Categorie archief: Leeservaringen

Ziekmakende moeders

Het menselijke brein kan soms bizar functioneren. Dat bewijst alleen al het fenomeen van het syndroom van Münchhausen. Dat is een psychiatrische aandoening waarbij iemand fantasieverhalen vertelt over ziekten bij zichzelf om aandacht te krijgen. Dergelijke patiënten kunnen zo ver gaan dat ze zichzelf ziek maken of verwonden.
Nog vreselijker is het syndroom van Münchhausen by proxy. In dat geval is iemand erop uit om aandacht van hulpverleners te trekken door een ander die aan haar/zijn zorg is toevertrouwd patiënt te maken. Vaak betreft dat een moeder die gefantaseerde ziekteverhalen over haar kind vertelt of die haar kind dwingt gefantaseerde klachten aan artsen te uiten. Helaas komt ook vaak voor dat zo’n moeder haar kind door het toedienen van medicatie of van verwondingen letterlijk ziek maakt. Soms gaat zo’n ziekmakende moeder zo ver dat ze haar kind vermoordt. Want ze heeft maar één doel: de aandacht van haar omgeving moet naar haar uitgaan, de zielige moeder van dat zieke kind. En ze heeft emotioneel en ethisch geen enkele rem om dit te realiseren ten koste van haar kind.
Dit is zo’n ongeloofwaardig fenomeen en moeders hebben als dé kenners van hun kind zo veel gezag dat het meestal lang duurt voordat hulpverleners door hebben wat er gaande is. En soms zijn ze te laat: dan is het kind al blijvende schade toegebracht of is het kind al niet meer levend.

Nina Blom heeft over haar eigen ervaringen met dit syndroom het aangrijpende boek Je bent een verschrikkelijk kind (2011) geschreven. Zij is maar liefst veertien jaar door haar moeder ziek gemaakt. Opmerkelijk is hoe haar vader haar moeder nooit ook maar even heeft proberen te stuiten: hij is helemaal in de gekte van z’n vrouw meegegaan. En na elk onderzoek kwamen de artsen tot de conclusie dat ze echt niks konden vinden. Maar ja, de moeder was zo overtuigend. zo dwingend en Nina kwam zelf ook met zulke (door haar moeder haar gedicteerde) klachten, dat de artsen zich toch telkens genoodzaakt voelden opnieuw onderzoek te doen. Meestal waren dat niet dezelfde artsen: als de moeder vond dat ze te weinig erkenning kreeg ging ze weer naar een andere specialist en/of ander ziekenhuis.
Tijdens zulke trajecten gaf de moeder geen krimp, zelfs niet als een onderzoek uitermate belastend was voor haar kind, zoals een beenmergpunctie, een ruggenprik, maagonderzoek en een spierbiopsie. Maandenlang heeft ze thuis de armen en benen van haar kind ingezwachteld, met als resultaat dat haar kind volledig bedlegerig werd.

Empathie met het lijden van haar kind ontbrak volledig. Het kind was er alleen om aandacht voor haar te genereren. Toen ze eens met Nina een fotoalbum doorbladerde en daar een foto tegenkwam van een driejarig dansende en zingende Nina, was de reactie van haar moeder: ‘Hier, moet je eens kijken wat een verschrikkelijk kind je bent. Ik haat je zo erg (…) Je wilde altijd in de schijnwerpers staan met je vrolijke gedoe.’ Doorbladerend kwamen ze nog zo’n kleine Nina tegen die als jarige met haar handjes in de lucht naar de slingers wees. ‘Hier, nog zo’n uitbundige foto van jou. Ik haat je’, herhaalde haar moeder. Hoe zij haar dochter verafschuwde bleek ook uit het feit dat ze haar kind aan de haren trok en verschillende keren tot stikken toe een kussen op het hoofd drukte. En dit alles is nog maar een fractie van wat haar moeder haar kind heeft aangedaan.
Verbijsterend is hoe Nina tot het laatste toe loyaal bleef aan haar ouders. Zelfs als artsen haar apart spraken, bleef ze de lesjes opzeggen die haar moeder haar had voorgekauwd.

Op een gegeven moment was het kind er zo slecht aan toe dat haar ouders bij de artsen bepleitten dat op haar euthanasie zou worden toegepast. En ze voegden daaraan toe: ‘Nina wil toch zelf ook dood. Een hond hadden jullie allang laten afmaken.’ Pas toen was de kinderarts ervan overtuigd dat het probleem niet het zieke kind was maar de ziekmakende moeder. Het ouderlijke gezag werd toen opgeschort en Nina werd definitief uit huis gehaald om zo te kunnen werken aan haar herstel. Haar revalidatie heeft maanden geduurd tot ze eindelijk weer normaal kon eten en lopen. Ook heeft het haar daarna nog jaren gekost voordat ze haar leven op orde had.

Op dit moment zet ze zich door haar ‘Stichting overlevers Münchhausen by proxy’ (zie: Stichting) ervoor in om lotgenoten te ondersteunen en hulpverleners meer alert te maken voor het onderkennen van dit syndroom.

Tegenwoordig wordt gewerkt aan een landelijk elektronisch patiëntendossier. Velen staan daar kritisch tegenover vanuit het oogpunt van de bescherming van de privacy. Dat snap ik, zeker als de zorgverzekeraars ook toegang zouden krijgen. Tegelijk was in het geval van Nina door een landelijk verplicht registratiesysteem eerder het patroon ontdekt van een moeder die bij telkens wisselende specialisten en ziekenhuizen ten koste van haar kind haar gelijk probeerde te halen. Alleen al daarvoor wil ik best iets van mijn privacy inleveren.

Silvio Pellico

Op het Congres van Wenen, dat na Napoleons nederlaag in 1814 werd gehouden, werd Italië verdeeld onder verschillende vorstenhuizen. De Oostenrijkse Habsburgers beheersten grote delen van Noord-Italië. In toenemende mate kwam daar verzet tegen van patriottisch gezinde Italianen. Bekend waren de carbonari (kolenbranders), leden van een geheime, revolutionaire groepering, die verdrijving van de Oostenrijkers voorstond en streefde naar de vorming van Italië tot een eenheid. De Oostenrijkse keizer greep keihard in en talloze carbonari werden voor jaren gevangen gezet. Een van hen was de schrijver Silvio Pellico (1789-1854). Hij heeft ruim tien jaar achter de tralies gezeten (1820-1830) – in voorarrest in Milaan en Venetië en na z’n veroordeling in het kasteel Spielberg, vlakbij Brünn (nu: Brno), wat tegenwoordig ligt in de Tsjechische regio Zuid-Moravië. Pellico heeft verslag gedaan van zijn ervaringen in het boek ‘Le mie prigione’, in 1896 vertaald als Mijne kerkers.

Doordat deze vertaling meer dan een eeuw oud is en de vertaler ook nog plechtiger Nederlands gebruikt dan iemand als Multatuli decennia eerder, doet dit boek ouderwets aan. Maar wie hier doorheen kan kijken, zal alleen maar genieten van deze kroniek. Van het begin tot het eind ziet Pellico kans ons door z’n menselijkheid te boeien.

Heel open schrijft hij over zijn emotionele en geestelijke situatie. Telkens komt naar voren hoe het gemis van de mensen die hem dierbaar zijn aan hem vreet. Dit wordt verergerd door het feit dat het uitwisselen van brieven en het bezoeken van hem verboden zijn, zodat hij onbekend is met hun wel en wee. Mee hierdoor worstelt hij met aanvallen van somberheid en wanhoop, maar vaak lukt het hem toch te genieten van de contacten met medegevangenen of cipiers.
Er zijn momenten dat hij vol haat zit tegenover z’n tegenstanders, maar steeds weer zet hij zich ervoor in dat hij zich niet door z’n destructieve gevoelens laat beheersen: hij wil beslist voorkomen verbitterd te raken. Tijden is hij vol vertrouwen in Gods leiding van zijn leven en in Gods zorg voor hem, maar die  worden gevolgd door tijden dat hij twijfelt aan de betrokkenheid en zelfs aan het bestaan van God.

