Categorie archief: Leeservaringen

Meer door minder

Al vele jaren is er wereldwijd een beweging gaande waarin gepleit wordt voor ontspulling. Talloze mensen hebben het gevoel dat ze omkomen in hun materiële overvloed en willen niks liever dan zich beperken tot wat ze echt nodig hebben.
In de rubriek ‘Teksten van anderen’ maak ik melding van minimalisten. Die maken er een sport van hun spullen tot het minimum te beperken, soms zelfs tot minder dan 100 stuks.
Anderen gaan realistischer te werk, vaak ook omdat zij deel uitmaken van een gezin, waarvan de leden lang niet altijd op dezelfde lijn zitten. Ik vind het boeiend zulke boeken te lezen. Altijd stimuleren ze mij om mijn bezit weer eens kritisch bij langs te gaan. En hoe beperkt ook, telkens lukt het me weer wat op te ruimen.

De twee laatste boeken die ik hierover gelezen heb zijn: Joshua Becker, Meer door minder. Maak ruimte om te leven (2016) en Duane Elgin, Houd het simpel! Rijk van binnen, eenvoudig naar buiten (2010).

Becker heeft een aanstekelijk boek geschreven over de vraag hoe je je spullen het beste kunt verminderen. Hij komt met vele praktische verhalen en voorbeelden, die je houvast bieden om zelf aan de slag te gaan.
Hij maakt ook duidelijk waarom het goed zou zijn om met minder materieel bezit te leven. Zo’n leven bezorgt je meer tijd, meer geld, meer vrijheid, minder stress, minder afleiding en heeft ook een kleinere impact op het milieu. In z’n boek wordt dat nader uitgewerkt.
Zo wijst hij erop dat consumentisme vaak wordt verward met geluk. In elk geval de reclame wil ons wijs maken dat we pas echt gelukkig zijn als we de aangeprezen producten kopen. En of we het nu willen of niet: vaak geloven we daaraan. Maar in dat geloof worden we telkens teleurgesteld, want algauw na de aankoop blijkt het geluk weer onbereikbaar achter de horizon te liggen. Wie ervoor kiest met minder te leven, zal zich bevrijd voelen van deze deprimerende drang om maar te bezitten.

Beperk je je op materieel gebied tot wat je echt nodig hebt, dan blijk je van dat mindere meer te kunnen genieten. Hoe waar dit is, bewijzen kleine kinderen: hoe vaak komen zij niet om in speelgoed, met als gevolg dat ze onmachtig zijn geconcentreerd te spelen met één ding. Maar ook omgekeerd: je geeft een kind iets onnozels (in volwassen ogen), waarna dat kind hier tijden mee in de weer is.
Materiële beperking geeft je meer ruimte om aandacht te geven aan wat er echt toe doet. Becker wijst dan met name op relaties. In dat kader pleit hij voor het opvoeren van de hoogte van je giften, het doen van vrijwilligerswerk en het onderhouden van vriendschappen.

Elgin heeft een totaal ander boek geschreven. Hij plaatst het onderwerp ontspullen in het bredere kader van wat in de wereld gaande is. Zo wijst hij erop dat wij voor het huidige consumptieniveau eigenlijk niet toekunnen met deze aarde. We teren in. Dat probleem wordt nijpender nu diverse minder ontwikkelde landen zoals China, India en Brazilië op weg zijn naar ons consumptieniveau.
Elders las ik: als de huidige wereldbevolking net zo welvarend zou zijn als wij in Europa of de Verenigde Staten, zouden we vier aardes nodig hebben. Deze ontwikkeling, aldus Elgin, brengt ons onstuitbaar in aanraking met urgente problemen zoals: te grote bevolkingsgroei, wijdverbreide en diepe armoede, ernstige verstoring van het klimaat, het einde van goedkope olie, wereldwijd tekort aan drinkwater en grootschalig uitsterven van planten- en dierensoorten.

