij zich ervoor in dat hij zich niet door z’n destructieve gevoelens laat beheersen: hij wil beslist voorkomen verbitterd te raken. Tijden is hij vol vertrouwen in Gods leiding van zijn leven en in Gods zorg voor hem, maar die  worden gevolgd door tijden dat hij twijfelt aan de betrokkenheid en zelfs aan het bestaan van God.

Je vraagt je af hoe een mens zo’n lange gevangenisstraf kan uithouden. Afgezien van de al genoemde innerlijke problemen hebben Pellico en zijn medegevangenen het ook fysiek zwaar te verduren. Zo heeft Pellico zelf herhaaldelijk te kampen met ziekte, terwijl verschillende van zijn collega’s de ontberingen uiteindelijk niet overleven, ondanks alle medische zorg.

Fascinerend is te merken hoe inventief een gevangene als Pellico is om z’n lange dagen van eenzaamheid zinvol te vullen. Zo kan hij zich lang bezighouden met arbeidzame mieren in z’n cel. Verder leert hij om in gedachten verzen te maken en zelfs hele toneelstukken. Gelukkig wordt het hem vaak gegund boeken te lezen, waardoor zijn cel soms lijkt op die van een monnik.

Intussen blijft het een wonder dat iemand zo’n lange zware periode overleeft. Een mens is kennelijk in staat zich aan extreme situaties aan te passen.

Goed om over te lezen zijn z’n ervaringen met de Oostenrijkse pastoors die hem in de gevangenis opzoeken. Protestantse lezers zijn wellicht geneigd te verwachten dat Pellico als intellectueel negatieve verhalen over hen gaat vertellen. Het tegendeel  is het geval. Hij is vol bewondering voor hun ontwikkeling en voor hun trefzeker, empathisch pastoraat. De contacten met hen betekenen veel voor hem.
Ook het persoonlijk bijbellezen is belangrijk voor hem. Er wordt wel gezegd dat pas het Tweede Vaticaanse Concilie uit de jaren zestig van de vorige eeuw katholieken gestimuleerd heeft om de Bijbel te lezen. Uit Pellico’s boek blijkt dat in zijn tijd bijbellezen door gewone gelovigen niet ongebruikelijk was.

Mij als noordeling heeft het verbaasd hoe vaak en langdurig Pellico, z’n medegevangenen en zelfs ook cipiers zich al ‘wenend’ laten gaan en hoe hartstochtelijk al die mannen elkaar bij allerlei gelegenheden omhelzen. Tranen en aanrakingen zijn mij gelukkig niet onbekend maar vergeleken met hen heb ik een armzalig gevoelsleven.

Via internet kwam ik te weten dat in het voorjaar van 2017 een nieuwe vertaling uitkomt. Ik zal die zeker aanschaffen en dan het boek nog eens lezen. Psychologisch en godsdienstig is het herlezing meer dan waard. Je ontmoet in deze kroniek iemand die zich als mens en christen vergaand blootgeeft en jou voor hem inneemt door zijn ontwapende openhartigheid over z’n sterke én zwakke kanten.

PS Mei 2017 heb ik de nieuwe vertaling van het boek gelezen. Daardoor komt de persoon van Pellico met z’n emoties en geloof nóg beter uit. Aan deze editie zijn enkele hoofdstukken toegevoegd, waarin Pellico beschrijft hoe lang het geduurd heeft dat hij weer op krachten was. Ook vertelt hij dat hij dit boek geschreven heeft op aansporen van zijn Turijnse biechtvader om te getuigen van ‘de immense barmhartigheid van de Heer’ en om de waarde van het katholieke geloof te laten uitkomen. De schrijver van het, overigens instructieve, nawoord wantrouwt deze motivatie en typeert die als een slimme zet. Volgens hem was het ter wille van de censuur dat Pellico zijn memoires als een bekeringsgeschiedenis heeft ingekleed.
Het is waar, verschillende keren geeft Pellico zelf aan dat hij zwijgt over de politieke kanten van zijn gevangenschap. Ook heeft hij om de censuur voor te zijn vast wantoestanden in zijn gevangenissen toegedekt. Maar als ik naar Pellico luister kan ik hem niet anders zien dan als een mens die oprecht worstelt met zijn geloof en met Gods opdracht goed te denken over zijn medemensen.