Je vraagt je af hoe een mens zo’n lange gevangenisstraf kan uithouden. Afgezien van de al genoemde innerlijke problemen hebben Pellico en zijn medegevangenen het ook fysiek zwaar te verduren. Zo heeft Pellico zelf herhaaldelijk te kampen met ziekte, terwijl verschillende van zijn collega’s de ontberingen uiteindelijk niet overleven, ondanks alle medische zorg.

Fascinerend is te merken hoe inventief een gevangene als Pellico is om z’n lange dagen van eenzaamheid zinvol te vullen. Zo kan hij zich lang bezighouden met arbeidzame mieren in z’n cel. Verder leert hij om in gedachten verzen te maken en zelfs hele toneelstukken. Gelukkig wordt het hem vaak gegund boeken te lezen, waardoor zijn cel soms lijkt op die van een monnik.

Intussen blijft het een wonder dat iemand zo’n lange zware periode overleeft. Een mens is kennelijk in staat zich aan extreme situaties aan te passen.

Goed om over te lezen zijn z’n ervaringen met de Oostenrijkse pastoors die hem in de gevangenis opzoeken. Protestantse lezers zijn wellicht geneigd te verwachten dat Pellico als intellectueel negatieve verhalen over hen gaat vertellen. Het tegendeel  is het geval. Hij is vol bewondering voor hun ontwikkeling en voor hun trefzeker, empathisch pastoraat. De contacten met hen betekenen veel voor hem.
Ook het persoonlijk bijbellezen is belangrijk voor hem. Er wordt wel gezegd dat pas het Tweede Vaticaanse Concilie uit de jaren zestig van de vorige eeuw katholieken gestimuleerd heeft om de Bijbel te lezen. Uit Pellico’s boek blijkt dat in zijn tijd bijbellezen door gewone gelovigen niet ongebruikelijk was.

Mij als noordeling heeft het verbaasd hoe vaak en langdurig Pellico, z’n medegevangenen en zelfs ook cipiers zich al ‘wenend’ laten gaan en hoe hartstochtelijk al die mannen elkaar bij allerlei gelegenheden omhelzen. Tranen en aanrakingen zijn mij gelukkig niet onbekend maar vergeleken met hen heb ik een armzalig gevoelsleven.

Via internet kwam ik te weten dat in het voorjaar van 2017 een nieuwe vertaling uitkomt. Ik zal die zeker aanschaffen en dan het boek nog eens lezen. Psychologisch en godsdienstig is het herlezing meer dan waard. Je ontmoet in deze kroniek iemand die zich als mens en christen vergaand blootgeeft en jou voor hem inneemt door zijn ontwapende openhartigheid over z’n sterke én zwakke kanten.

PS Mei 2017 heb ik de nieuwe vertaling van het boek gelezen. Daardoor komt de persoon van Pellico met z’n emoties en geloof nóg beter uit. Aan deze editie zijn enkele hoofdstukken toegevoegd, waarin Pellico beschrijft hoe lang het geduurd heeft dat hij weer op krachten was. Ook vertelt hij dat hij dit boek geschreven heeft op aansporen van zijn Turijnse biechtvader om te getuigen van ‘de immense barmhartigheid van de Heer’ en om de waarde van het katholieke geloof te laten uitkomen. De schrijver van het, overigens instructieve, nawoord wantrouwt deze motivatie en typeert die als een slimme zet. Volgens hem was het ter wille van de censuur dat Pellico zijn memoires als een bekeringsgeschiedenis heeft ingekleed.
Het is waar, verschillende keren geeft Pellico zelf aan dat hij zwijgt over de politieke kanten van zijn gevangenschap. Ook heeft hij om de censuur voor te zijn vast wantoestanden in zijn gevangenissen toegedekt. Maar als ik naar Pellico luister kan ik hem niet anders zien dan als een mens die oprecht worstelt met zijn geloof en met Gods opdracht goed te denken over zijn medemensen.

Karl May

Tijdens een korte vakantie naar Dresden ben ik, samen met m’n jongere broer, naar Villa Shatterhand en Villa Bärenfett oftewel het Karl-May-Museum in Radebeul geweest. Van deze best verkochte Duitse auteur over met name Old Shatterhand en de Apache Winnetou en over Kara Ben Nemsi en de moslim Hadsji Halef Omar bestaat zelfs een historisch-kritische editie van (gepland) meer dan 90 gebonden boekwerken. Door mijn bezoek aan dit museum is mijn interesse in deze schrijver van mijn jeugd flink geactiveerd.

De persoon Karl May blijkt heel gecompliceerd te zijn en zijn werk bevat verschillende lagen. Voor een biografische schets, zie: Schets; voor een diepgravende Duitstalige beschrijving, zie: Wohlgschaft. Van dit werk uit 1994 is in 2005 een nieuwe, driedelige editie uitgekomen van maar liefst 2013 bladzijden, met daarbij nog 300 bladzijden kroniek en registers: een biografische, psychologische en theologische goudmijn en een genot om te lezen.

May is in 1842 onder armoedige omstandigheden geboren in Saksen. De eerste vier jaren was de kleine Karl grotendeels blind, wat vast z’n verbeeldingskracht heeft bevorderd; pas na een operatie is z’n handicap verholpen. De opvoedingsmethoden van z’n vader waren hardhandig, terwijl die vader door z’n gefrustreerde ambitie ook nog een grote druk legde op de kennisontwikkeling van Karl. Hij ging leren voor onderwijzer en is dat ook een tijdje geweest. Omdat hij een geleend horloge naar huis had genomen, is hij voor zes weken in de gevangenis terechtgekomen, wat het einde betekende van z’n schoolloopbaan. Door deze ervaring is hij psychisch ontregeld geraakt waardoor hij langzaamaan z’n grip kwijtraakte op het verschil tussen fantasie en werkelijkheid. Verschillende keren maakte hij zich schuldig aan oplichting, wat hem de excessieve straf opleverde van vier jaar werkhuis; na 3½ jaar kwam hij vrij.
Thuis hoorde hij van het overlijden van z’n lievelingsoma, die hem als kind altijd op bijbelverhalen en sprookjes getrakteerd en hem altijd met veel warmte gesteund had. Hierdoor raakte hij weer z’n geestelijke balans kwijt, met als gevolg dat hij opnieuw als oplichter actief werd. Ook al was de schade daarvan nog geen 1000 Mark, dit keer werd hij veroordeeld tot vier jaar tuchthuisstraf – zonder dat ook maar iets rekening werd gehouden met z’n geestelijke toestand. In de gevangenis kreeg hij goede begeleiding van een katholieke catecheet; op een gegeven moment ging hij, al was hij luthers, bij katholieke kerkdiensten het orgel bespelen.

