Categorie archief: Leeservaringen

Tanka en haiku

Gestimuleerd door Aafjes’ boeken over de Japanse rechter Ooka ben ik me gaan verdiepen in twee werken over Japanse poëzie van J. van Tooren: Tanka, Het lied van Japan (1983) en Haiku. Een jonge maan (1973; in 2000 de tiende druk!).

De tanka bestaat uit vijf regels van 5-7-5-7-7  lettergrepen; in deze vorm werd gedicht vanaf plm. 600. De haiku is hierna ontstaan, bestaat uit drie regels van 5-7-5 lettergrepen en is bekend vanaf plm. 1600. Beide dichtvormen worden tot op de dag van vandaag in Japan beoefend.

Heel bijzonder is dat de vroegere Japanse keizers zich ingespannen hebben om de oude tanka voor het nageslacht te bewaren. Om dat te bereiken hebben ze verschillende keren de opdracht gegeven om verzamelbundels aan te leggen. De eerste kwam plm. 760 tot stand en bevatte maar liefst 4500 verzen, gevolgd door nog 21 bundels.

Sinds enkele decennia houden ook Westerse dichters zich met de tanka en haiku bezig. In Nederland en België bestaan hiervoor zelfs speciale tijdschriften. Al ben ik (nog) niet zo verslingerd aan deze poëzievorm als bijvoorbeeld de in 2012 overleden dichteres Inge Lievaart, ik ben er wel door geboeid. Wat een scherp observatievermogen verraden die gedichten.

Anders dan in veel Nederlandse poëzie ontbreken maat en rijm; bepalend is het aantal lettergrepen. Het vertalen van deze poëzie is dan ook uitermate lastig. Om deze gedichten recht te kunnen doen heeft J. van Tooren (pseudoniem van Anna Maria Mulder-Swanenburg de Veye, 1900-1991) op 60-jarige leeftijd dan ook Japans geleerd.

De tanka mag beperkt zijn qua omvang, qua inhoud is die vaak heel sprekend. Altijd weer is er aandacht voor de natuur, die dan geregeld wordt verbonden met wat er innerlijk bij de dichter speelt. Enkele voorbeelden:

(Prins Otsu, plm. 675:)                               (Vrouwe Ishikawa antwoordt:)
In de dauw die droop                                Was ik maar geweest
uit de druipende bergen                           deze dauw uit de bergen
wachtte ik op u                                           die u doorweekte
mijn liefste, geheel doorweekt                toen ge daar stond te wachten
door de dauw uit de bergen.                   op mij, in druipende dauw!

(Priester Mansei, plm. 720:)                     (Yamaoé no Okura, plm. 700:)
Deze onze wereld                                      In deze wereld
waarmee vergelijk ik haar?                      is alleen schaamte en verlies
De witte schuimgolf                                  zo zou men denken;
achter een schip dat uitroeit                   maar wegvliegen kan men niet
bij ‘t morgengloren!                                  omdat wij geen vogels zijn.

De haiku is nog weer beknopter; daarin kan maar één suggestie, één gedachte tegelijk aanwezig zijn, al heeft zo’n minigedicht soms een dubbele bodem. Niet voor niets waren in elk geval de vroegere afkomstig uit kringen die Zen-boeddhisme beoefenden. Enkele voorbeelden:

(Basho, 1644-1694)                                 (Basho)
Pruimbloesemgeur, en –                       Op een dorre tak
plotseling gaat de zon op                      is een kraai nog blijven zitten
over het bergpad.                                   in de herfstavond.

(Issa, 1763-1827)                                    (Shiki, 1867-1902)
Waar zou hij heengaan                         Donkerblauwe zee,
in deze zware regen,                             witbesneeuwde bergen,
zo’n eenzame slak?                               en vogels, terugkerend.

Het eerste boek van Van Tooren lezend verbaas ik me erover dat Japan al in die vroege tijd zo’n verfijnde dichtkunst kende. Deze verbazing maakt duidelijk hoe Europa-centrisch ik denk, alsof de wereldbeschaving zich vooral in Europa afspeelt. Wij zijn trots op onze middeleeuwse Hadewijch (± 1210-1260) en Jacob van Maerlant (± 1235-1300), maar toen zij optraden kende Japan al 600 jaar de tanka!
Opvallend in al die eeuwen van tanka en haiku is ook dat God daarin eigenlijk volledig ontbreekt. Dat geeft aan hoe anders de bovendrijvende levensbeschouwing in Japan was (en is) dan die in Europa. Tegelijk is waar dat de liefde voor de natuur en de menselijke emoties van de Japanse dichter voluit herkenbaar zijn voor ons in Europa.

Van Tooren heeft ons een grote dienst bewezen door ons zo intensief vertrouwd te maken met deze twee Japanse dichtvormen. De al genoemde Lievaart met haar bundels haiku en tanka bewijst hoe inspirerend dat voor velen is geweest.

Rechter Ooka

Tijdens de kerstdagen heb ik opnieuw genoten van twee verzamelbundels van Bertus Aafjes met als titel: Rechter Ooka-mysteries (1982) en De mysterieuze rechter Ooka (1986). In deze twee uitgaven heeft Aafjes de meeste verhalen gebundeld uit vijf eerdere boeken over deze rechter.

De in 1993 overleden Aafjes was een veelzijdig schrijver. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij bekend door zijn dichtwerk ‘Een voetreis naar Rome’ (1946). In de schrale tijd pal na de verschrikkingen van de oorlog activeerde dit werk het verlangen naar schoonheid, kleur en vrijheid achter de verre horizon.
In de jaren hierna legde Aafjes zich toe op reisbeschrijvingen. Al dateren die van enkele decennia terug en zijn ze daardoor deels achterhaald, dank zij de archeologische scholing en de grote vertelkunst van Aafjes zijn met name de bundels over Egypte, Palestina, Griekenland en Italië nog altijd met plezier te lezen.
Voor jong-gebleven volwassenen zijn ook lezenswaardig de tien deeltjes uit de serie ‘De gouden keten’, bedoeld voor wat tegenwoordig de basisschool heet. Tot slot noem ik het ontroerende stripverhaal (met tekeningen van Eppo Doeve) ‘Kleine Isar. De vierde koning.’

Maar terug naar rechter Ooka. Aafjes’ verhalen over hem zijn hervertellingen van bestaande geschiedenissen, waarmee Aafjes tijdens z’n reizen naar Japan vertrouwd werd. Ooka Echizen no Kami Tadasoeke leefde van 1677 tot 1751 en was rechter in Edo, het tegenwoordige Tokio. Hij was tegenstander van de toentertijd ook in Japan gebruikelijke methode om verdachten door foltering tot bekennen te dwingen. Hij was namelijk sceptisch over de waarde van zulke afgedwongen bekentenissen. Eveneens nieuw was dat hij psychologische methoden gebruikte om te kunnen onderscheiden tussen misdadigers en onschuldigen, terwijl hij bovendien oog had voor de ellende van de kansarmen.
Zijn rechtszittingen mochten door iedereen bijgewoond worden, zodat al tijdens z’n leven de verhalen de ronde deden over de vaak verrassende en altijd wijze uitspraken die hij deed. Die verhalen werden ten slotte opgeschreven, waarbij uiteraard niet meer gereconstrueerd kan worden wat daarin waarheid en wat verdichting is. Deze bronnen heeft Aafjes gebruikt voor zijn hervertellingen.