Karl May

Tijdens een korte vakantie naar Dresden ben ik, samen met m’n jongere broer, naar Villa Shatterhand en Villa Bärenfett oftewel het Karl-May-Museum in Radebeul geweest. Van deze best verkochte Duitse auteur over met name Old Shatterhand en de Apache Winnetou en over Kara Ben Nemsi en de moslim Hadsji Halef Omar bestaat zelfs een historisch-kritische editie van (gepland) meer dan 90 gebonden boekwerken. Door mijn bezoek aan dit museum is mijn interesse in deze schrijver van mijn jeugd flink geactiveerd.

De persoon Karl May blijkt heel gecompliceerd te zijn en zijn werk bevat verschillende lagen. Voor een biografische schets, zie: Schets; voor een diepgravende Duitstalige beschrijving, zie: Wohlgschaft. Van dit werk uit 1994 is in 2005 een nieuwe, driedelige editie uitgekomen van maar liefst 2013 bladzijden, met daarbij nog 300 bladzijden kroniek en registers: een biografische, psychologische en theologische goudmijn en een genot om te lezen.

May is in 1842 onder armoedige omstandigheden geboren in Saksen. De eerste vier jaren was de kleine Karl grotendeels blind, wat vast z’n verbeeldingskracht heeft bevorderd; pas na een operatie is z’n handicap verholpen. De opvoedingsmethoden van z’n vader waren hardhandig, terwijl die vader door z’n gefrustreerde ambitie ook nog een grote druk legde op de kennisontwikkeling van Karl. Hij ging leren voor onderwijzer en is dat ook een tijdje geweest. Omdat hij een geleend horloge naar huis had genomen, is hij voor zes weken in de gevangenis terechtgekomen, wat het einde betekende van z’n schoolloopbaan. Door deze ervaring is hij psychisch ontregeld geraakt waardoor hij langzaamaan z’n grip kwijtraakte op het verschil tussen fantasie en werkelijkheid. Verschillende keren maakte hij zich schuldig aan oplichting, wat hem de excessieve straf opleverde van vier jaar werkhuis; na 3½ jaar kwam hij vrij.
Thuis hoorde hij van het overlijden van z’n lievelingsoma, die hem als kind altijd op bijbelverhalen en sprookjes getrakteerd en hem altijd met veel warmte gesteund had. Hierdoor raakte hij weer z’n geestelijke balans kwijt, met als gevolg dat hij opnieuw als oplichter actief werd. Ook al was de schade daarvan nog geen 1000 Mark, dit keer werd hij veroordeeld tot vier jaar tuchthuisstraf – zonder dat ook maar iets rekening werd gehouden met z’n geestelijke toestand. In de gevangenis kreeg hij goede begeleiding van een katholieke catecheet; op een gegeven moment ging hij, al was hij luthers, bij katholieke kerkdiensten het orgel bespelen.

Hoe vreselijk deze gevangenisperiode voor May ook geweest is, hierdoor werd hij wel gestimuleerd z’n grote fantasie te richten op het schrijven van verhalen. Het resultaat daarvan vinden we in de beroemde boeken over onder meer het Wilde Westen en de Oriënt. Dat May moeite bleef houden met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid blijkt uit het feit dat hij zich in de jaren negentig van de 19e eeuw met Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi heeft vereenzelvigd en in zijn contacten met zijn fans zichzelf ongekende vaardigheden toeschreef. Door een wapenmaker liet hij zelfs de geweren van z’n helden namaken, die hij vervolgens aan z’n publiek toonde op foto’s en tijdens presentaties. Treffend is dat hij in diezelfde tijd het hartverscheurende lied ‘Vergiß mich nicht’ componeerde, zie: tekst en muziek:

Hoog gewaardeerde boeken uit je jeugd herlezen is niet zonder risico: je loopt de kans dat ze alsnog door de mand vallen. Dat is met Karl May bepaald niet het geval. Alleen al de eerste 25 van de 50 Spectrum-delen over de bovengenoemde helden heb ik met groot plezier herlezen. Voor een compleet overzicht van deze serie, zie: Werken.
Om een uitdrukking van m’n moeder te gebruiken: het zijn echt gezellige boeken. May kan onderhoudend schrijven. De verhaallijnen zijn spannend, de dialogen zijn vaak humoristisch, de natuurbeschrijvingen zijn beeldend en tussendoor word je op de hoogte gebracht van de gebruiken en opvattingen van diverse volken en stammen.

Natuurlijk zie ik de beperkingen van May. Z’n held Old Shatterhand of Kara Ben Nemsi is wel erg voorbeeldig en vaardig. Of mensen niet deugen kan hij meestal van hun gezicht aflezen. Er is sprake van blanke superioriteitsgevoelens tegenover oosterlingen en zwarten. Ook is hij voor onze tegenwoordige beleving soms te uitvoerig in z’n beschrijvingen. Maar dat weerhoudt mij niet om gewoon van May’s vertelkunst te genieten. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het eenmaal niet droog hield, namelijk toen de dood van Winnetou beschreven werd (deel 12). Het Maria-lied dat pal voor Winnetou’s sterven gezongen werd, gaat terug op een compositie van May, zie: Ave Maria muziek en tekst. Ontroerend is trouwens ook de beschrijving van de dood van z’n paard Rih (deel 24).
Fascinerend is hoe nader onderzoek heeft aangetoond dat May’s boeken vol zitten van verkapte verwijzingen naar de diverse aspecten van zijn levensverhaal. Z’n biograaf heeft het dan ook telkens over ‘Ich-Derivate’ in May’s werk.

Wat mij bijzonder aanspreekt is de christelijke kleur van May’s boeken. Telkens draagt Old Shatterhand of Kara Ben Nemsi het gebod tot vergevingsgezindheid en liefde uit, waarom hij boeven laat lopen, kwetsbare armen helpt en zich afzet tegen de wereldwijde westerse geldingsdrang. Maar het gaat verder. Zo doet Old Shatterhand z’n best om stervende boeven tot inkeer te brengen, zodat ze alsnog ‘de Heiland’ gaan erkennen. En Kara Ben Nemsi verdedigt de waarde van het christelijk geloof boven de islam, waarbij het God-zijn van Christus en diens plaatsvervangend lijden expliciet vermeld worden. Beiden doen hun best mensen met God te verzoenen die uit onvrede over hun levenservaringen het geloof in God zijn kwijtgeraakt; zie vooral deel 25, hoofdstuk 5.
Dit deel 25 is extra interessant door wat ontbreekt: omdat de redacteur de stof uit ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel I-II anders heeft verdeeld dan Karl May zelf, zijn in dit deel 25 onder meer opmerkingen geschrapt over Gods bestuur en een beschouwing over de mens en zijn lot alsook het gesprek van Kara Ben Nemsi met een moslima (Halefs vrouw Hanneh) over haar ziel en het gesprek van hem en Halef over hun vrouw, resp. Hanneh en Emma, zie: Aanvullingen. (Ook weggelaten zijn trouwens de avonturen van Old Shatterhand, na Winnetou’s dood, met Jim+Tim Snuffle en Mirza Dshafar, verteld in hoofdstuk 1-2 van ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel I, zie: Avonturen).
Dit alles maakt duidelijk dat May meer wilde geven dan onderhoudende verhalen: in z’n boeken wilde hij ook leraar, zelfs prediker zijn. Soms gaat hij in zijn beschrijving van Gods leiding of straf zo ver dat het gekunsteld aandoet, al blijven eveneens die verhalen boeien: Kalendergeschichte; zie ook de vertaling van twee van die verhalen: De gevloekte  en  De leeuw van de bloedwraak