Hoe vreselijk deze gevangenisperiode voor May ook geweest is, hierdoor werd hij wel gestimuleerd z’n grote fantasie te richten op het schrijven van verhalen. Het resultaat daarvan vinden we in de beroemde boeken over onder meer het Wilde Westen en de Oriënt. Dat May moeite bleef houden met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid blijkt uit het feit dat hij zich in de jaren negentig van de 19e eeuw met Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi heeft vereenzelvigd en in zijn contacten met zijn fans zichzelf ongekende vaardigheden toeschreef. Door een wapenmaker liet hij zelfs de geweren van z’n helden namaken, die hij vervolgens aan z’n publiek toonde op foto’s en tijdens presentaties. Treffend is dat hij in diezelfde tijd het hartverscheurende lied ‘Vergiß mich nicht’ componeerde, zie: tekst en muziek:

Hoog gewaardeerde boeken uit je jeugd herlezen is niet zonder risico: je loopt de kans dat ze alsnog door de mand vallen. Dat is met Karl May bepaald niet het geval. Alleen al de eerste 25 van de 50 Spectrum-delen over de bovengenoemde helden heb ik met groot plezier herlezen. Voor een compleet overzicht van deze serie, zie: Werken.
Om een uitdrukking van m’n moeder te gebruiken: het zijn echt gezellige boeken. May kan onderhoudend schrijven. De verhaallijnen zijn spannend, de dialogen zijn vaak humoristisch, de natuurbeschrijvingen zijn beeldend en tussendoor word je op de hoogte gebracht van de gebruiken en opvattingen van diverse volken en stammen.

Natuurlijk zie ik de beperkingen van May. Z’n held Old Shatterhand of Kara Ben Nemsi is wel erg voorbeeldig en vaardig. Of mensen niet deugen kan hij meestal van hun gezicht aflezen. Er is sprake van blanke superioriteitsgevoelens tegenover oosterlingen en zwarten. Ook is hij voor onze tegenwoordige beleving soms te uitvoerig in z’n beschrijvingen. Maar dat weerhoudt mij niet om gewoon van May’s vertelkunst te genieten. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het eenmaal niet droog hield, namelijk toen de dood van Winnetou beschreven werd (deel 12). Het Maria-lied dat pal voor Winnetou’s sterven gezongen werd, gaat terug op een compositie van May, zie: Ave Maria muziek en tekst. Ontroerend is trouwens ook de beschrijving van de dood van z’n paard Rih (deel 24).
Fascinerend is hoe nader onderzoek heeft aangetoond dat May’s boeken vol zitten van verkapte verwijzingen naar de diverse aspecten van zijn levensverhaal. Z’n biograaf heeft het dan ook telkens over ‘Ich-Derivate’ in May’s werk.

Wat mij bijzonder aanspreekt is de christelijke kleur van May’s boeken. Telkens draagt Old Shatterhand of Kara Ben Nemsi het gebod tot vergevingsgezindheid en liefde uit, waarom hij boeven laat lopen, kwetsbare armen helpt en zich afzet tegen de wereldwijde westerse geldingsdrang. Maar het gaat verder. Zo doet Old Shatterhand z’n best om stervende boeven tot inkeer te brengen, zodat ze alsnog ‘de Heiland’ gaan erkennen. En Kara Ben Nemsi verdedigt de waarde van het christelijk geloof boven de islam, waarbij het God-zijn van Christus en diens plaatsvervangend lijden expliciet vermeld worden. Beiden doen hun best mensen met God te verzoenen die uit onvrede over hun levenservaringen het geloof in God zijn kwijtgeraakt; zie vooral deel 25, hoofdstuk 5.
Dit deel 25 is extra interessant door wat ontbreekt: omdat de redacteur de stof uit ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel I-II anders heeft verdeeld dan Karl May zelf, zijn in dit deel 25 onder meer opmerkingen geschrapt over Gods bestuur en een beschouwing over de mens en zijn lot alsook het gesprek van Kara Ben Nemsi met een moslima (Halefs vrouw Hanneh) over haar ziel en het gesprek van hem en Halef over hun vrouw, resp. Hanneh en Emma, zie: Aanvullingen. (Ook weggelaten zijn trouwens de avonturen van Old Shatterhand, na Winnetou’s dood, met Jim+Tim Snuffle en Mirza Dshafar, verteld in hoofdstuk 1-2 van ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel I, zie: Avonturen).
Dit alles maakt duidelijk dat May meer wilde geven dan onderhoudende verhalen: in z’n boeken wilde hij ook leraar, zelfs prediker zijn. Soms gaat hij in zijn beschrijving van Gods leiding of straf zo ver dat het gekunsteld aandoet, al blijven eveneens die verhalen boeien: Kalendergeschichte; zie ook de vertaling van twee van die verhalen: De gevloekte  en  De leeuw van de bloedwraak

Ik moet ook wel eens lachen: in het eerste Winnetou-deel stelt Sam Hawkens voor te gaan jagen, waarop Old Shattterhand, nog maar vers in het Wilde Westen, tegenwerpt: ‘Op zondag?’ Prachtig vind ik dat. Verschillende keren kun je het dank zij de bijdrage van onze held meemaken dat ruige westmannen hun hoeden afzetten en hun handen vouwen.

Even vóór 1900 raakte May uitgekeken op het schrijven van vooral spannende verhalen, met als gevolg dat het levensbeschouwelijke in zijn latere werken (waarvan recent haast niets vertaald is) al meer naar voren komt. Am Jenseits (1899) is daarvan het eerste duidelijke voorbeeld. Deze koerswijziging is versterkt door zijn reis van 16 maanden naar vooral het Midden-Oosten, Ceylon en Sumatra.

Triest vind ik hoe May’s laatste jaren overheerst zijn door een hetze tegen hem, waarbij May’s identificatie met z’n held werd doorgeprikt en ook z’n gevangenisverleden breed werd uitgemeten. Het getuigt van May’s karakter dat hij uitgerekend in die tijd Und Friede auf Erden (1904) publiceerde. In dit boek uit hij zich kritisch over het destructieve westerse imperialisme en spreekt hij waarderend over wat Azië cultureel en religieus te bieden heeft. Verder schrijft hij over de ‘Shen’, de bond van hen die zich hebben verplicht nooit anders dan alleen humaan te handelen, waarbij niet als streven geldt gelukkig te wórden maar gelukkig te máken.
Die hetze tegen hem heeft May gestimuleerd nog meer aandacht te vragen voor z’n boodschap over liefde voor de naaste en vrede tussen de volken. Ook stopte hij ermee Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi als z’n andere ik te presenteren; hij beschouwde hen nu als symbolische dragers van z’n boodschap. Zie: ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel III (1902) en deel IV (1903), ‘Ardistan und Dschinnistan’ (1909; zie: Deel I en Deel II; zie ook de digitale vertaling) en ‘De boodschap van Winnetou’ (1910; deel 13 uit de serie van Het Spectrum).
Van deze werken vanaf 1899 wordt in het naschrift op blz.377 van deel 25 van de Spectrum-serie opgemerkt: “Slechts weinigen onder onze lezers zullen Karl May hier willen volgen.” Daartegenover wil ik graag verdedigen dat vooral deze werken het waard zijn om ze te herlezen en te overwegen.

Ondanks alle verguizing van hem heeft Karl May een week voor z’n sterven in 1912 nog voor meer dan 2000 toehoorders in Wenen kunnen spreken. Z’n toespraak had als titel: ‘Empor ins Reich der Edelmenschen’. Eén van z’n enthousiaste toehoorders was Hitler, maar diens latere ‘Uebermensch’ met z’n meedogenloze arrogantie stond vreemd tegenover May’s edelmens met z’n hang naar liefde en vrede.