Er is kritiek uitgeoefend op de manier waarop Aafjes deze verhalen heeft herverteld: ze zouden geen recht doen aan de historische feiten en zouden allerlei fantasieën bevatten. Aafjes zelf geeft het volmondig toe dat hij ‘deze Japanse Sherlock Homes grotendeels uit eigen verbeelding’ heeft voortgebracht. ‘In het bijzonder heb ik getracht de rechter en zijn omgeving die couleur locale van Japanse dichterlijkheid en oosterse geheimzinnigheid te geven, die ik in Japan nog in zo’n overvloedige mate aantrof.’

Prachtig is hoe Aafjes zijn rechter Ooka laat omgaan met haikoes (tegenwoordig gespeld als haiku’s).
Volgens de ‘Moderne encyclopedie van de wereldliteratuur’ (tweede druk uit 1980) is een haiku een ‘Japans 17-lettergrepig gedicht, bestaande uit drie regels van resp. 5, 7 en 5 lettergrepen’, waarin de essentiële betekenis van iets alledaags, iets simpels wordt aangeduid. Ofwel, ‘met een minimum aan woorden wordt een maximum aan beleving opgeroepen.’ Een beroemd voorbeeld is deze haikoe van Basho: ‘O, oude vijver! / een kikvors springt van de kant, / geluid van water.’
Nog al eens geeft zo’n haikoe de rechter de sleutel in handen om een lastige rechtszaak toch tot een goed einde te brengen.
Mooi zijn ook de natuurbeschrijvingen in de verhalen. Je ziet dan de kleurige houtsneden van Hiroshige voor je, al dateren die van een eeuw later.
Uitgebreid wordt aandacht gegeven aan wat de fijnproever Ooka eet. Als ik in een restaurant met een gerechtenkaart geconfronteerd wordt of als de ober de gerechten uitlegt, voel ik me altijd een volslagen leek. Maar van al die gedetailleerde passages over Ooka’s smulpartijen gaat voor mij toch een grote charme uit.

Het mooiste zijn de rechtszaken zelf. Altijd weer zien ze er onoplosbaar uit, maar toch lukt het Ooka om er op een overtuigende manier uit te komen. Hij blijkt een herleefde Salomo te zijn, weliswaar in Japanse kledij maar met een even grote wijsheid. Bijzonder aardig om te lezen.

Jammer dat ik de beide bundels nu uit heb. Ik troost mezelf met de gedachte dat ik over de gave van de vergetelheid beschik. Daardoor kan ik over 1-2 jaar deze verhalen weer als nieuw gaan lezen. Een mooi vooruitzicht.

Byzantium

Eeuwenlang, tot in onze tijd, is in Europa negatief aangekeken tegen Byzantium met z’n hoofdstad Konstantinopel. Het boek van de Londense hoogleraar Judith Herrin, met als titel Byzantium. Het verrassende leven van een middeleeuws rijk (2009) kun je daarom een rehabilitatie noemen van dit rijk.
Die negatieve visie op Byzantium is wel begrijpelijk want mensen hebben vaak moeite met medemensen die anders zijn. En anders waren de Byzantijnen. Allereerst qua taal: in Europa sprak de elite en de geestelijkheid Latijn terwijl de Byzantijnen Grieks spraken.
Ook theologisch waren er verschillen; het meest bekend is dat de Byzantijnse christenen over de Heilige Geest verklaarden dat die van de Vader is uitgegaan terwijl de Latijnse christenen verdedigden dat Hij ook van de Zoon (‘filioque’ in het Latijn) is uitgegaan. Daarnaast waren het Oosten en Westen het oneens over gebruiken rond de eucharistie en het vasten.
Deze verschillen zijn uiteindelijk uitgemond in het schisma tussen Oost en West in 1054. De onderlinge aversie is verdiept doordat de Latijnse christenen in 1204, tijdens de vierde kruistocht, Konstantinopel hebben geplunderd en daar toen tot 1261 de baas hebben gespeeld.

Herrin vindt dat met deze negativiteit Byzantium onrecht wordt aangedaan. Volgens haar wordt de kracht van Byzantium alleen al bewezen door het feit dat dit rijk (hoewel met wisselende omvang) meer dan duizend jaar heeft bestaan en allerlei rampen telkens weer te boven is gekomen; Konstantinopel is immers gesticht in 324 en pas definitief ondergegaan in 1453.
En hoe belangrijk is Byzantium niet geweest voor de kerstening van de Slaven, begonnen door de broers Methodios en Konstantijn (met als kloosternaam: Cyrillus; hij bedacht het cyrillische alfabet en overleed in 869).
Daarnaast was de Byzantijnse kunst van grote schoonheid en heeft de Byzantijnse architectuur en mozaïekkunst (overtuigend aanwezig in bijvoorbeeld de beroemde Hagia Sophia, ingewijd in 537) grote invloed gehad; denk aan Ravenna in Noord-Italië.
Ten slotte was het door de Byzantijnse filosoof Georgios Gemistos, bijgenaamd Plethon, dat de geleerden in Florence in 1438 enthousiast gemaakt werden voor Plato – een belangrijke impuls voor de Italiaanse Renaissance.

Het belang van Byzantium blijkt volgens Herrin vooral hieruit dat Byzantium eeuwenlang als schild heeft gefungeerd tussen West-Europa en de Islam. Een citaat: “Als Konstantinopel halverwege de zevende eeuw in Arabische handen was gevallen, zouden de moslims dank zij hun slagkracht rechtstreeks zijn doorgestoten naar Europa, (.…) waar de Slavische en Germaanse volkeren geen weerstand hadden kunnen bieden. Zonder Byzantium is Europa zoals wij dat kennen ondenkbaar.” Dit onderstreept ze nog eens aan het einde van haar boek: “Dank zij het vermogen van (Byzantium) zichzelf te verdedigen, hield het rijk de wereld ten noordwesten van de Middellandse Zee in de luwte in de chaotische maar creatieve periode die aanbrak na de val van het Romeinse rijk in het Westen. Zonder Byzantium had Europa niet bestaan.”
Maar wat heeft Byzantium vanwege die schildfunctie gebloed. In 638 werden Byzantijnse steden als Antiochië en Jeruzalem door de Arabieren veroverd. In 674-678 vond de eerste Arabische belegering van Konstantinopel plaats. Even nadat Arabieren in Spanje de baas werden werd de hoofdstad van Byzantium voor de tweede keer belegerd, 717-718. De eeuwen daarna bleef Konstantinopel weliswaar een nieuwe belegering bespaard maar hadden de Bijzantijnen elders constant te maken met de veroveringszucht van moslimheersers. In 1354 staken de uit Azië afkomstige Turken (naar een belangrijke vorst Ottomanen genoemd) de Dardanellen over. Zij brachten Konstantinopel al verder in het nauw, met belegeringen in 1397-1402 en 1422, waarna ten slotte de verovering in 1453 volgde.