Ik moet ook wel eens lachen: in het eerste Winnetou-deel stelt Sam Hawkens voor te gaan jagen, waarop Old Shattterhand, nog maar vers in het Wilde Westen, tegenwerpt: ‘Op zondag?’ Prachtig vind ik dat. Verschillende keren kun je het dank zij de bijdrage van onze held meemaken dat ruige westmannen hun hoeden afzetten en hun handen vouwen.

Even vóór 1900 raakte May uitgekeken op het schrijven van vooral spannende verhalen, met als gevolg dat het levensbeschouwelijke in zijn latere werken (waarvan recent haast niets vertaald is) al meer naar voren komt. Am Jenseits (1899) is daarvan het eerste duidelijke voorbeeld. Deze koerswijziging is versterkt door zijn reis van 16 maanden naar vooral het Midden-Oosten, Ceylon en Sumatra.

Triest vind ik hoe May’s laatste jaren overheerst zijn door een hetze tegen hem, waarbij May’s identificatie met z’n held werd doorgeprikt en ook z’n gevangenisverleden breed werd uitgemeten. Het getuigt van May’s karakter dat hij uitgerekend in die tijd Und Friede auf Erden (1904) publiceerde. In dit boek uit hij zich kritisch over het destructieve westerse imperialisme en spreekt hij waarderend over wat Azië cultureel en religieus te bieden heeft. Verder schrijft hij over de ‘Shen’, de bond van hen die zich hebben verplicht nooit anders dan alleen humaan te handelen, waarbij niet als streven geldt gelukkig te wórden maar gelukkig te máken.
Die hetze tegen hem heeft May gestimuleerd nog meer aandacht te vragen voor z’n boodschap over liefde voor de naaste en vrede tussen de volken. Ook stopte hij ermee Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi als z’n andere ik te presenteren; hij beschouwde hen nu als symbolische dragers van z’n boodschap. Zie: ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel III (1902) en deel IV (1903), ‘Ardistan und Dschinnistan’ (1909; zie: Deel I en Deel II; zie ook de digitale vertaling) en ‘De boodschap van Winnetou’ (1910; deel 13 uit de serie van Het Spectrum).
Van deze werken vanaf 1899 wordt in het naschrift op blz.377 van deel 25 van de Spectrum-serie opgemerkt: “Slechts weinigen onder onze lezers zullen Karl May hier willen volgen.” Daartegenover wil ik graag verdedigen dat vooral deze werken het waard zijn om ze te herlezen en te overwegen.

Ondanks alle verguizing van hem heeft Karl May een week voor z’n sterven in 1912 nog voor meer dan 2000 toehoorders in Wenen kunnen spreken. Z’n toespraak had als titel: ‘Empor ins Reich der Edelmenschen’. Eén van z’n enthousiaste toehoorders was Hitler, maar diens latere ‘Uebermensch’ met z’n meedogenloze arrogantie stond vreemd tegenover May’s edelmens met z’n hang naar liefde en vrede.