De advocaat van de duivel

Ik ben weer eens begonnen met het herlezen van m’n verzameling romans van de Australische auteur Morris West. Zijn naam ontbreekt in de ‘Moderne Encyclopedie van de wereldliteratuur’ uit 1980-1984, maar de boeken die ik van hem heb zijn voor mij puur genieten.
Hij heeft onder meer vier boeken geschreven over de paus in het Vaticaan: ‘In de schoenen van de visser’ (1963), ‘Gods kleine clowns’ (1982) en de daarop volgende maar helaas onvertaald gebleven romans ‘Lazarus’ (1990) en ‘Eminence’ (1998). Deze vier boeken zijn duidelijk verbonden met de tijd van hun ontstaan. Die context mag verleden tijd zijn, dat doet geen afbreuk aan het boeiende van deze boeken. Daarin word je meegevoerd in de wereld van de hiërarchische top van de katholieke kerk, met alle politieke intriges die daarbij horen. Maar wat mij vooral in deze vier boeken aantrekt zijn de levensbeschouwelijke thema’s die worden aangesneden. Luisterend naar de spirituele gesprekken van de verschillende personages word ik als lezer herhaaldelijk stilgezet om te peinzen over m’n eigen keuzes en waarden.

West is als auteur doorgebroken met De advocaat van de duivel (in 1961 in het Nederlands verschenen). Daarin beschrijft hij hoe een Engelse priester, werkzaam in Rome, de opdracht krijgt onderzoek te doen in een dorpje in Calabrië in Zuid-Italië. Als advocatus diaboli moet hij door het verzamelen van getuigenverklaringen en door het toetsen van de feiten antwoord krijgen op de vraag of een gedeserteerde  Engelse militair, die door communistische partizanen is terechtgesteld, wel terecht in die regio als heilige wordt vereerd. Dit als voorbereiding op een officieel proces voor zaligverklaring.

De priester heeft net te horen gekregen dat hij door z’n maagkanker niet lang meer te leven heeft. Daardoor wordt hij aan het denken gezet wat z’n leven tot dan toe voor betekenis heeft gehad. Jarenlang heeft hij stoffige dossiers bestudeerd om materiaal te verzamelen voor of tegen iemands zalig- of heiligverklaring. Al was hij formeel priester, nooit is hij een priester geweest voor mensen van vlees en bloed. Door zijn functie als advocaat van de duivel krijgt hij eindelijk de kans heuse mensen te ontmoeten.

Voor het eerst in z’n leven ervaart hij vriendschap. Allereerst met de bisschop in Calabrië bij wie hij z’n onderzoekswerk begint; daarna met de Joodse arts uit het dorpje, waar de vermeende heilige in de nadagen van de oorlog een tijd geleefd heeft.
In het dorpje logeert de priester-onderzoeker in het kasteel van een jonge Engelse weduwe, die het eigenlijk nergens kan vinden. Aan het einde van hun contact lukt het hem haar een en ander aan te reiken waardoor zij haar leven meer richting kan geven.
Heel ongelukkig verloopt z’n contact met een andere logé in het kasteel, een tweederangs Engelse schilder. De manier waarop diens homoseksualiteit wordt beschreven, doet erg gedateerd aan; tegelijk komt diens zelfverdediging weer heel modern over. De priester vindt het moeilijk met deze man om te gaan – begrijpelijk gezien z’n wereldvreemdheid en de tijd waarin hij leefde.

Heel vormend voor deze Romeinse priester-ambtenaar is zijn ontmoeting met de plaatselijke pastoor. Die blijkt al decennia lang samen te wonen met een eenvoudige vrouw, is aan drank verslaafd en vertoont weinig toewijding aan z’n ambt. De bisschop was hiermee bekend, maar had hem toch niet aangepakt omdat hij oog had voor de lastige situatie waarin deze pastoor verkeerde. Geconfronteerd met de weerbarstige praktijk ontstond bij de priester-ambtenaar begrip voor de bisschoppelijke handelwijze.

Boeiend en soms aangrijpend is wat de Joodse arts en de vroegere minnares van de deserteur vertellen over wat vijftien jaar eerder, in de laatste periode van de oorlog in die regio had plaatsgevonden.
Het boek maakt duidelijk dat West grondig studie heeft gemaakt van z’n onderwerp. En ook nu weer slaagt hij erin de lezer aan het denken te zetten over zijn of haar eigen leven.

Mintijteer

Esther Maria Magnis heeft met de roman Mintijteer (2016) een indrukwekkend boek geschreven. Het Duitse origineel heeft als titel: ‘Gott braucht dich nicht. Eine Bekehrung.’ Dat geeft in eerste instantie beter zicht op de inhoud van het boek.
Ze is kind van een evangelische vader en een katholieke moeder en bezocht samen met haar broertje en zusje geregeld beide kerken. Zelf is ze nu praktiserend katholiek.
Zoals uit interviews met haar blijkt is het een autobiografisch werk, waarin Magnis beschrijft hoe zij als 15-jarige hoorde dat haar vader kanker had. Na anderhalf jaar gestreden en geleden te hebben, stierf hij. Zeven jaar daarna bleek haar jongere broer Johannes maligne melanoom te hebben, waaraan ook hij algauw is overleden. Magnis was toen nog maar 24 jaar. Verpletterende ervaringen.

Magnis’ boek wordt wel eens getypeerd als religiekritiek. In een bepaald opzicht is dat terecht. Van jongs af aan moet zij er niks van hebben dat het christelijk geloof tandeloos gemaakt wordt. Zo verzet zij zich tegen predikers die de wonderen van Jezus symbolisch uitleggen of die de boodschap verpolitieken – met als gevolg dat de kerk niks eigens meer te bieden heeft in vergelijking met wat in de samenleving aan ideeën bestaat.
Dat betekent beslist niet dat ze houvast zoekt in glad-gepolijste vroomheid met een lieve God die alleen maar aardige dingen doet. Haast aan het einde van het boek verklaart ze: ‘God is verschrikkelijk. Hoe oneindig groot zijn liefde en genegenheid voor de mensen ook zijn mag.’ En een paar regels verder: ‘Het is een leugen die je in allerlei kerken te horen krijgt: wij hebben geen vreesgeloof, maar een praisegeloof. Dat is niet waar.’
In dat opzicht kun je haar boek religiekritiek noemen, want ze erkent het weerbarstige, het ‘vreemde’ van het christelijk geloof.

Terug naar het begin. Ontroerend is hoe ze vertelt dat zij en haar broertje en zusje telkens op zolder bij elkaar kropen om God te smeken haar vader beter te maken. Maar als hij dan toch overlijdt, stort haar wereld, ook haar geloofswereld in. Ze breekt met God, schreeuwt zelfs haar haat tegen Hem uit. Vier jaar lang heeft ze haar best gedaan het zonder God te doen. Voor haar was dat geen echt leven; zonder God kon ze ook geen verbondenheid ervaren met de wereld en de mensen om haar heen.

Worstelend vindt ze de weg naar God terug. Daarbij heeft een herinnering uit haar vroegste jeugd een belangrijke rol gespeeld: het woord ‘mintijteer’. Die herinnering wordt bij haar geactiveerd doordat ze met haar dementerende oma een oud lied zingt. Ze realiseert zich dan opeens dat het merkwaardige woord ‘mintijteer’ een kinderlijke verbastering is van een zin uit dat lied: ‘(En ook mij) bemint Hij teer’. Het raakt haar diep. Achteraf gezien vormt de herkenning van dit woord het begin van haar hernieuwd geloof, maar ook van hernieuwde verbondenheid met de wereld om haar heen. Voor haar geldt: waarheid is God.  ‘Het leven van de mens is altijd een leven voor God.’

Op een gegeven moment begint Magnis weer in de Bijbel te lezen. Ze stuit dan op het boek Job. Ze herkent zich in de emoties van Job tegenover God maar voelt zich ook gesteund als verteld wordt dat God de mens op diens vragen geen verklaring geeft.

