8.3-Biggles

Toen ik 14-15 jaar was heb ik Biggles-boeken gespaard van de schrijver W.E. Johns, uitgegeven in de reeks Prisma-juniores van uitgeverij Het Spectrum. Prachtig vond ik het te lezen over de piloot Biggles, die met z’n drie vrienden overal in de wereld het kwaad bestreed. Maar op een gegeven moment kwamen er zo veel delen tegelijk uit dat ik met m’n bescheiden inkomsten moest afhaken, temeer omdat de prijs verhoogd was van 1 gulden naar 1,25.
In het kader van m’n project ‘jeugdboeken herlezen’ ben ik me weer met Biggles gaan bezighouden.  Het blijkt dat er tussen 1958 tot 1972 maar liefst 91 delen zijn uitgekomen, in 2001-2003 met nog drie delen aangevuld. (Ik reken de twee bundels die later zijn verschenen niet mee omdat die verhalen bevatten die Johns in bewerkte vorm in andere bundels heeft heruitgegeven).

Deze 94 delen betreffen vier periodes uit het leven van Biggles: zijn jeugd (3 x), de Eerste Wereldoorlog (5½ x) de jaren twintig en dertig, toen hij een eigen luchtvaartbedrijf had (16 x), de Tweede Wereldoorlog (8 x) en ten slotte de jaren daarna, toen hij bij de luchtvaartpolitie van Scotland Yard werkte, met commodore Raymond als z’n chef (61½ x).

De hoofdpersonen zijn Biggles, z’n neef Algy, lord Bertie en vanaf de jaren dertig ook de jongere Ginger (= Rooie). Voor een overzicht van de serie, zie: Biggles-serie
Het tekenen van karakters is niet Johns’ sterkste kant. Het meest hinderlijk is dat bij Algy die in al die delen een kleurloze figuur blijft. Biggles zelf is in z’n jeugdjaren levendig, vol heftige gevoelens maar als volwassene is hij flegmatiek maar wel creatief in het vinden van oplossingen. Bertie, die constant z’n monocle oppoetst, lijkt soms wat onnozel want hij komt telkens met irreële voorstellen. Ginger is een jonge hond, die vaak goede ideeën heeft. Als Johns wil aangeven wat er innerlijk speelt bij onze vier helden maakt hij dat meestal alleen duidelijk aan de hand van wat er opkomt bij Ginger. De vier vrienden vormen een hecht koppel en zijn door dik en dun trouw aan elkaar. Haast zonder tegenspreken wordt Biggles erkend als de leider, zonder wie ze zich onzeker voelen. Hun vriendschap gaat zo ver dat ze samen in Londen een appartement bewonen.

Een belangrijke rol is ook weggelegd voor Biggles’ aartsvijand Erich von Stalhein. In maar liefst 18 delen van de serie komt hij voor. Tijdens de Eerste Wereldoorlog treedt hij op als Duits spion; later is hij geheim agent van de nazi’s; na de Tweede Wereldoorlog laat hij zich door allerlei ongure mensen inhuren, maar algauw werkt hij voor de Sovjet Unie. Met al z’n Pruisische rechtlijnigheid is hij in z’n werk meedogenloos, vol haat voor de Engelsen en vooral voor Biggles. Tegelijk heeft hij bewondering voor de inventiviteit en integriteit van Biggles; ook is hij er jaloers op hoe de vier vrienden als hecht team fungeren. In z’n houding tegenover Biggles komt een radicale wending als hij door Biggles’ team bevrijd wordt uit een communistisch kamp op Sachalin. Daarna ontwikkelt zich zelfs vriendschap tussen Biggles en Von Stalhein.

De meest opmerkelijke passages in al die 94 delen staan in het gesprek dat Biggles in deel 79 (Biggles achter het IJzeren Gordijn) met Von Stalhein heeft over zijn jeugdliefde Marie Janis. Die jeugdliefde wordt beschreven in deel 71 (Biggles als luchtheld). In 1918, toen hij, nog maar 19 jaar, piloot was in Frankrijk, had Biggles namelijk een toevallige ontmoeting met Marie Janis. Als hij haar hoort en ziet is hij meteen onzinnig verliefd. Op haar vraag ‘Zoekt u mij misschien’ antwoordt hij: ‘Ik zoek u heel m’n leven al. Ik had niet gedacht dat ik u ooit zou vinden.’ Of zo’n reactie bij de vechtjas Biggles past, betwijfel ik, maar goed: hij is door Marie totaal van de kaart en gaat vanaf die tijd intensief met haar om. Binnen de kortste keren is hij haar weer kwijt doordat zij een Duitse spionne blijkt te zijn. Decennia later ziet Biggles uitgerekend met z’n vroegere aartsvijand Von Stalhein terug op die periode en daarbij laat hij op een verrassend open manier in z’n hart kijken: ‘Er is nooit een andere vrouw in mijn leven geweest.’ Mijn hart ‘heeft in een ijskast gelegen sinds die nacht dat mijn droom in een wolk van leugens uit elkaar spatte.’ Op deze manier heeft Johns het aannemelijk gemaakt dat in de Biggles-boeken vrouwen nagenoeg ontbreken.