In de geschiedenis van Byzantium komen theologisch boeiende thema’s aan de orde. Zo werden in Konstantinopel en Nicea, op Byzantijns grondgebied dus, belangrijke concilies gehouden waarop belijdenissen geformuleerd werden over de goddelijke en menselijke natuur van Christus.
Bekend is ook de strijd tussen de iconofielen en iconoclasten. In Byzantium was namelijk al vroeg het gebruik ontstaan om Christus en de heiligen te vereren met behulp van afbeeldingen. Deze iconen werden verdedigd met een beroep op de menswording van Christus; ook zouden ze de mensen meevoeren naar een hoger besef van het goddelijke. De tegenstanders typeerden het vereren van iconen als afgoderij; ook stelden zij dat deze afgoderij de oorzaak ervan was dat Byzantium zo erg te lijden had van moslimaanvallen. Er zijn twee periodes geweest van iconenvernietiging (iconoclasme), 730-787 en 815-843, waarbij zelfs doden zijn gevallen. Uiteindelijk hebben de iconoclasten de strijd verloren, beide keren door toedoen van vrouwelijke keizers.
In de dertiende eeuw maakten de monniken van de kloosterberg Athos kennis met het hesychasme (‘hesychia’ betekent stilte, rust). Essentieel daarvoor was de herhaling van het gebed ‘Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over mij’, gecombineerd met ademhalingsoefeningen die erop gericht waren de concentratie te bevorderen en het geestelijk bewustzijn van de monnik op een hoger plan te brengen. Vooral Gregorios Palamas (overleden in 1359) maakte zich sterk voor deze vorm van neoplatonische mystiek. Hij werd geïnspireerd door het moment waarop de drie leerlingen op de berg Tabor het ongeschapen licht ervoeren van Christus wiens gedaante toen veranderde. Volgens hem konden de monniken ditzelfde goddelijke licht ervaren. Hij werd fel bestreden door onder anderen Balaam van Calabrie; ook westerse theologen keerden zich tegen deze neoplatonische theologie, gevormd als ze waren door aristotelische denkpatronen. Uiteindelijk werd deze hesychastische theologie met haar mystieke contemplatie kenmerkend voor de oosterse orthodoxie.

En dit is nog maar een fractie van de onderwerpen die Herrin in haar boek aansnijdt. Zo vertelt ze hoe aan het keizerlijk hof van het christelijke Byzantium grootschalig eunuchen dienst deden, die als jongetje (vaak met instemming van hun ouders) gecastreerd waren (een fenomeen dat later ook in het Westen niet onbekend was: de laatste castraatzanger van het koor van de Sixtijnse kapel in het Vaticaan, Alessandro Moreschi, overleed in 1922). De Byzantijnse wreedheid bleek ook hieruit dat tegenstanders vaak werden uitgeschakeld door die de ogen uit te steken. Positief was weer het hoge niveau van het onderwijs, waar ook vrouwen van profiteerden.

Het lezen van dit boek bevordert de bescheidenheid, want er staat heel veel in waarvan ik en vast de meeste lezers nog nooit gehoord hebben. Herrin heeft ons door haar boek een grote dienst bewezen.

Gesprekken met Goethe

Nadat ik Safranski’s fascinerende biografie ‘Goethe. Kunstwerk van het leven’ (2015) had gelezen, had ik er zin in me eindelijk eens te verdiepen in het beroemde boek Gesprekken met Goethe van Johann Peter Eckermann (1990). Dit boek is voorzien van een nawoord van Boudewijn Büch, meeslepend geschreven zoals de Goethe-specialist Büch dat kon.

Büch vertelt hoe Eckermann als gevolg van z’n band met Goethe z’n geliefde maar liefst dertien jaar op een huwelijk heeft laten wachten. Toen eindelijk hun huwelijk gesloten werd, heeft dat maar drie jaar geduurd; toen stierf zij.
Behalve de Gesprekken heeft Eckermann nog meer gepubliceerd, maar die werken zijn al tijdens zijn leven in de vergetelheid verdwenen. Eckermann is de auteur geworden van één beroemd boek: Gesprekken met Goethe.

In dit boek komt duidelijk naar voren hoe diep Eckermann Goethe bewonderde. Twee willekeurige afsluitingen van een sessie met Goethe: “Ik sloot deze gedenkwaardige woorden die mij innerlijk diep hadden geraakt  in mijn hart” (11 sept. 1828), en: “Ik bewonderde deze verstandige woorden en sloot ze als een belangrijke leer in mijn hart om ernaar te handelen” (18 maart 1831).
De slotwoorden van deze uitgave geven ontroerend duidelijk aan hoe verslingerd Eckermann aan Goethe was. Goethe is overleden, 82 jaar oud, diens knecht laat Eckermann Goethe’s naakte lichaam zien zoals dat op bed ligt. Die schrijft dan: “Een volmaakt mens lag in grote schoonheid voor me en de verrukking die ik daarbij voelde doet me een ogenblik vergeten dat de onsterfelijke geest zulk een huls had verlaten. Ik legde mijn hand op zijn hart – er heerste een diepe stilte – en ik keerde mij af om mijn ingehouden tranen de vrije loop te laten” (maart 1832).

In zijn nawoord gaat Büch uitvoerig in op de vraag hoe we tegen Eckermanns  rol als auteur moeten aankijken. Het kan duidelijk zijn dat Eckermann z’n leven slaafs aan Goethe heeft gewijd en dat Goethe daar onbeschaamd gebruik van heeft gemaakt. Toch zouden we, volgens Büch, onrecht doen aan Eckermann als we zijn boek alleen als een Goethe-boek zouden beschouwen, alsof Eckermann als een papegaai de woorden van zijn meester napraatte. Büch bepleit dit boek te zien als het eigen werk van Eckermann, waarin hij, zichzelf overtreffend, zíjn Goethe-beeld heeft opgericht. In hoeverre dit beeld klopt met de werkelijkheid, vindt Büch literair niet relevant.
Al blijft de relatie tussen de echte Goethe uit 1823-1832 in Weimar en Eckermanns Goethe onopgelost, Büch waardeert dit werk als het beste  boek dat de Duitse letterkunde kent, ‘waarvoor ik driekwart van Goethes eigen werk met graagte inruil’.

Inderdaad, het boek is boeiend om te lezen. Talloze onderwerpen passeren de revue. Of het nu gaat over beeldende of  literaire kunst, over architectuur of overheidsbestuur, over mineralen, planten of kleuren – altijd weet Goethe zinnige opmerkingen te plaatsen. Het wordt helemaal duidelijk waarom Goethe op de achterflap van Safranski’s  biografie aangeduid wordt als ‘misschien wel de laatste homo universalis’.

Toch kan ik me Büchs enthousiasme niet goed voorstellen. Zo worden in het boek vele namen vermeld van mensen over wie ik nog nooit gehoord heb; ook de ter zake kundige noten van Hans Esther bezorgen mij vaak geen feest der herkenning. Dat bewijst natuurlijk het beperkte van mijn kennis, maar het heeft er ook mee te maken dat nog al wat mensen voor wie Goethe grote waardering had na twee eeuwen compleet vergeten zijn. Ook vele probleemstellingen van Goethe zijn volledig uit de tijd.

In de jaren dat Eckermann Goethe frenquenteert wordt die haast dagelijks door een constante stroom belangrijke mensen bezocht. Ook heeft Goethe altijd door brieven geschreven. Je vraagt je af hoe het hem in die jaren gelukt is zijn Faust te voltooien. Blijkbaar had hij ondanks zijn veeleisende gastheerschap tot op het laatst een onvoorstelbaar grote werkkracht.

Wat mij als theoloog opvalt is hoe weinig christelijke thema’s in deze gesprekken worden aangesneden. Soms komt de Bijbel, ook Christus zelf ter sprake, maar kennelijk hebben zowel Goethe als Eckermann niets met de Bijbel als bekendmaking van God en met Christus als Gods mensgeworden Zoon. Ze zien de Bijbel alleen als een literair boek dat grote betekenis heeft in de cultuurhistorie. Christus wordt dan onvermijdelijk een soort wijsheidsleraar. Het is dus niet waar dat het losraken van het christelijk geloof in Europa pas goed in de 20ste eeuw op gang gekomen is. Dat proces was al een eeuw eerder volop gaande.