Maar dan wordt haar broer Johannes ziek. Een zware test voor haar geloof, maar dit keer kan ze zich aan God blijven vastklampen, want ze realiseert zich: ‘God heeft gezegd dat ieder in deze wereld zijn kruis op zich moet nemen en hem moet volgen. Er staat nergens dat we hier een leuke tijd zullen hebben. Ons geloof heeft weet van de complete rotzooi die deze wereld is. Daar schrik je van. En dan pas komt de blijde boodschap.’ Tot haar eigen verwondering groeide haar geloof in God. Ze erkent: ‘Het is niet iets wat ik zelf doe.’

Het boek is in toegankelijk taal geschreven. Toch leest het vaak niet makkelijk, alleen al door de innerlijke dialogen met hun beeldspraak. Maar wat wil je, Magnis heeft het over verdriet, wanhoop, woede, verlatenheid, over de ondoorgrondelijkheid en het zwijgen van God, kortom over heftige rouw. Het zoeken van een weg op dat chaotische terrein verloopt per definitie moeizaam, altijd al en zeker voor een jongere als Magnis toen was. Om deze reden vraagt dit boek om herlezing, maar het hoofdmotief om te herlezen is de  waarde van dit boek.

Institutie van Calvijn

Eindelijk is het ervan gekomen om het hoofdwerk van Johannes Calvijn uit 1559 achter elkaar te lezen: Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst. Mijn editie bestaat uit twee banden, is vertaald door C.A. de Niet en is in 2009 uitgekomen.
Het is een imposant werk, allereerst door de omvang: deel I bevat, afgezien van de inleiding, 722 bladzijden en deel II 684. Daarnaast komen dan nog 84 bladzijden registers.
Imposant is het werk ook door de ogenschijnlijk makkelijke manier waarop Calvijn strooit met bijbelteksten en citaten van auteurs, van Augustinus (overleden in 430) t/m Johannes Eck (overleden in 1543).

Eerlijk gezegd heb ik het werk niet met plezier gelezen. Daarbij denk ik niet aan de vele scheldwoorden waarmee Calvijn z’n tegenstanders wegzet, want op internet en zelfs in de Tweede Kamer kom je dat tegenwoordig ook tegen.
Mijn gebrek aan leesplezier heeft andere oorzaken.

Allereerst heeft dat te maken met de stijl waarin Calvijn schrijft. Hij beweert zelf: ‘Van nature houd ik van bondigheid; als ik al omstandig over iets zou willen spreken, zou ik daar misschien niet eens in slagen (…) De opzet van het werk eist dat we in zo weinig mogelijk woorden een eenvoudig overzicht van de leer geven’ (I, 664a). Ik wil best aannemen dat dit klopt als je Calvijns tekst vergelijkt met andere auteurs uit zijn tijd, maar op mij komt zijn schrijven over als breedsprakig – ondanks de op zichzelf heldere vertaling van De Niet.
Daar komt bij: doordat Calvijn telkens afwijkende visies behandelt en hierdoor z’n onderwerpen van verschillende kanten benadert, komen in z’n werk vele herhalingen voor. Ook vind ik z’n benadering soms erg spitsvondig en perst hij bijbelteksten nog al eens binnen zijn denkschema. Kennelijk wil hij koste wat het kost z’n tegenstanders schaakmat zetten.
Wat ook vervreemdend werkt is zijn voortdurende confrontatie met middeleeuwse theologen als Thomas van Aquino en Petrus Lombardus en met tijdgenoten als Michael Servet, Osiander en Johannes Eck – met probleemstellingen die christenen vandaag niet aanspreken. Ook de meer dan 200 bladzijden over de sacramenten zijn voor mij te veel van het goede.

Tegen de achtergrond van de discussie over de kinderdoop in de Gereformeerde Kerken in de oorlogsjaren is Calvijns opvatting opmerkelijk. Tegenover de wederdopers erkent hij dat de doop hoort samen te gaan met geloof. Maar hoe kun je dan de kinderdoop nog verdedigen? Een belangrijk argument voor Calvijn is de betekenis van Gods verbond met de gelovigen én hun kinderen. Daarnaast schrijft hij ‘dat kinderen gedoopt worden met het oog op hun toekomstige bekering en geloof.’ Maar dan volgt een merkwaardige speculatie, die hij verbindt met Lucas 1:44 (waar vermeld wordt dat de ongeboren Johannes opspringt in de schoot van z’n moeder Elisabet): Al hebben bekering en geloof in kinderen ‘nog geen gestalte gekregen, toch ligt door de verborgen werking van de Geest de kiem van die beide in hen verscholen’ (II, 527b).

Er staan meer zaken in de Institutie waar wij tegenwoordig anders tegenaan kijken. Calvijn erkent uiteraard de wereld en onze lichamelijkheid als Gods schepping. We mogen dan ook geen afkeer hebben van het leven maar mogen genieten van Gods zegeningen. Tegelijk typeert hij ons lichaam herhaaldelijk denigrerend als ‘de kerker van ons vlees’, ziet hij de aarde als het oord van onze ballingschap en roept hij op het leven te verachten. Dit heeft vast alles te maken met de tijd van toen: het leven van de mensen was zwaar, ook door onbehandelbare ziekten en telkens uitbrekende oorlogen, terwijl gelovigen bovendien vaak te maken hadden met vervolging. Geen wonder dat toenmalige christenen meer naar de hemelse toekomst keken dan naar het mooie om hen heen.
Hier ligt, denk ik, ook de verklaring dat hij amper aandacht geeft aan de nieuwe aarde. Natuurlijk gelooft Calvijn aan de opstanding van ons lichaam, maar dat ons een glorieus leven wacht in een vernieuwde wereld krijgt amper aandacht. Dat was de toenmalige theologische visie met haar nadruk op de hemelse glorie, maar dat hangt vast ook hiermee samen dat de toenmalige gelovigen maar weinig ervaring hadden met het voorproeven van de vernieuwde wereld.

Eenmaal ben ik erg verrast door de benadering van Calvijn: zo fel en vernietigend als hij zich opstelt tegenover de katholieke kerk met haar leer en praktijk, zo mild is hij tegenover kerkleden met afwijkende visies en gedragingen. Hij beroept zich daarbij op Christus’ gelijkenis uit Matteüs 13, dat op de akker het onkruid (de ongelovigen) samen opgroeit met het koren (de gelovigen). Bij de uitleg van deze gelijkenis zegt Christus dat de akker ‘de wereld’ is. Ik heb geleerd vervolgens te zeggen dat dit samen opgroeien in de kérk dus niet kan. Maar hoe past Calvijn die zinsnede van Christus toe? De akker is de kerk! En dat motiveert hem om foute kerkmensen vergaand te dulden (II, 228-229, 423-424). Hij moet er dan ook niets van hebben dat gelovigen om niet-fundamentele zaken uit de kerk vertrekken. De veelvoud van gereformeerde kerken en gemeenten in Nederland zou Calvijn dan ook vast met verontwaardiging hebben waargenomen.

Het is mooi te merken hoe hartstochtelijk Calvijn voor de waarheid opkomt. Hij is kennelijk geraakt door de bijbelse boodschap. Dat blijkt ook uit de manier waarop hij spreekt over God als onze Vader met zijn ‘vaderlijke genegenheid’, waarbij hij stelt dat ‘de kleine ruimte van ons hart de onmetelijke omvang van deze liefde niet kan bevatten’ (II, 105b).
Heel fundamenteel is Calvijns stelling dat geloof begint bij Gods belofte (I, 560-561) – dus niet bij onze beleving, voeg ik daar aan toe. Dat geeft houvast in tijden dat de ervaring door allerlei moeiten ontbreekt.
Boeiend is hoe Calvijn het vasten als onderdeel ziet van de tucht, want al vastend kun je beter focussen op het gebed (II, 429-432) – onderwijs dat wij in de loop van de tijd zijn vergeten maar waarvoor tegenwoordig weer aandacht wordt gevraagd.

