Anselm Grün over ons verlangen en God

Anselm Grün, monnik van een benedictijnerklooster in Duitsland, heeft tientallen boeken geschreven die dienstbaar willen zijn aan de vorming en heling van z’n lezers. Al kan ik me niet vinden in z’n veelal symbolische (dieptepsychologische) duiding van de bijbelverhalen, vaak voel ik me bijzonder gestimuleerd door z’n menselijke en spirituele wijsheid. Het laatste boek van Anselm Grün dat ik gelezen heb is God ervaren uit 2001. Uit het vierde hoofdstuk wil ik graag iets doorgeven:

Veel mensen willen steeds meer en zijn toch nooit tevreden. Wij zullen onze verlangens nooit kunnen stillen door steeds nieuwe sensaties achterna te lopen. Daarom moeten we proberen al onze wensen volledig uit te denken. Dan zullen we inzien dat God uiteindelijk het doel van al onze wensen en verlangens is. En alleen in God komt onze onrustige geest tot rust.
Onze tijd is een tijd van desillusie. De visioenen zijn vervlogen. Maar ook in deze tijd blijft de mens verlangen. We herkennen zijn verzwegen verlangens in de begeerten die de consumptiemaatschappij opwekt. In de begeerte zoek ik eigenlijk dat waarnaar ik in de diepte van mijn hart hunker. Maar ik geef dat verlangen, die hunkering niet toe. Als wij op de bodem van onze begeerte het verlangen ontdekken, kan alles ons naar God verwijzen. Maar hoe? Een weg zou kunnen zijn dat wij onze begeerte niet veroordelen, maar ons de vraag stellen wat we in de diepte van ons hart eigenlijk zoeken.
Wat verlang ik als ik niet van mijn werk kan loskomen? Ik bedek de leegte die zou ontstaan als ik niets meer te doen had. Ik ben op de vlucht voor mijzelf. Ik kan het niet verdragen in de stilte met mezelf en mijn waarheid alleen te zijn. Of ik hunker naar erkenning. Daarom presteer ik steeds maar meer, opdat men niet om mij heen kan. Of ik hunker naar een relatie, om te ervaren dat ik het beminnen waard ben. Ik wil onvoorwaardelijk aangenomen worden, mezelf kunnen aannemen en beminnen.

In plaats van tegen mijn begeerte tekeer te gaan, moet ik mijn aandacht naar binnen richten en daar het verborgen verlangen ontdekken. Een frontale strijd tegen mijn begeerte zal ik steeds verliezen. Als ik de begeerte voor een tijdje op de vlucht drijf, zal deze des te sterker terugkeren. In plaats van de begeerte te bestrijden moet ik die tot in het einde overdenken. Hunker ik niet naar meer? Hunker ik niet naar een heel andere werkelijkheid? Dan zal de begeerte langzaam veranderen in verlangen.
Volgens Augustinus hunkert ieder mens naar God, naar geborgenheid, naar liefde, naar een echt thuis, naar echtheid en vrijheid. God zelf heeft ons dat verlangen naar eeuwige gemeenschap met Hem in het hart gelegd. Of wij het willen of niet, in alles waar wij hartstochtelijk naar zoeken, hunkeren we uiteindelijk naar God.

Als we met alle kracht uit zijn op rijkdom, zal het bezit ons verlangen toch niet vervullen. In de zoektocht naar rijkdom zit het verlangen naar rust. Maar het fatale is dat het bezit ons bezeten maakt, dat het ons nog meer tot onrust drijft.
Als wij naar succes streven, steekt daar het verlangen achter waardevol te zijn. Maar tegelijk weten wij dat geen enkel succes ons verlangen kan stillen. Wij ervaren onze goddelijke waarde pas in God.
Ieder mens hunkert ernaar bemind te worden en zelf te beminnen. We hoeven maar in de krant te kijken om te zien hoeveel van zulke verlangens onbevredigd blijven of in eenzaamheid eindigen. Maar toch steekt in elke kleine liefde, ook in de totaal seksuele liefde, het verlangen naar God.
De mens is vervuld van een onstilbare honger naar God, naar het absolute thuis zijn, naar geborgenheid, naar het verloren paradijs. Ook wanneer, van buitenaf gezien, het menselijke verlangen op andere doelen is gericht, is het laatste doel altijd God. Zelfs bij mensen die zich van God hebben afgewend, klopt een verlangen naar meer, naar de totaal andere, naar de enige die genoeg is.
Met het eigen verlangen in aanraking komen is niet van de realiteit van ons leven weglopen. Integendeel, als wij zien dat er in ons een verlangen naar God is, naar iets wat wereldoverstijgend is, dan kunnen wij ons verzoenen met de vaak zo banale werkelijkheid van ons bestaan.

Ik maak steeds weer mensen mee die van de mens die ze liefhebben verwachten dat hij hen geneest, dat hij hen bevrijdt en hun leven een ultieme zin geeft. Dat zijn echter verwachtingen die geen mens kan vervullen. Het verlangen relativeert onze verwachtingen als wij erin berusten dat het niet door mensen vervuld kan worden. Zo helpt het verlangen ons om menselijk met elkaar om te gaan, de mens te laten zoals hij is. Ontgoochelingen horen bij ons leven. Onze familie ontgoochelt ons, ons beroep ontgoochelt ons. We zijn ontgoocheld in onszelf. We hebben ons illusies gemaakt over onszelf en de anderen. We hebben ons vergist. Dat toegeven kan pijnlijk zijn. En velen ontwijken liever dat pijnlijke inzicht, maar dan zijn ze op de vlucht voor zichzelf. Zo komen ze nooit tot rust.
Als wij ons van ons verlangen bewust zijn, kunnen wij ons ermee verzoenen dat ons werk niet aan onze verwachtingen beantwoordt. Dan aanvaarden wij onszelf en nemen de zwakheden erbij. Ons verlangen gaat immers boven ons werk en boven onszelf uit. Het richt zich op God. God alleen kan ons verlangen vervullen. Het verlangen relativeert alles wat wij hier doen. Daardoor bevrijdt het ons van ons krampachtige streven naar steeds meer succes en erkenning.
Het verlangen zorgt ervoor dat ik met berusting reageer op de ontgoochelingen van mijn leven. Sterker nog: de ontgoocheling houdt je verlangen wakker en daardoor open naar God toe. Een groot hart heeft ook ruimte voor de mensen. Het veroordeelt niet, het heeft het leven met zijn ontgoochelingen en desillusies aanvaard. Die zijn een springplank geworden naar de grote ruimte van God.

Tot zover Grün. Wie de smaak te pakken heeft, kan het complete hoofdstuk gaan lezen; in de rubriek ‘Teksten van anderen’ staat een pdf daarvan.