Ontketen je brein

Tegenwoordig verschijnen er talloze boeken over de werking van ons brein. Op dit moment is misschien het meest bekend ‘Ons feilbare denken’ (Thinking, fast and slow) van Daniel Kahneman, dat sinds eind 2011 al de 24e druk kent. Nederlandse auteurs over het brein zijn op dit moment bijvoorbeeld André Aleman, Mark Mieras, Margriet Sitskoorn en Dick Swaab. Een heel bijzondere plaats wordt ingenomen door het boek van Theo Compernolle met de titel: Ontketen je brein. Hoe hyperconnectiviteit en multitasken je hersenen gijzelen en hoe je eraan kunt ontsnappen (2014). De ondertitel geeft al aan wat de bedoeling is van dit boek: Compernolle wil onze huidige kennis van het brein toepassen op ons omgaan met de ICT.

Zijn hoofdboodschap wordt bondig samengevat door een uitspraak van Albert Einstein op het schutblad van het boek: ‘Ik ben helemaal niet zo slim, ik blijf alleen langer met problemen bezig.’ De hoofdstelling van Compernolle is namelijk dat multitasken over het algemeen niet kan. Wat in feite gebeurt is dat mensen hun aandacht voortdurend snel van de ene taak naar de andere taak verleggen. Dat lijkt slim en productief, maar volgens de auteur is het tegendeel het geval.
Om dat te begrijpen is het nodig te weten dat wij drie cognitieve breinsystemen hebben:

– Het reflecterende brein. Dit breinsysteem kan denken over het heden, het verleden en de toekomst. Het is verantwoordelijk voor bewuste reflectie, voor analytisch en synthetisch denken, voor creatief denken, voor het oplossen van problemen, vooruitdenken en diep na-denken. Het reflecterende brein is langzaam en heeft voortdurend aandacht en concentratie nodig. Daarom gebruikt het veel energie en raakt het gemakkelijk vermoeid. Het kan maar met één gedachte tegelijk bezig zijn. Dit reflecterende brein is uniek menselijk, onder andere omdat het ons reflexbrein kan sturen en in toom houden.

– Het reflexbrein. Voor dit breinsysteem bestaat alleen wat direct aanwezig is in de zintuiglijke wereld van horen, ruiken, proeven, aanraken, evenwicht, temperatuur, pijn. Het reflexbrein is volkomen reactief. Het kan veel binnenkomende signalen tegelijk verwerken, het gebruikt niet veel energie en het is razendsnel, omdat het werkt met veel aangeboren en aangeleerde snelkoppelingen. Dit alles is een groot voordeel in zaken van leven of dood. In normale omstandigheden is het vaak een handicap omdat de snelheid van dit systeem een prijs heeft: als we het reflecterende brein geen kans geven om de snelle conclusies van het reflexbrein te controleren, kunnen we grote irrationele vergissingen maken.

– Het archiverende brein. Elke dag neemt ons brein miljarden bits aan informatie op. Al die gegevens moeten zo worden geordend en opgeslagen dat ze voor toekomstig gebruik beschikbaar blijven. Dit opslaan doet ons archiverende brein, dat lijkt op een team van miljoenen intensief samenwerkende archivarissen. Ze ontvangen wat via onze zintuigen binnenkomt en wat door ons reflecterende brein wordt gegenereerd, en ze besluiten wat daarvan kan worden weggegooid en wat er in het langetermijngeheugen moet worden opgeslagen. Het archiverende brein is altijd actief, tenzij ons reflecterende brein de totale verwerkingscapaciteit bezet. Terwijl het reflecterende brein geregeld kan en moet pauzeren en slapen, maakt het archiverende brein gretig gebruik van elk stukje ruimte om aan de slag te gaan.

Uitvoerig gaat Compernolle in op het gegeven dat ons reflectieve brein niet kan multitasken. Het knelpunt is onze zeer beperkte bewuste aandacht. Bewuste aandacht is het vermogen om met gewenste, relevante prikkels te werken, waarbij ongewenste, irrelevante prikkels worden uitgesloten. Ons reflecterende brein kan geen bewuste en gerichte aandacht geven aan verschillende gedachten op hetzelfde moment. Wat doe je als je probeert te multitasken? Je hebt misschien de indruk dat je verschillende dingen tegelijk doet, maar in werkelijkheid schakel je voortdurend heen en weer tussen verschillende taken. Het enige multitasken dat het reflecterende brein kan doen, is bij bepaalde taken samenwerken met het reflexbrein, door aan dit brein routineklussen over te laten die het automatisch kan afhandelen, terwijl het reflecterende brein zijn bewuste aandacht kan vasthouden. Daarom is het mogelijk om te breien terwijl je tv-kijkt, tot je een steek laat vallen….
Voor de rest geldt: zgn. multitasken is gewoon slecht voor je intellectuele productiviteit. Elke verandering van taak, elke verstoring of afleiding is een wisseling en elke wisseling kost tijd, energie en kwaliteit. Zo kost het tijd om na de onderbreking weer terug te komen op hetzelfde niveau van snelheid en concentratie. Bij elke wisseling moet je je mentaal losmaken van taak A en je mentaal verbinden met taak B en met het specifieke denkkader van die taak. De vertraging wordt verergerd omdat je de restanten van de oude taak uit je werkgeheugen moet verwijderen. Als dit niet volledig gebeurt, omdat je voortdurend wisselt, werken die restanten storend in op de nieuwe taak.

In het vervolg van zijn boek geeft Compernolle hiervan vele overtuigende voorbeelden. Zo wijst hij de zgn. kantoortuin af, want het bij elkaar in één ruimte zitten werken maakt het de medewerkers lastig zo niet onmogelijk geconcentreerd bezig te zijn. Hij toont aan hoe dom het is tijdens je werk telkens je mail te controleren. Ook wijst hij op onderzoek waaruit blijkt dat het (al of niet handsfree) bellen of sms’en (!) tijdens het autorijden in het Westen meer dodelijke slachtoffers heeft veroorzaakt dan alle terroristische aanslagen bij elkaar.

Het meest bizarre bewijs dat multitasken schadelijk is voor de aandacht zijn de voorvallen dat moeders hun baby in de auto op de parkeerplaats van hun werk achtergelaten, soms met dodelijke afloop. Dat betreft geen harteloze moeders maar vrouwen die geloofden aan de mogelijkheid van multitasken. Want wat is er dan gebeurd? De moeder rijdt naar haar werk, met een geplande tussenstop bij de kinderopvang. Onderweg wordt ze bijvoorbeeld gebeld door haar chef met de vraag waar bepaalde informatie blijft. Zij neemt al rijdend contact op met een collega om een en ander voor te bereiden. Aangekomen bij haar werk, gaat ze snel het kantoorgebouw in. Onderwijl is ze compleet vergeten dat ze haar slapende baby in de auto heeft, gespitst als ze is op het tegemoetkomen van haar chef – met alle gevolgen van dien.

Jammer van het boek vind ik de vele herhalingen. Naar mijn idee had de schrijver zijn punt ook kunnen maken als hij het aantal bladzijden van z’n boek had gehalveerd tot 200. Maar afgezien daarvan is het een uitermate leerzaam en boeiend verhaal waarmee Compernolle de mythe van het multitasken grondig afbreekt en waarbij hij heel praktische handreikingen doet om beter om te gaan met de mogelijkheden én beperkingen van ons drievoudige brein.