Wie de 1406 bladzijden van de Institutie te veel van het goede vindt maar toch wil kennisnemen van Calvijns gedachtegoed, kan terecht in de drie belijdenisgeschriften die de Nederlandse protestanten kennen: De Nederlandse Geloofsbelijdenis uit 1561, de Heidelbergse Catechismus uit 1563 en de Dordtse Leerregels uit 1618/1619. De opstellers daarvan waren gedrenkt in Calvijns Institutie, maar hebben hier en daar ook correcties aangebracht. Dat geeft aan hoe veel invloed dit werk in die tijd gehad heeft. Dat verklaart meteen ook waarom ik al lezend weinig verrast ben door Calvijns Institutie: dit boek heeft z’n werk blijkbaar zo goed gedaan dat de inhoud ervan onder protestantse christenen tot op vandaag gemeengoed is.

De laatste op het schavot

De laatste weken heb ik me verdiept in m’n vertalingen van George Bernanos (1888-1948), met o.a. ‘Onder de zon van Satan’ en ‘Dagboek van een dorpspastoor’. Twee diepzinnige en aangrijpende boeken met in beide gevallen een bescheiden dorpspastoor als hoofdpersoon. Zij illustreren door hun beperktheid de waarheid van Gods woord aan Paulus: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid’ (2 Korintiërs 12:9).

Aangrijpend is ook het filmscript De laatste op het schavot (1989), een vertaling van ‘Dialogues des Carmélites’, gebaseerd op een Duitse novelle van Gertrud von le Fort. In 1957 componeerde Francis Poulenc op de tekst een opera.
Dit stuk beschrijft een kloostergemeenschap van zestien zusters van de Karmel uit Compiègne (een stad ten noordoosten van Parijs). Bij hen sluit zich Blanche de la Force aan, dochter van een markies, die ondanks haar naam psychisch zwak is want ze wordt beheerst door angsten. Die angsten worden gevoed door de dreiging van de Franse Revolutie, begonnen in 1789. Eerst lijkt die voorbij te gaan aan de kloostergemeenschap, wat de zusters de ruimte geeft zich op te houden met beuzelachtige zaken.  Maar dan komt de revolutie al dichterbij: angstaanjagende geluiden van roerige menigtes in de buurt, beperkende maatregelen, plunderende vandalen in het klooster en ten slotte het vertrek naar een gevangenis in Parijs. Onder leiding van hun wijze priorin doen de nonnen hun best zich zo goed mogelijk vanuit hun geloof met deze bedreigingen te confronteren.

Omdat er twijfels zijn aan de spankracht van Blanche heeft de priorin haar op tijd het klooster laten verlaten. Maar thuis komt ook Blanche keihard in aanraking met de Franse Revolutie: haar vader wordt geguillotineerd en zij wordt gedwongen als dienstmeisje te fungeren.
Maar zij is niet los van de Karmel. Als de vijftien nonnen (één verbleef elders) naar het schavot worden gebracht, is zij aanwezig onder de toeschouwers. Pal voor het schavot ‘zetten de zusters het Salve Regina in, dan het Veni Creator. Hun stemmen zijn helder en heel vast. De menigte zwijgt ontroerd. Men ziet slechts de onderkant van het schavot, dat de zusters één voor één beklimmen, nog altijd zingend, maar naargelang zij verdwijnen wordt het koor zwakker. Nog twee stemmen, nog één. Maar op dat ogenblik verheft zich, vanuit een andere hoek van het grote plein, een nieuwe stem, duidelijker, vastbeslotener nog dan de andere, met toch iets kinderlijks. En men ziet, door de menigte die onthutst uiteenwijkt, de kleine Blanche de la Force op het schavot toegaan. Alle angst is van haar gezicht verdwenen (…) Een groep vrouwen omringt Blanche, duwt haar naar het schavot; men verliest haar uit het oog. En ineens zwijgt haar stem, zoals één voor één de stemmen van haar zusters verstomden.’
En daarmee eindigt het stuk.

In het Nawoord van deze uitgave wordt vermeld dat het stuk teruggaat op de authentieke geschiedenis van zestien Carmelietessen die op 17 juli 1794 in Parijs zijn geguillotineerd. Verschillende namen in de novelle en in Bernanos’ stuk zijn verzonnen alsook de persoon van Blanche. Authentiek is dat zij allen het schavot al zingend beklommen.

Het lezen van dit stuk bevestigt mij weer eens in mijn onbegrip dat de Fransen de revolutie van 1789 vieren. Ik snap dit nog als ik kijk naar wat er in het eerste jaar aan staatkundige hervormingen heeft plaatsgevonden. In 1789 is immers de invloed van de derde stand vergroot ten koste van de adel en de geestelijkheid; ook is het grootgrondbezit aangepakt ten gunste van de gewone boeren. Maar aan wat in de jaren daarna is gebeurd kan toch alleen met huivering worden terug gedacht?  Alleen al de behandeling van die zestien Carmelietessen maakt het onmogelijk een feest te maken van de herinnering aan de Franse Revolutie. En dan noem ik nog niet eens de stromen van bloed door de guillotinering van duizenden anderen, de fusillades van opstandelingen en de ‘noyades’ (verdrinkingen) bij Nantes. Zie hiervoor de monografie van E.M. Janssen Perio, ‘Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie’, Baarn 1989. Door het grote getal van de slachtoffers komt de gruwel van de Franse Revolutie wat op afstand te staan, maar door Bernanos’ stuk worden enkele betrokkenen uit de anonimiteit gehaald en gaat hun lijden ons raken.

Tanka en haiku

Gestimuleerd door Aafjes’ boeken over de Japanse rechter Ooka ben ik me gaan verdiepen in twee werken over Japanse poëzie van J. van Tooren: Tanka, Het lied van Japan (1983) en Haiku. Een jonge maan (1973; in 2000 de tiende druk!).

De tanka bestaat uit vijf regels van 5-7-5-7-7  lettergrepen; in deze vorm werd gedicht vanaf plm. 600. De haiku is hierna ontstaan, bestaat uit drie regels van 5-7-5 lettergrepen en is bekend vanaf plm. 1600. Beide dichtvormen worden tot op de dag van vandaag in Japan beoefend.

Heel bijzonder is dat de vroegere Japanse keizers zich ingespannen hebben om de oude tanka voor het nageslacht te bewaren. Om dat te bereiken hebben ze verschillende keren de opdracht gegeven om verzamelbundels aan te leggen. De eerste kwam plm. 760 tot stand en bevatte maar liefst 4500 verzen, gevolgd door nog 21 bundels.

Sinds enkele decennia houden ook Westerse dichters zich met de tanka en haiku bezig. In Nederland en België bestaan hiervoor zelfs speciale tijdschriften. Al ben ik (nog) niet zo verslingerd aan deze poëzievorm als bijvoorbeeld de in 2012 overleden dichteres Inge Lievaart, ik ben er wel door geboeid. Wat een scherp observatievermogen verraden die gedichten.

Anders dan in veel Nederlandse poëzie ontbreken maat en rijm; bepalend is het aantal lettergrepen. Het vertalen van deze poëzie is dan ook uitermate lastig. Om deze gedichten recht te kunnen doen heeft J. van Tooren (pseudoniem van Anna Maria Mulder-Swanenburg de Veye, 1900-1991) op 60-jarige leeftijd dan ook Japans geleerd.