Wat in de verhalen over Biggles ook grotendeels ontbreekt is het levensbeschouwelijke element. Het is waar, op de achterflap van ‘Biggles begraaft de strijdbijl’ uit 1960 (later deel 52 uit de serie) staat een (stoïsch aandoende) tekst die ik als tiener fantastisch vond. Ik citeer: “De reden waarom Biggles zelfs op de gevaarlijkste ogenblikken zo kalm blijft, spreekt uit zijn levensopvatting.
‘Als je met een vliegtuig in de lucht bent, is alles in orde of het is niet in orde.  Als alles in orde is, hoef je niet te tobben. Als niet alles in orde is, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je valt of je valt niet. Als je niet valt, is er geen reden om te tobben. Als je wel valt, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je raakt gewond, of je raakt niet gewond. Als je niet gewond raakt, hoef je niet te tobben. Als je wel gewond raakt, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je wordt beter, of je gaat dood. Als je beter wordt, is er geen reden om te tobben. En als je dood gaat, kun je niet meer tobben.'”
In de boeken zelf ben ik deze uitspraak niet tegenkomen. Wel klopt het dat Biggles de dingen telkens zonder mopperen neemt zoals ze zijn, ook als ze hem niet aanstaan.

Wat ons iets onthult over Biggles’ religieuze achtergrond zijn twee momenten waarop Biggles leiding geeft aan een begrafenis. In deel 28 (Biggles bij Scotland Yard) wordt verteld:  ‘Biggles nam zijn pet af en vroeg Ginger hetzelfde te doen. Toen, terwijl de zoute wind door zijn haren streek en de meeuwen een melancholiek requiem krijsten, bad hij het Onze Vader.’ In deel 87 (Biggles op het ongelukseiland) wordt bij een begrafenis vermeldt: ‘ Biggles sprak een paar woorden die hij zich van de begrafenisdienst wist te herinneren.’

Z’n instemming met bijbelse waarden laat Biggles merken als hij in no.91 (Biggles en het spookvliegtuig) stilstaat bij de zelfmoord van een aan lager wal geraakte man: ‘Waarschijnlijk had hij te veel geld toen hij nog jong was, en dan wordt zo iemand gauw over het paard getild. Die wijze koning Salomo wist wel wat hij zei toen hij beweerde: “IJdelheid, ijdelheid, alles is ijdelheid.” Maar wat geeft ons het recht kritiek te leveren? We zijn er geen van allen vrij van.’

Dat de auteur van de Biggles-boeken begrip had voor religie blijkt ook uit twee andere passages. In deel 33 (Biggles in Arabië) staat: ‘De naam van God is altijd op de lippen van de woestijn-Arabier die, door zijn leven in de natuur, steeds herinnerd wordt aan de macht van de Almachtige en de nutteloosheid zijn eigen nietige kracht daartegenover te stellen.’ Een soortgelijke uitspraak lezen we in deel 80 (Biggles en het koningsgraf): ‘Voor hen lag nu de grote zandzee, een schouwspel dat niemand kan aanzien, op welke manier hij ook reist, zonder vrees in het hart. Wanneer hij een dergelijk landschap beschouwt, realiseert hij zich, misschien voor de eerste maal, hoe nietig de mens is, en hoe onbetekenend de gewone dingen van het leven zijn.’

Voor mij was heel verrassend wat ik las over het werk van gevechtspiloten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dat niet alleen tijdens de Tweede maar ook al tijdens de Eerste Wereldoorlog vliegers aan het werk waren, heb ik namelijk nooit geweten. Over deze tijd heeft Johns een boeiend overzicht geschreven, zie: Johns (handig te weten zijn de termen die in die tijd gebruikt werden, zie: Termen). Schokkend was het te lezen hoe de meeste piloten in die tijd geen parachute hadden. Als hun vliegtuig in de lucht in brand vloog, sprongen ze zich liever te pletter op de grond dan in hun machine geroosterd te worden.

Wat mij verder boeit in de boeken over Biggles? Johns kan spannend schrijven. En gezien alle ellende in de wereld vind ik het prettig dat het altijd goed afloopt voor onze vier vrienden, al zijn ze soms slachtoffer van hun eigen fouten of gewoon van pech.
Verder zijn de natuurbeschrijvingen prachtig. Als ervaringsdeskundige weet Johns beeldend weer te geven wat de piloten al vliegend waarnemen. En door z’n reiservaringen krijgen we allerlei details te horen van landschappen overal in de wereld. Thuis gerieflijk in je stoel zittend kom je zo in aanraking met plekken en vergezichten die anders ver buiten je horizon gebleven waren.