De splinter van de toverspiegel

Weer eens stuitte ik op bibliotheek-vandalisme: oudere boeken worden stelselmatig verwijderd. Wil ik een uitgave van vóór de Tweede Wereldoorlog lezen, dan kan ik niet meer terecht bij m’n eigen openbare bibliotheek maar ben ik voor een paar euro per boek aangewezen op universiteitsbibliotheken of de Koninklijke Bibliotheek. Dus kies ik er soms maar voor zo’n boek te kopen. Zo ben ik in het bezit gekomen van de twee delen van De splinter van den tooverspiegel: Uni Hjelde en Harriet Waage, in 1917 gepubliceerd door de Noorse schrijfster Sigrid Undset en in 1929 in het Nederlands vertaald.
Deze werken zijn door vele andere gevolgd zoals de indrukwekkende historische trilogie Kristin Lavransdochter (origineel verschenen in 1920-1922), waarin het middeleeuwse katholicisme een grote rol speelt. Alleen al om dit laatste boek is het begrijpelijk dat Sigrid Undset in 1928 de Nobelprijs ontving. Zo zijn haar natuurbeschrijvingen knap en kan ze heel invoelend en gedetailleerd emoties en stemmingen weergeven.

Anders dan Kristin Lavransdochter heb ik het genoemde tweeluik ‘De splinter van de toverspiegel’ niet in m’n hart kunnen sluiten. Beide boeken beschrijven het leven van een vrouw, die gedreven wordt door onlust over haar huwelijk en kiest voor overspel, maar die ook daarin geen blijvend geluk vindt. God en zijn gebod spelen geen rol in hun leven, nergens blijkt dat hun ontrouw aan hun trouwbelofte hun dwarszit, een bevredigende  dagbesteding ontbreekt. Ze worden willoos meegesleept door hun gevoelens.
Daar komt nog bij dat deze dolende vrouwen leefden in de tijd dat er honderdduizenden jongemannen gruwelijk afgeslacht werden in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Die oorlog wordt, als ik me goed herinner, maar eenmaal in het voorbijgaan genoemd. Voor de beschreven vrouwen zijn alleen hun gevoelens van belang, hun verlangen naar het (ongrijpbare) geluk.

Om dit alles hebben beide boeken mij telkens geweldig geïrriteerd. Een overspelfilm als Dokter Zjivago is heel anders bij me overgekomen: je hebt medelijden met de prachtige Tonja die door haar man Joeri Zjivago in de steek gelaten wordt, je snapt Joeri’s passie voor Lara, je voelt je met hem verslagen als hij zowel Tonja als Lara kwijtraakt. Een verhaal dat naar de strot grijpt. Uni Hjelde en Harriet Waage roepen alleen ergernis op zoals zij zich door hun emoties laten leiden.

Wat wilde Sigrid Undset eigenlijk met deze twee boeken? Alleen een beschrijving geven hoe het in bepaalde kringen er soms aan toeging? Ze geeft zelf een antwoord door de samenvattende titel van beide boeken: ‘De splinter van de toverspiegel’. Nergens in het boek ben ik een verklaring tegengekomen van deze titel. Voor haar lezers hoefde dat ook niet, want die dachten vast aan het sprookje ‘De sneeuwkoningin’ van de Deense schrijver Hans Christian Andersen. Daarin wordt verteld hoe een boze trol een spiegel had gemaakt waarin al het goede en mooie dat je erin spiegelde ineenschrompelde en waarin wat niet deugde nog erger werd. Op een gegeven moment brak die spiegel in ontelbare stukjes. Sommige daarvan waren niet groter dan een zandkorrel en kwamen terecht in de ogen van mensen. Toen bleek dat ieder splintertje dezelfde kracht had bewaard als de hele spiegel. Mensen met zo’n splinter in de ogen hadden alleen maar aandacht voor wat er verkeerd was aan de dingen.

Dat verhaal van Andersen verklaart de opzet van Undset: zij schildert in beide boeken vrouwen die blind zijn voor het goede in hun huwelijk en die de zwakke kanten van hun man en de donkere zijden van hun situatie uitvergroten. Nu ik dit weet lees ik beide boeken anders. Ik kijk nu meer met mededogen naar die dwalende vrouwen. Tegelijk beluister ik in die boeken een impliciete oproep: blaas de beperkingen die zich in je huwelijk voordoen niet op maar wees tevreden met het eenvoudige geluk dat voor het grijpen ligt. Dient zich bij Undset hier al haar latere overgang aan naar het katholicisme?

Filosofie van de eenvoud

Er zijn vele praktische boeken geschreven over de versimpeling van ons leven, zoals door Sjoukje van de Kolk, de drijvende kracht achter de vroegere site Simplifylife (zie in de rubriek ‘Teksten van anderen’). Ook is er een groot aanbod van handreikingen over opruimen. Marius de Geus volgt een andere route in z’n boek: Filosofie van de eenvoud. Vereenvoudiging en matiging als verrijking van het bestaan (2015, 384 blz.) Over z’n eigen keuzes vertellend komt hij ook wel met praktische tips, maar z’n boek graaft dieper.

Met vele anderen is hij ervan overtuigd dat de huidige vormen van productie en consumptie onhoudbaar zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit onze ecologische voetafdruk (op de omslag van het boek staat niet voor niets een voetafdruk in het zand afgebeeld). Daarmee wordt het aarde-aandeel bedoeld dat wij nodig hebben om ons persoonlijke consumptieniveau te realiseren. Een eerlijk aarde-aandeel zou ongeveer 1,80 hectare per aardebewoner zijn, maar een gemiddelde Nederlander heeft 6,43 hectare nodig. Dat maakt duidelijk: als alle aardebewoners hetzelfde consumptieniveau zouden hebben als de gemiddelde Nederlander, dan hadden wij meer dan één aarde nodig. Alleen dat al maakt duidelijk dat er verandering nodig is.

De Geus begint z’n boek dan ook met z’n ernstige bezorgdheid over de actuele toestand van onze leefomgeving en ons klimaat. Daarbij wijst hij op de extreme complexiteit van de moderne milieu- en klimaatproblemen. Daar komt nog bij dat de hedendaagse energievoorziening nog altijd voornamelijk gebaseerd is op het gebruik van fossiele brandstoffen. Met vele anderen pleit hij voor de drie R’s: Reduce, Re-use, Recycle.
Het mooie van dit boek is dat met de noodzaak van verandering niet krampachtig wordt omgegaan. Door zijn filosofie van de eenvoud stuurt De Geus beslist niet aan op een uiterst stadium van onthechting aan consumptiegoederen of het opgeven van iedere levensvreugde. Integendeel, door zijn benadering wil hij uitkomen bij een verrijking in plaats van een verschraling van het menselijk bestaan. Zijn vraagstelling is dan ook hoe we op een confortabele, aangename en verantwoordelijke wijze kunnen leven zonder de ecologische begrenzingen van de aarde te overschrijden.

Om een antwoord op die vraag te vinden komen heel wat oude en recente schrijvers voorbij. Om enkele namen te noemen: Aristoteles, die in z’n ethisch denken veel aandacht geeft aan de deugd rechtvaardigheid; Rousseau, die kritisch schrijft over het geloof van z’n tijdgenoten dat geluk en rijkdom gelijk staan aan het hebben van veel materiële bezittingen; Thoreau, die luxe beschouwt als een obstakel voor geluk en pleit voor een leven van eenvoud en onafhankelijkheid; William Morris, die een utopische roman schreef over een duurzame maatschappij; Schumacher, die in Nederland bekend is geworden met z’n boek ‘Hou het klein’, waarin hij de groei om de groei en de toenemende grootschaligheid bestrijdt; Illich, die aandacht vraagt voor de milieuvervuiling, de schaarste van natuurlijke hulpbronnen en de schande van de in producten ingebouwde slijtage.
Daarnaast bespreekt De Geus auteurs die dwarse denkbeelden hebben over de voedselvoorziening. Op dit moment worden allerlei grondstoffen en eindproducten van hot naar her vervoerd, met alle extra milieubelasting van dien. Deze globale productie willen zij inruilen voor locale en dan ook kleinschalige voedselproductie.