De tanka mag beperkt zijn qua omvang, qua inhoud is die vaak heel sprekend. Altijd weer is er aandacht voor de natuur, die dan geregeld wordt verbonden met wat er innerlijk bij de dichter speelt. Enkele voorbeelden:

(Prins Otsu, plm. 675:)                               (Vrouwe Ishikawa antwoordt:)
In de dauw die droop                                Was ik maar geweest
uit de druipende bergen                           deze dauw uit de bergen
wachtte ik op u                                           die u doorweekte
mijn liefste, geheel doorweekt                toen ge daar stond te wachten
door de dauw uit de bergen.                   op mij, in druipende dauw!

(Priester Mansei, plm. 720:)                     (Yamaoé no Okura, plm. 700:)
Deze onze wereld                                      In deze wereld
waarmee vergelijk ik haar?                      is alleen schaamte en verlies
De witte schuimgolf                                  zo zou men denken;
achter een schip dat uitroeit                   maar wegvliegen kan men niet
bij ‘t morgengloren!                                  omdat wij geen vogels zijn.

De haiku is nog weer beknopter; daarin kan maar één suggestie, één gedachte tegelijk aanwezig zijn, al heeft zo’n minigedicht soms een dubbele bodem. Niet voor niets waren in elk geval de vroegere afkomstig uit kringen die Zen-boeddhisme beoefenden. Enkele voorbeelden:

(Basho, 1644-1694)                                 (Basho)
Pruimbloesemgeur, en –                       Op een dorre tak
plotseling gaat de zon op                      is een kraai nog blijven zitten
over het bergpad.                                   in de herfstavond.

(Issa, 1763-1827)                                    (Shiki, 1867-1902)
Waar zou hij heengaan                         Donkerblauwe zee,
in deze zware regen,                             witbesneeuwde bergen,
zo’n eenzame slak?                               en vogels, terugkerend.

Het eerste boek van Van Tooren lezend verbaas ik me erover dat Japan al in die vroege tijd zo’n verfijnde dichtkunst kende. Deze verbazing maakt duidelijk hoe Europa-centrisch ik denk, alsof de wereldbeschaving zich vooral in Europa afspeelt. Wij zijn trots op onze middeleeuwse Hadewijch (± 1210-1260) en Jacob van Maerlant (± 1235-1300), maar toen zij optraden kende Japan al 600 jaar de tanka!
Opvallend in al die eeuwen van tanka en haiku is ook dat God daarin eigenlijk volledig ontbreekt. Dat geeft aan hoe anders de bovendrijvende levensbeschouwing in Japan was (en is) dan die in Europa. Tegelijk is waar dat de liefde voor de natuur en de menselijke emoties van de Japanse dichter voluit herkenbaar zijn voor ons in Europa.

Van Tooren heeft ons een grote dienst bewezen door ons zo intensief vertrouwd te maken met deze twee Japanse dichtvormen. De al genoemde Lievaart met haar bundels haiku en tanka bewijst hoe inspirerend dat voor velen is geweest.

Rechter Ooka

Tijdens de kerstdagen heb ik opnieuw genoten van twee verzamelbundels van Bertus Aafjes met als titel: Rechter Ooka-mysteries (1982) en De mysterieuze rechter Ooka (1986). In deze twee uitgaven heeft Aafjes de meeste verhalen gebundeld uit vijf eerdere boeken over deze rechter.

De in 1993 overleden Aafjes was een veelzijdig schrijver. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij bekend door zijn dichtwerk ‘Een voetreis naar Rome’ (1946). In de schrale tijd pal na de verschrikkingen van de oorlog activeerde dit werk het verlangen naar schoonheid, kleur en vrijheid achter de verre horizon.
In de jaren hierna legde Aafjes zich toe op reisbeschrijvingen. Al dateren die van enkele decennia terug en zijn ze daardoor deels achterhaald, dank zij de archeologische scholing en de grote vertelkunst van Aafjes zijn met name de bundels over Egypte, Palestina, Griekenland en Italië nog altijd met plezier te lezen.
Voor jong-gebleven volwassenen zijn ook lezenswaardig de tien deeltjes uit de serie ‘De gouden keten’, bedoeld voor wat tegenwoordig de basisschool heet. Tot slot noem ik het ontroerende stripverhaal (met tekeningen van Eppo Doeve) ‘Kleine Isar. De vierde koning.’

Maar terug naar rechter Ooka. Aafjes’ verhalen over hem zijn hervertellingen van bestaande geschiedenissen, waarmee Aafjes tijdens z’n reizen naar Japan vertrouwd werd. Ooka Echizen no Kami Tadasoeke leefde van 1677 tot 1751 en was rechter in Edo, het tegenwoordige Tokio. Hij was tegenstander van de toentertijd ook in Japan gebruikelijke methode om verdachten door foltering tot bekennen te dwingen. Hij was namelijk sceptisch over de waarde van zulke afgedwongen bekentenissen. Eveneens nieuw was dat hij psychologische methoden gebruikte om te kunnen onderscheiden tussen misdadigers en onschuldigen, terwijl hij bovendien oog had voor de ellende van de kansarmen.
Zijn rechtszittingen mochten door iedereen bijgewoond worden, zodat al tijdens z’n leven de verhalen de ronde deden over de vaak verrassende en altijd wijze uitspraken die hij deed. Die verhalen werden ten slotte opgeschreven, waarbij uiteraard niet meer gereconstrueerd kan worden wat daarin waarheid en wat verdichting is. Deze bronnen heeft Aafjes gebruikt voor zijn hervertellingen.

Er is kritiek uitgeoefend op de manier waarop Aafjes deze verhalen heeft herverteld: ze zouden geen recht doen aan de historische feiten en zouden allerlei fantasieën bevatten. Aafjes zelf geeft het volmondig toe dat hij ‘deze Japanse Sherlock Homes grotendeels uit eigen verbeelding’ heeft voortgebracht. ‘In het bijzonder heb ik getracht de rechter en zijn omgeving die couleur locale van Japanse dichterlijkheid en oosterse geheimzinnigheid te geven, die ik in Japan nog in zo’n overvloedige mate aantrof.’

Prachtig is hoe Aafjes zijn rechter Ooka laat omgaan met haikoes (tegenwoordig gespeld als haiku’s).
Volgens de ‘Moderne encyclopedie van de wereldliteratuur’ (tweede druk uit 1980) is een haiku een ‘Japans 17-lettergrepig gedicht, bestaande uit drie regels van resp. 5, 7 en 5 lettergrepen’, waarin de essentiële betekenis van iets alledaags, iets simpels wordt aangeduid. Ofwel, ‘met een minimum aan woorden wordt een maximum aan beleving opgeroepen.’ Een beroemd voorbeeld is deze haikoe van Basho: ‘O, oude vijver! / een kikvors springt van de kant, / geluid van water.’
Nog al eens geeft zo’n haikoe de rechter de sleutel in handen om een lastige rechtszaak toch tot een goed einde te brengen.
Mooi zijn ook de natuurbeschrijvingen in de verhalen. Je ziet dan de kleurige houtsneden van Hiroshige voor je, al dateren die van een eeuw later.
Uitgebreid wordt aandacht gegeven aan wat de fijnproever Ooka eet. Als ik in een restaurant met een gerechtenkaart geconfronteerd wordt of als de ober de gerechten uitlegt, voel ik me altijd een volslagen leek. Maar van al die gedetailleerde passages over Ooka’s smulpartijen gaat voor mij toch een grote charme uit.

Het mooiste zijn de rechtszaken zelf. Altijd weer zien ze er onoplosbaar uit, maar toch lukt het Ooka om er op een overtuigende manier uit te komen. Hij blijkt een herleefde Salomo te zijn, weliswaar in Japanse kledij maar met een even grote wijsheid. Bijzonder aardig om te lezen.