De advocaat van de duivel

Ik ben weer eens begonnen met het herlezen van m’n verzameling romans van de Australische auteur Morris West. Zijn naam ontbreekt in de ‘Moderne Encyclopedie van de wereldliteratuur’ uit 1980-1984, maar de boeken die ik van hem heb zijn voor mij puur genieten.
Hij heeft onder meer vier boeken geschreven over de paus in het Vaticaan: ‘In de schoenen van de visser’ (1963), ‘Gods kleine clowns’ (1982) en de daarop volgende maar helaas onvertaald gebleven romans ‘Lazarus’ (1990) en ‘Eminence’ (1998). Deze vier boeken zijn duidelijk verbonden met de tijd van hun ontstaan. Die context mag verleden tijd zijn, dat doet geen afbreuk aan het boeiende van deze boeken. Daarin word je meegevoerd in de wereld van de hiërarchische top van de katholieke kerk, met alle politieke intriges die daarbij horen. Maar wat mij vooral in deze vier boeken aantrekt zijn de levensbeschouwelijke thema’s die worden aangesneden. Luisterend naar de spirituele gesprekken van de verschillende personages word ik als lezer herhaaldelijk stilgezet om te peinzen over m’n eigen keuzes en waarden.

West is als auteur doorgebroken met De advocaat van de duivel (in 1961 in het Nederlands verschenen). Daarin beschrijft hij hoe een Engelse priester, werkzaam in Rome, de opdracht krijgt onderzoek te doen in een dorpje in Calabrië in Zuid-Italië. Als advocatus diaboli moet hij door het verzamelen van getuigenverklaringen en door het toetsen van de feiten antwoord krijgen op de vraag of een gedeserteerde  Engelse militair, die door communistische partizanen is terechtgesteld, wel terecht in die regio als heilige wordt vereerd. Dit als voorbereiding op een officieel proces voor zaligverklaring.

De priester heeft net te horen gekregen dat hij door z’n maagkanker niet lang meer te leven heeft. Daardoor wordt hij aan het denken gezet wat z’n leven tot dan toe voor betekenis heeft gehad. Jarenlang heeft hij stoffige dossiers bestudeerd om materiaal te verzamelen voor of tegen iemands zalig- of heiligverklaring. Al was hij formeel priester, nooit is hij een priester geweest voor mensen van vlees en bloed. Door zijn functie als advocaat van de duivel krijgt hij eindelijk de kans heuse mensen te ontmoeten.

Voor het eerst in z’n leven ervaart hij vriendschap. Allereerst met de bisschop in Calabrië bij wie hij z’n onderzoekswerk begint; daarna met de Joodse arts uit het dorpje, waar de vermeende heilige in de nadagen van de oorlog een tijd geleefd heeft.
In het dorpje logeert de priester-onderzoeker in het kasteel van een jonge Engelse weduwe, die het eigenlijk nergens kan vinden. Aan het einde van hun contact lukt het hem haar een en ander aan te reiken waardoor zij haar leven meer richting kan geven.
Heel ongelukkig verloopt z’n contact met een andere logé in het kasteel, een tweederangs Engelse schilder. De manier waarop diens homoseksualiteit wordt beschreven, doet erg gedateerd aan; tegelijk komt diens zelfverdediging weer heel modern over. De priester vindt het moeilijk met deze man om te gaan – begrijpelijk gezien z’n wereldvreemdheid en de tijd waarin hij leefde.

Heel vormend voor deze Romeinse priester-ambtenaar is zijn ontmoeting met de plaatselijke pastoor. Die blijkt al decennia lang samen te wonen met een eenvoudige vrouw, is aan drank verslaafd en vertoont weinig toewijding aan z’n ambt. De bisschop was hiermee bekend, maar had hem toch niet aangepakt omdat hij oog had voor de lastige situatie waarin deze pastoor verkeerde. Geconfronteerd met de weerbarstige praktijk ontstond bij de priester-ambtenaar begrip voor de bisschoppelijke handelwijze.

Boeiend en soms aangrijpend is wat de Joodse arts en de vroegere minnares van de deserteur vertellen over wat vijftien jaar eerder, in de laatste periode van de oorlog in die regio had plaatsgevonden.
Het boek maakt duidelijk dat West grondig studie heeft gemaakt van z’n onderwerp. En ook nu weer slaagt hij erin de lezer aan het denken te zetten over zijn of haar eigen leven.