Wie kennisneemt van al deze auteurs, verbaast zich erover hoe weinig van hun belangrijke ideeën is doorgedrongen tot de beleidsmakers in Den Haag. De Geus komt in z’n boek dan ook met een uiterst kritische analyse van het overheidshandelen. Soms liggen er wel terdege innoverende rapporten op tafel, maar als het op besluitvorming aankomt, kiezen regeerders toch telkens reactief en niet anticiperend – vast mee uit angst voor de kiezersgunst. Hij pleit ervoor dat de overheid de moed krijgt om de burgers de onwelgevallige waarheid bij te brengen dat productiegroei, overconsumptie en de huidige uitstoot van broeikasgassen reële kwesties zijn, die de kwaliteit van het bestaan serieus bedreigen. De politiek kan niet meer volstaan met oppervlakkige veranderingen om milieu en klimaat te beschermen. De problemen kunnen niet alleen met hulp van de wetenschap en technologie opgelost worden. Er is een ingrijpende aanpassing nodig van ons consumptiegedrag. Daarbij moet de overheid het aandurven offers te vragen van de burgers om hun materiële consumptieniveaus te verminderen en te komen tot verantwoorde levensstijlen.

Apart aandacht geeft De Geus aan het concept van de verdelende rechtvaardigheid. Dat concept kan binnen staten worden toegepast (wie krijgt wat, wanneer, hoe en waarom) maar ook tussen staten (welke staat krijgt wat, wanneer, hoe en waarom). Wat het laatste betreft: is het wel rechtvaardig dat de westerse staten welvaart genieten terwijl Afrikaanse staten het meeste last hebben van de milieugevolgen van de westerse welvaart?
Het concept van de verdelende rechtvaardigheid kunnen we ook door de tijd heen toepassen, de zgn. intergenerationele rechtvaardigheid: kunnen we het maken dat wij de aarde uitputten terwijl de generatie na ons met de gevolgen opgezadeld wordt?

In een van de slothoofdstukken van z’n boek komt De Geus met enkele praktische karakteristieken van een aangename, ecologische levensstijl, zoals:
– Het vermijden van kwaliteitsarme produkten en het koesteren van goedwerkende spullen.
– Oog hebben voor het kleinere in het leven, zoals een fietstocht in de natuur of een goed gesprek.
– Verlaging van het levenstempo, genieten van vrije tijd en minder werken.
– ‘Zijn’ tegenover ‘hebben’: liefde, vriendschappelijkheid, aandacht voor de omgeving, het spirituele e.d. tegenover het bezitten van goederen, de hang naar status en succes.
– Kiezen voor elegante eenvoud, beheerste luxe.
– Leren om het ‘gouden midden’ aan te houden: niet te weinig en niet te veel.

Door z’n boek zet De Geus ons aan kritisch naar onszelf te kijken. Ook stimuleert hij ons om ons geluk niet te zoeken in (de vermeerdering van) het materiële maar in wat er werkelijk toe doet in het leven.

Ricard over altruïsme

Al enkele jaren word ik geboeid door Matthieu Ricard, afgestudeerd als moleculair bioloog maar algauw naar het Himalaya-gebergte vertrokken om daar boeddhistisch monnik te worden. Na zo’n 25 jaar lang mediteren en studeren (hij heeft zich het Tibetaans eigen gemaakt) treedt hij in de openbaarheid om bij te dragen aan het boeddhisme in het Westen.
In 1997 verschijnt er in Frankrijk een bundel gesprekken met z’n vader, de filosoof Jean-François Revel; dit boek verschijnt een jaar later in het Nederlands onder de titel: ‘De monnik en de filosoof’. Even boeiend vind ik ‘Gelukkig leven’ uit 2005. En nu in 2015 is dan het 7 centimeter dikke ‘Altruïsme. De kracht van compassie‘ verschenen. Het boek bevat 746 bladzijden tekst, gevolgd door 134 blz. bibliografie en noten. Talloze onderwerpen komen aan de orde, want Ricard kijkt niet alleen naar de onderlinge relaties tussen mensen, maar ook naar de relatie van mensen tot dieren, de natuur, de hulpbronnen. Dit werk is dan ook zo veelomvattend dat het in feite een plank boeken vervangt.

Onder altruïsme, compassie verstaat Ricard het verlangen om het geluk van de ander te bevorderen en diens lijden te verlichten. Daarvoor is empathie nodig, door hem opgevat als het resoneren met het lijden van de ander zoals dat blijkt uit diens blik, spreken en gedrag. Om deze begrippen goed in beeld te krijgen gaat hij in gesprek met psychologen en staat hij stil bij wat het boeddhisme leert over onwetendheid als de bron van het lijden.
In het volgende deel geeft Ricard talloze voorbeelden van altruïsme, zowel bij kinderen als bij volwassenen. Op grond van wetenschappelijk onderzoek van de praktijk verdedigt hij de stelling dat altruïsme eigen is aan de menselijke aard. Deze positieve toonzetting wijkt af van wat gereformeerden van hun Heidelbergse Catechismus geleerd hebben, namelijk dat de mens van nature geneigd is te haten. Ook Ricard is er diep van doordrongen dat mensen elkaar, dieren en de verdere natuur vreselijke dingen aandoen. Toch blijft hij optimistisch omdat mensen naar zijn overtuiging voor alles uit zijn op samenwerking, op het welzijn van de ander. Liefde is volgens hem nu eenmaal natuurlijker dan haat. Al bij kinderen merk je dat de zorg voor de ander diep in hun natuur verankerd is – al gaat die vaak samen met ongeremde drift. Zijn optimisme maakt Ricard dus niet wereldvreemd.

Weinig boeiend vind ik het als Ricard aandacht geeft aan de theorieën van evolutie-biologen over het ontstaan van altruïsme. Ik ervaar het als speculatief als onderzoekers gedetailleerde uitspraken doen over tijden waarvan we geen schriftelijke bronnen hebben.
Interessant is als Ricard vertelt hoe meditatie altruïsme kan bevorderen. Dat lijkt zweverig, maar ook hier kan Ricard verwijzen naar wetenschappelijk onderzoek.

Aangrijpend is het meest uitgebreide onderdeel van Ricards boek met als titel ‘Tegenkrachten.’ Zo vertelt hij onthutsend over de gevolgen van egocentrisme en narcisme.
Volstrekt nieuw voor mij is wat hij vertelt over de Amerikaanse auteur en filosofe Ayn Rand (1905-1982). In haar boeken zingt zij de lof op het egoïsme, want egoïsme is in haar ogen de beste manier om gelukkig te worden. Altruïsme, dus dat je levensdoel is anderen te helpen, acht zij immoreel. Volgens haar hoor je alleen mensen lief te hebben die dat verdienen. Ze is gekant tegen sociale voorzieningen en moet er daarom niets van hebben dat een regering belasting oplegt om armen, bejaarden en zwakken te kunnen helpen. Burgers moeten alleen belasting betalen om de regering de mogelijkheid te geven hun persoonlijke belangen te beschermen. Volgens een officiële opiniepeiling uit 1991 werd toen uit haar boeken haast net zo vaak geciteerd als uit de Bijbel.
Nog altijd is zij buitengewoon populair bij de republikeinen en zeker bij de Tea-Party. Dat maakt meteen duidelijk – is mijn conclusie – waarom president Obama met z’n zorgverzekering ook voor de armen gehaat wordt door vele republikeinen: twee levensvisies staan haaks op elkaar, want Obama is gevormd door de theoloog Niebuhr, die een christelijke mensvisie voorstaat waarbij liefde voor de zwakken hoort.