Jammer dat ik de beide bundels nu uit heb. Ik troost mezelf met de gedachte dat ik over de gave van de vergetelheid beschik. Daardoor kan ik over 1-2 jaar deze verhalen weer als nieuw gaan lezen. Een mooi vooruitzicht.

Byzantium

Eeuwenlang, tot in onze tijd, is in Europa negatief aangekeken tegen Byzantium met z’n hoofdstad Konstantinopel. Het boek van de Londense hoogleraar Judith Herrin, met als titel Byzantium. Het verrassende leven van een middeleeuws rijk (2009) kun je daarom een rehabilitatie noemen van dit rijk.
Die negatieve visie op Byzantium is wel begrijpelijk want mensen hebben vaak moeite met medemensen die anders zijn. En anders waren de Byzantijnen. Allereerst qua taal: in Europa sprak de elite en de geestelijkheid Latijn terwijl de Byzantijnen Grieks spraken.
Ook theologisch waren er verschillen; het meest bekend is dat de Byzantijnse christenen over de Heilige Geest verklaarden dat die van de Vader is uitgegaan terwijl de Latijnse christenen verdedigden dat Hij ook van de Zoon (‘filioque’ in het Latijn) is uitgegaan. Daarnaast waren het Oosten en Westen het oneens over gebruiken rond de eucharistie en het vasten.
Deze verschillen zijn uiteindelijk uitgemond in het schisma tussen Oost en West in 1054. De onderlinge aversie is verdiept doordat de Latijnse christenen in 1204, tijdens de vierde kruistocht, Konstantinopel hebben geplunderd en daar toen tot 1261 de baas hebben gespeeld.

Herrin vindt dat met deze negativiteit Byzantium onrecht wordt aangedaan. Volgens haar wordt de kracht van Byzantium alleen al bewezen door het feit dat dit rijk (hoewel met wisselende omvang) meer dan duizend jaar heeft bestaan en allerlei rampen telkens weer te boven is gekomen; Konstantinopel is immers gesticht in 324 en pas definitief ondergegaan in 1453.
En hoe belangrijk is Byzantium niet geweest voor de kerstening van de Slaven, begonnen door de broers Methodios en Konstantijn (met als kloosternaam: Cyrillus; hij bedacht het cyrillische alfabet en overleed in 869).
Daarnaast was de Byzantijnse kunst van grote schoonheid en heeft de Byzantijnse architectuur en mozaïekkunst (overtuigend aanwezig in bijvoorbeeld de beroemde Hagia Sophia, ingewijd in 537) grote invloed gehad; denk aan Ravenna in Noord-Italië.
Ten slotte was het door de Byzantijnse filosoof Georgios Gemistos, bijgenaamd Plethon, dat de geleerden in Florence in 1438 enthousiast gemaakt werden voor Plato – een belangrijke impuls voor de Italiaanse Renaissance.

Het belang van Byzantium blijkt volgens Herrin vooral hieruit dat Byzantium eeuwenlang als schild heeft gefungeerd tussen West-Europa en de Islam. Een citaat: “Als Konstantinopel halverwege de zevende eeuw in Arabische handen was gevallen, zouden de moslims dank zij hun slagkracht rechtstreeks zijn doorgestoten naar Europa, (.…) waar de Slavische en Germaanse volkeren geen weerstand hadden kunnen bieden. Zonder Byzantium is Europa zoals wij dat kennen ondenkbaar.” Dit onderstreept ze nog eens aan het einde van haar boek: “Dank zij het vermogen van (Byzantium) zichzelf te verdedigen, hield het rijk de wereld ten noordwesten van de Middellandse Zee in de luwte in de chaotische maar creatieve periode die aanbrak na de val van het Romeinse rijk in het Westen. Zonder Byzantium had Europa niet bestaan.”
Maar wat heeft Byzantium vanwege die schildfunctie gebloed. In 638 werden Byzantijnse steden als Antiochië en Jeruzalem door de Arabieren veroverd. In 674-678 vond de eerste Arabische belegering van Konstantinopel plaats. Even nadat Arabieren in Spanje de baas werden werd de hoofdstad van Byzantium voor de tweede keer belegerd, 717-718. De eeuwen daarna bleef Konstantinopel weliswaar een nieuwe belegering bespaard maar hadden de Bijzantijnen elders constant te maken met de veroveringszucht van moslimheersers. In 1354 staken de uit Azië afkomstige Turken (naar een belangrijke vorst Ottomanen genoemd) de Dardanellen over. Zij brachten Konstantinopel al verder in het nauw, met belegeringen in 1397-1402 en 1422, waarna ten slotte de verovering in 1453 volgde.

In de geschiedenis van Byzantium komen theologisch boeiende thema’s aan de orde. Zo werden in Konstantinopel en Nicea, op Byzantijns grondgebied dus, belangrijke concilies gehouden waarop belijdenissen geformuleerd werden over de goddelijke en menselijke natuur van Christus.
Bekend is ook de strijd tussen de iconofielen en iconoclasten. In Byzantium was namelijk al vroeg het gebruik ontstaan om Christus en de heiligen te vereren met behulp van afbeeldingen. Deze iconen werden verdedigd met een beroep op de menswording van Christus; ook zouden ze de mensen meevoeren naar een hoger besef van het goddelijke. De tegenstanders typeerden het vereren van iconen als afgoderij; ook stelden zij dat deze afgoderij de oorzaak ervan was dat Byzantium zo erg te lijden had van moslimaanvallen. Er zijn twee periodes geweest van iconenvernietiging (iconoclasme), 730-787 en 815-843, waarbij zelfs doden zijn gevallen. Uiteindelijk hebben de iconoclasten de strijd verloren, beide keren door toedoen van vrouwelijke keizers.
In de dertiende eeuw maakten de monniken van de kloosterberg Athos kennis met het hesychasme (‘hesychia’ betekent stilte, rust). Essentieel daarvoor was de herhaling van het gebed ‘Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm u over mij’, gecombineerd met ademhalingsoefeningen die erop gericht waren de concentratie te bevorderen en het geestelijk bewustzijn van de monnik op een hoger plan te brengen. Vooral Gregorios Palamas (overleden in 1359) maakte zich sterk voor deze vorm van neoplatonische mystiek. Hij werd geïnspireerd door het moment waarop de drie leerlingen op de berg Tabor het ongeschapen licht ervoeren van Christus wiens gedaante toen veranderde. Volgens hem konden de monniken ditzelfde goddelijke licht ervaren. Hij werd fel bestreden door onder anderen Balaam van Calabrie; ook westerse theologen keerden zich tegen deze neoplatonische theologie, gevormd als ze waren door aristotelische denkpatronen. Uiteindelijk werd deze hesychastische theologie met haar mystieke contemplatie kenmerkend voor de oosterse orthodoxie.

En dit is nog maar een fractie van de onderwerpen die Herrin in haar boek aansnijdt. Zo vertelt ze hoe aan het keizerlijk hof van het christelijke Byzantium grootschalig eunuchen dienst deden, die als jongetje (vaak met instemming van hun ouders) gecastreerd waren (een fenomeen dat later ook in het Westen niet onbekend was: de laatste castraatzanger van het koor van de Sixtijnse kapel in het Vaticaan, Alessandro Moreschi, overleed in 1922). De Byzantijnse wreedheid bleek ook hieruit dat tegenstanders vaak werden uitgeschakeld door die de ogen uit te steken. Positief was weer het hoge niveau van het onderwijs, waar ook vrouwen van profiteerden.

Het lezen van dit boek bevordert de bescheidenheid, want er staat heel veel in waarvan ik en vast de meeste lezers nog nooit gehoord hebben. Herrin heeft ons door haar boek een grote dienst bewezen.