8.1-De complete kronieken van Narnia

Weer eens heb ik de zeven boeken over Narnia van C.S. Lewis gelezen: Het neefje van de tovenaar, Het betoverde land achter de kleerkast, Het paard en de jongen, Prins Caspian, De reis van het drakenschip, De zilveren stoel en Het laatste gevecht – dit keer in de eendelige editie van 2006, met handgekleurde illustraties van Pauline Baynes en met als titel: De complete kronieken van Narnia. Lewis heeft deze boeken voor kinderen geschreven, maar ik als oudere vind ze evengoed fascinerend en hartverwarmend.

In deze boeken staan talloze verwijzingen naar de Bijbel. Ook is zonneklaar dat Aslan de Leeuw, die telkens ingrijpt om orde op zaken te stellen in Narnia, Jezus is. Lewis heeft dat ook zelf aangegeven in een brief aan een moeder (zie ‘Liefs van C.S. Lewis. Brieven aan kinderen’, 2000). Die vertelde namelijk dat haar zoon Laurence er moeite mee had dat hij meer van Aslan hield dan van Jezus. Lewis stelt die zoon gerust: ‘Laurence kan niet echt méér van Aslan houden dan van Jezus, ook al heeft hij zelf dat idee. Want de dingen die Aslan zegt en doet en waarvan hij zo houdt, zijn gewoon de dingen die Jezus in werkelijkheid zei en deed. Dus als Laurence denkt dat hij van Aslan houdt, heeft hij eigenlijk Jezus lief: en misschien houdt hij wel meer van Hem dan ooit tevoren.’

Tolkien vond het maar niks dat Lewis in zijn verhalen zo uitgesproken naar het christelijke geloof verwees. Zijn werkwijze in ‘In de ban van de ring’ is veel implicieter. Overigens is het niet zo dat Lewis zijn Narnia-boeken met de vraag begon hoe hij iets over het christendom kon vertellen aan kinderen. De verhalen drongen zich aan hem op, waarna het christelijke langzaam aan naar binnen sloop. Toen hij daarover nadacht, begon hij in te zien ‘hoe dit soort verhalen een bepaalde remming konden omzeilen, die in mijn eigen kindertijd veel van mijn geloof verlamde. Waarom vond je het zo moeilijk om te voelen wat je behoorde te voelen bij het lijden van Christus? Ik dacht dat de voornaamste reden was dat ze zeiden dat het moest. Een verplichting om te voelen kan het gevoel bevriezen. Maar stel nu eens dat je al die dingen naar een denkbeeldige wereld verschoof, dat je ze ontdeed van hun glas-in-lood- en zondagsschool-associaties. Kon je ze dan niet voor het eerst in hun werkelijke gedaante laten verschijnen? Kon je dan niet ongemerkt langs die waakzame draken glippen? Ik dacht van wel.’
Ik stem helemaal in met deze woorden van Lewis. Ook op mij werken de Narnia-verhalen als een stimulans van m’n geloof. En telkens als ik Aslan tegenkom in Narnia activeert dat bij mij het verlangen om Jezus zelf te ontmoeten. Dat zal geen spanningsloze ontmoeting zijn want Lewis laat uitkomen dat de verschijning van Aslan dubbele gevoelens oproept: enerzijds diep ontzag, want hij is een geduchte leeuw die over ontstellende macht beschikt en die niks van slechtheid moet hebben; anderzijds intense liefde, want hij is zo vol goedheid dat je hem graag wilt omhelzen.

Meeslepend vind ik Lewis’s beschrijving in deel 1 hoe Aslan door zijn zingen Narnia schept. Dat heeft mij nog eens extra duidelijk gemaakt dat christenen zich niet zo druk moeten maken over theorieën als de big-bang en de evolutie. Ik weet wel: zulke theorieën worden vaak uitgedragen als laatste waarheid. Dat vind ik te grote woorden: het zijn tijd- en kennisgebonden pogingen van mensen om greep te krijgen op waargenomen verschijnselen en om terugrekenend dichter bij de oorsprong van alles te komen. Maar die pogingen zullen nooit het geheim van Gods spreken aan het begin ontsluiten. Het geheim van Gods scheppen blijft volgens mij ontoegankelijk voor ons, beperkte mensen.

Fascinerend zijn ook de dialogen die in de Narnia-boeken staan. Laat ik enkele noemen:
Hartverscheurend is het gesprek tussen de heks en Digory in deel 1, waarin zij met duivelse slimheid probeert de trouw van Digory aan Aslan uit te spelen tegen diens liefde voor z’n zieke moeder.
In deel 6 probeert de heks Puddelgum en z’n vrienden aan te praten dat Aslan en Narnia alleen maar verzinsels zijn en dat haar duistere wereld de echte wereld is; daarop reageert Puddelgum dat hij liever aan zijn wellicht verzonnen maar tegelijk betere wereld met Nania en Aslan vasthoudt dan aan de vreselijke wereld van de heks.
Tenenkrommend is in deel 7 de manier waarop Draaier de aap emotionele chantage toepast op de goedgelovige ezel Puzzel. Lewis weet kennelijk precies hoe manipuleren werkt.

In ditzelfde slotdeel spreekt de niet-Narniaan Emeth (Hebreeuws voor waarheid) z’n verbazing erover uit dat hij zich in het paradijs van Aslan bevindt terwijl hij z’n hele leven de afgod Tash heeft vereerd. Daarop reageert Aslan: ‘Alles wat ge voor Tash gedaan hebt, reken ik alsof ge het voor mij had gedaan.’ Emeth vraagt dan of Aslan en Tash soms uiteindelijk dezelfde zijn, waarop Aslan zegt: ‘Niet omdat hij en ik dezelfde zijn, maar omdat we elkaars tegenovergestelde zijn, neem ik de dingen die ge voor hem gedaan hebt voor mezelf aan. Want ik en hij zijn zo verschillend dat niets slechts voor mij kan worden gedaan, en dat niets dat niet slecht is, voor hem kan worden gedaan. Als iemand daarom bij Tash zweert en zijn eed houdt omdat hij het gezworen heeft, dan heeft hij in werkelijkheid bij mij gezworen (…) En als iemand in mijn naam een wreedheid begaat, dan is (…) Tash degene die hij dient.’ Emeth begrijpt het niet: ‘Toch heb ik Tash al mijn levensdagen gezocht’, waarop Aslan afsluit: ‘Als uw verlangen niet mij gegolden had, zoudt ge niet zo lang en zo oprecht gezocht hebben. Want ieder vindt wat hij oprecht zoekt.’ Ik vind dit een uitdagende en vertroostende benadering, helemaal passend bij de verrassende manier waarop God in de Bijbel zijn barmhartigheid laat zien.

Leuke momenten in de Narnia-kronieken zijn de vele eetpartijen. Lewis ziet kans de gerechten met een eetlust-stimulerend enthousiasme te beschrijven. Het maakt duidelijk hoe hij zelf genoten moet hebben van eetpartijen met vrienden: paradijs-momenten – is ook mijn ervaring.
En zo kan ik nog lang doorgaan om de lof op deze boeken te zingen.