In dit hoofdstuk ‘Tegenkrachten’ komt nog veel meer aan de orde, zoals de psycho-analyse van Freud, de werking van een burn-out, de gewetenloosheid van psychopaten, het geweld tegen vrouwen.
Boeiend is ook wat Ricard vertelt over de afkeer van mensen om medemensen te doden. Zo is uit een onderzoek naar het gedrag van soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog gebleken dat slechts 10-15% van hen tijdens gevechten op de vijand schoot.
Uitvoerig gaat Ricard erop in hoe mensen met hun afkeer van doden toch tot de meest gruwelijke daden komen. Twee belangrijke mechanismen zijn: ontmenselijking (de ander wordt niet gezien als een medemens maar als een vijand, kakkerlak, zwijn, spleetoog) en morele compartimentering ( opsplitsing van jezelf door in je werk je morele normen bewust uit te schakelen en thuis weer te activeren). Zo zijn er nazi-voormannen die het als privé-persoon altijd vreselijk hebben gevonden wat zij als soldaat of werker in een kamp moesten (?) doen. Dit maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat je vanaf het allereerste begin weigert aan kwalijke eisen toe te geven.

Aangrijpend is ook wat mensen dieren allemaal aandoen, dank zij de visie dat een dier niet meer is dan een ding, een productie-machine. Ik begrijp nu de stelling van Tolstoj: ‘Zolang er slachthuizen zijn zullen er slachtvelden blijven.’ Onbegrijpelijk dat we er in onze vleesconsumptie geen conclusies aan verbinden dat de productie van 1 kilo rundvlees 7 kilo graan kost – om maar iets te noemen.
Omdat Ricard altruïsme heel breed opvat, besteed hij aan het einde van zijn boek aandacht aan de tabaksindustrie, de klimaatdiscussie, de farmaceutische en chemische industrie en het genetisch manipuleren van gewassen. Het ene onthutsende feit volgt op het andere. Daarom wordt wel gezegd dat vanaf 1950 het holoceen is opgevolgd door het antropoceen, het tijdperk waarin de kwaliteit van onze planeet fundamenteel aangetast dreigt te worden door menselijk wanbeheer.

Toch blijft Ricard positief. Al moet hij vele bladzijden van zijn boek besteden aan de macht van een minderheid van verstokte, invloedrijke en gewetenloze egoïsten, tegengas acht hij mogelijk. En daar gaat het slot van zijn boek over: hoe kun je een altruïstische samenleving opbouwen? Ricard gelooft eraan dat wij dank zij zorgzaamheid en liefde kunnen werken aan een betere wereld.

Scherprechter van de liefde

Na begonnen te zijn met Nietzsche’s tranen heb ik nu het vijfde boek van Irvin D. Yalom uit: Scherprechter van de liefde. Tien ware verhalen uit een psychotherapeutische praktijk (2013). Ik heb diepe bewondering voor de manier waarop Yalom met zijn cliënten omgaat: betrokken, gedreven om te helpen, vol kritische reflectie op zichzelf. En dan zijn cliënten: wat lopen er ondanks alle welvaart veel mensen rond die door het leven geteisterd zijn. Al lezend word je dan ook verbijsterd of ontroerd door hun verhalen, maar herhaaldelijk is het hilarisch wat Yalom vertelt.
Door de beschreven probleemstellingen word ik ook gestimuleerd over mezelf na te denken. Yalom geeft in de proloog op die tien verhalen daar een verklaring voor. Volgens hem heeft ieder mens te maken met vier essentiële gegevenheden, vier waarheden van het bestaan:

1  De onvermijdelijkheid van de dood voor onszelf en voor wie we liefhebben. Om ons aan de realiteit van onze sterfelijkheid aan te passen, bedenken we manieren om de dood te ontkennen of te ontlopen. Zo dagen jongeren de dood uit door waaghalzerij of harden zich ertegen door naar griezelfilms te kijken. Als we ouder worden leren we de dood uit ons hoofd te zetten; we leiden onszelf af; we streven naar onsterfelijkheid door het scheppen van kunstwerken, door onze genen in onze kinderen te laten voortbestaan of een religie te omarmen dat ons het voortleven van de geest belooft. We weten dat we doodgaan,  maar we hebben met het onbewuste deel van onze psyche de dood losgemaakt van de verschrikking die ermee is verbonden. Soms faalt de machinerie van de ontkenning en breekt de doodsangst met volle kracht door, bijvoorbeeld door het overlijden van een dierbare of in onze nachtmerries.

2  De vrijheid die we hebben ons leven de vorm te geven die we willen. Vrijheid betekent dat we verantwoordelijk zijn voor onze keuzen, onze daden en onze levenssituatie. We zijn de schepper van het ontwerp van ons eigen leven. Zolang iemand gelooft dat zijn problemen worden veroorzaakt door invloeden buiten zichzelf, heeft therapie geen vat op hem. Als het probleem toch ergens buiten hem ligt, waarom zou hij zichzelf dan veranderen? Het is de buitenwereld (vrienden, baan, partner) die veranderd of verwisseld moet worden. Daartegenover moeten we ons ervan bewust zijn dat we zelf onze problemen creëren. Maar daarmee is de verandering nog geen feit. Vrijheid veronderstelt ook dat er een wilsbesluit wordt genomen. Het is door het willen dat onze vrijheid wordt bepaald. Willen heeft twee stadia: iemand zet het proces in werking door te wensen en bevestigt zijn wens door te beslissen.

3  Onze existentiële eenzaamheid. Er is een onoverbrugbare kloof tussen ons en de anderen, zelfs bij diepbevredigende interpersoonlijke relaties. Een veel voorkomende poging om existentieel isolement op te lossen is het verzwakken van de eigen grenzen, het eenworden met een ander, de versmelting. Een van de grote paradoxen van het leven is dat zelfbewustzijn angst opwekt. Versmelting verdelgt angst op radicale wijze door het zelfbewustzijn uit te schakelen. Iemand die verliefd is geworden en de toestand van versmelting is binnengetreden is niet zelfbespiegelend, want het onderzoekende, eenzame ‘ik’ en de daarmee gepaard gaande angst voor isolement lost op in het ‘wij’. Hoewel we ons best doen om in paren van twee door het leven te gaan, zijn er tijden in een mensen leven dat de waarheid met verkillende helderheid doorbreekt, dat we beseffen dat we alleen zijn geboren en alleen zullen sterven.

4  De afwezigheid van een duidelijke zin of betekenis aan het leven. Als de dood onvermijdelijk is, als alles wat we tot stand hebben gebracht en zelfs ons hele zonnestelsel eens teloor zal gaan, als mensen de wereld en hun eigen bestaan op die wereld moeten ontwerpen, wat voor blijvende betekenis kan het leven dan hebben? Velen gaan in therapie omdat ze het gevoel hebben dat hun leven zinloos en doelloos is. Omdat we ons machteloos en verward voelen tegenover toevallige gebeurtenissen zonder enige lijn, proberen we ze te ordenen waardoor we het gevoel krijgen ze te beheersen. Overigens moet het zoeken naar zin indirect gebeuren. Hoe meer we er bewust achteraan jagen hoe minder waarschijnlijk het wordt dat we het vinden. Zinvolheid is een bijproduct van inzet en betrokkenheid. Dat we naar zin en zekerheid zoeken in een wereld die geen van beide te bieden heeft, vormt een existentieel dilemma.

Yalom acht het belangrijk dat mensen, eventueel met de hulp van psychotherapie, deze vier pijnlijke waarheden onder ogen zien, want dan kunnen die een kracht worden ten dienste van persoonlijke verandering en ontplooiing (voor een uitgebreide versie van deze vier waarheden, zie: Yalom).

Nu zouden christenen  kunnen ontkennen dat deze vier waarheden voor hen gelden. Zij geloven toch dat het sterven de poort is naar het eeuwige leven, dat hun vrijheid bepaald wordt door hun afhankelijkheid van God met zijn wijsheid, dat zij leven in verbondenheid met Christus en zijn gemeente en dat hun bestaan ingebed is in Gods plan met hen?!
Yalom zou zulke uitspraken als mythes typeren waarmee mensen de vier pijnlijke waarheden op afstand proberen te houden. Ik deel de typering ‘mythes’ niet maar ik ga met Yalom mee dat het geloof als middel kan fungeren om het pijnlijke van ons bestaan te verdringen. Het is waar dat christenen tegenover die vier harde waarheden het veelbelovende van het Evangelie kunnen plaatsen. Toch blijven het waarheden waarmee we allemaal te maken hebben. In het bijbelboek Prediker, dat zo intens aandacht geeft aan het leven afgedacht van God, komen die akelige waarheden dan ook voluit aan de orde. Alleen als we die met al hun ellende onder ogen zien, en ook: alleen als we ons confronteren met het ongeloof in ons, kunnen we de bevrijdende waarheid van het Evangelie pas goed ervaren.

Herverbinding

In 2013-2014 zijn m’n oudste broer en een jongere broer aan kanker overleden. Ingrijpend om mensen te verliezen met wie je je hele leven lang nauw verbonden bent geweest. Daar komt bij dat hun overlijden bij mij de pijnlijke vraag oproept: ‘En wanneer ben ik aan de beurt?’ Vandaar dat een boek over niet-medische aspecten van kanker m’n interesse opriep. Het is geschreven door de arts en therapeut Hans Schilder en heeft als titel: Herverbinding. Psychische, transpersoonlijke en religieuze aspecten bij kanker (2014).

Schilder duidt zichzelf aan als psycho-oncoloog. Hij gaat er namelijk van uit dat het psychische een rol speelt bij het ontstaan, het verloop en soms ook de verdwijning van kanker. Een kwetsbaar onderwerp, want in alternatieve kringen komt de opvatting voor dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun ziekte, met als consequentie: als je kanker krijgt, is dat je eigen schuld, en ook: je hebt het zelf in de hand of je geneest. Sommige christenen hebben een soortgelijke overtuiging: het al of niet genezen van kanker is een kwestie van al of niet voldoende geloof hebben.
Schilder moet niks hebben van deze meedogenloze benadering. Hij komt met veel voorzichtiger formuleringen. Dat neemt niet weg dat er volgens zijn overtuiging wel terdege een verband bestaat tussen de psychische gesteldheid van de patiënt en de ontwikkeling van diens kanker. Dat baseert hij op wetenschappelijk onderzoek van hemzelf en anderen. In zijn boek staan verschillende casusbeschrijvingen, die trouwens meteen duidelijk maken dat er op dit vlak geen simpele uitspraken gedaan kunnen worden over oorzaak en gevolg en al helemaal niet over schuld.
Toch komt het voor dat patiënten door een psychische verandering bij hen hun ernstige vorm van kanker langer dan verwacht overleven of dat ze de kanker zelfs helemaal kwijtraken. Om dit alles acht Schilder het zinvol als kankerpatiënten met psychotherapie aan de slag gaan om zo hindernissen bij zichzelf op te ruimen. Dat zal doorgaans hun levensvreugde vergroten en wie weet (Schilder blijft voorzichtig) ook positief inwerken op het verloop van hun kanker.

Behalve dat Schilder aandacht geeft aan het psychische (waar dromen bij horen) staat hij ook uitvoerig stil bij het transpersoonlijke. Daaronder verstaat hij de omvattende, hogere werkelijkheid, waarin elke persoonlijkheid als het ware is ingebed. In de praktijk van alledag zijn plaats en tijd begrensd, voor het transpersoonlijke geldt dit niet. Zo kun je iets dromen wat later werkelijkheid wordt. Of je droomt over iets wat zich tegelijkertijd afspeelt, onafhankelijk van jou, op een andere plek. Wanneer je bewustzijn in staat is contact te maken met een tijdloos aspect van de werkelijkheid, kun je daaruit informatie oppikken, kun je dus indrukken opdoen die zich in het verleden of de toekomst bevinden. Denk ook aan uittreedervaringen, die bewijzen dat ons bewuste ervaren qua plaats niet aan ons lichaam is gebonden. Volgens Schilder helpt het zicht op het transpersoonlijke niveau ons om te begrijpen wat zich tussen mensen voordoet bij het toepassen van therapeutische instrumenten als familieopstelling of psychodrama.

Ten slotte geeft Schilder in zijn boek aandacht aan religieuze aspecten. Natuurlijk, het is al mooi als bij een patiënt herverbinding plaatsvindt met diens verborgen, vaak onderdrukte kwaliteiten. Maar het allermooiste is een herverbinding met Christus – iets wat Schilder zelf in zijn leven ervaren heeft.

Ga ik af op een interview in het Medisch Contact uit 2010 met de kankerdeskundige prof. dr. Piet Borst, dan zou die Schilder waarschijnlijk typeren als een kwakzalver. Want ondanks z’n wetenschappelijke kant is Schilder in z’n benadering heel intuïtief. Maar volgens Borst z’n opvatting moeten alle diagnoses en behandelingen ‘evidence-based’ zijn, gegrondvest op natuurwetenschappelijke principes. Hij doet dan ook de extreme uitspraak dat hij het liefst een medische monteur aan z’n ziekbed wil.
Ik vind dit een benepen materialistische benadering. Er is meer tussen hemel en aarde dan wat we op dit moment wetenschappelijk hard kunnen maken. In een reactie op het interview met Borst wijst een specialist daar ook op: ‘Of genetische factoren tot expressie komen, of virussen en bacteriën hun kans krijgen, hangt van meer af dan alleen natuurwetenschappelijke factoren. Dat geldt vervolgens ook voor het traject naar herstel.’ Een ander herinnert aan een artikel in het NTVG dat slechts van 13 % van de behandelingen de werkzaamheid is aangetoond, dat 23 %  ervan vermoedelijk werkzaam is en dat van 46 % de werkzaamheid niet bekend is. Dus zo ‘evidence-based’ zijn Borst en zijn collega’s ook weer niet bezig. Dit maakt duidelijk hoe treffend het is het werk van artsen aan te duiden als geneeskúnst, en daar valt Schilders werk voluit onder.

Dat alles geeft mij de vrijheid te zeggen dat Schilder een waardevol boek heeft geschreven (zie ook zijn sites: www.psycho-oncologie.nl en www.psychomedisch.nl). Zijn benadering kan de lezer stimuleren om niet alleen zorg te besteden aan zijn lichamelijke conditie (tegenwoordig hét thema in betogen over gezondheid) maar evengoed aan zijn psychische en religieuze welzijn – eventueel middels professionele, problemen-openleggende psychotherapie. Wie weet maakt dit bij hem meteen de vatbaarheid voor kanker kleiner.