Als privé-persoon kunnen we daar natuurlijk weinig aan doen. Wat we wel kunnen doen is materieel bescheidener leven, ofwel: onze ecologische voetadruk verkleinen. In zijn boek geeft Elgin talloze reacties door van mensen die daar al mee bezig zijn. Ook geeft hij diepgravende analyses om de lezer te stimuleren deze voortrekkers na te volgen.

Zijn boek maakt mij meteen duidelijk hoe kortzichtig en egoïstisch West-Europa omgaat met de stroom economische vluchtelingen uit Afrika. Wat het meest het nieuws haalt zijn onze pogingen om die vluchtelingen buiten Europa te houden, met als doel (is mijn indruk) dat onze welvaart onaangetast gehandhaafd kan blijven. Maar heel weinig hoor je dat deze situatie erom vraagt dat wij ons welvaartspeil naar beneden aanpassen en de Afrikaanse landen helpen hun mensen perspectief te geven.
Blijven we op de huidige manier met dit onderwerp omgaan, dan zullen we binnen afzienbare tijd ontdekken dat het probleem van economische vluchtelingen nog vele malen groter zal worden. We moeten af van onze hebzucht en onze egocentrie. Elgin is vrij optimistisch over de verandering ten goede in de wereld. Zijn talloze contacten geven daar ook aanleiding toe. Maar in Den Haag zie ik weinig tekenen dat er openheid is voor de urgentie van dit onderwerp. Het is waar, het klimaatakkoord van Parijs wordt unaniem omarmd, maar dat gebeurt naar mijn inschatting meer om onze eigen veiligheid en welvaart te handhaven dan om de kwetsbaren in de wereld te beschermen.

Oorlogstranen

In ‘Sara’ (2017) beschrijft Lody B. van de Kamp aan de hand van het leven van één fictieve persoon de kindertransporten die in 1938-1939 plaatsvonden vanuit Duitsland naar Engeland. Zijn eerdere boek Oorlogstranen (2008) gaat over ondergedoken Joodse kinderen tijdens maar vooral na de oorlog. Bij voorbaat kan duidelijk zijn hoe traumatisch het voor die kinderen was om van het ene op het andere moment hun ouders kwijt te raken. Hartverscheurend was het ook voor de ouders dat ze noodgedwongen hun kinderen aan wildvreemde verzetsmensen afstonden, in de hoop dat ze zo de oorlog zouden overleven.
Maar toen de oorlog voorbij was, was het verdriet niet voorbij, allereerst voor de kinderen niet, want zij waren veelal hun ouders kwijt. In zijn Voorwoord wijst  de auteur erop dat ook de onderduikouders veel leed hebben doorstaan. “Niet altijd werd dat door de bezetter veroorzaakt. Het verdriet, de angst en de onzekerheid die bijvoorbeeld ontstonden na een gedwongen scheiding tussen onderduikkind en onderduikouders bleken eveneens diep aangrijpend te zijn. Van de ene op de andere minuut moest een kind aan wie men zich had gehecht, worden afgestaan om het naar een nieuwe, onbekende plek te laten brengen. Het contact tussen kind en pleegouders werd daardoor vaak abrupt verbroken. Ook na de oorlogsjaren had dit soort scheidingen nog plaats. Als onderduikkinderen door familieleden werden opgehaald, bleef het contact soms in stand, maar soms juist helemaal niet.”

Heel invoelend en met kennis van zaken beschrijft Van de Kamp nog een ander punt: “Joodse kinderen werden door de oorlogsomstandigheden opgenomen in niet-Joodse gezinnen. Zo groeiden zij op binnen een leefomgeving die wezenlijk verschilde van hun eigen achtergrond. Ook dit heeft (na de oorlog) zijn sporen nagelaten: jonge kinderen, getraumatiseerd als ze waren, moesten ook nog eens kiezen tussen het geloof en de traditie van hun ouders die zij nauwelijks hadden gekend, en die van hun pleegouders die hun het leven hadden gered. Zo ontstonden er verscheurende gevoelens van geloofscrisis en dubbele loyaliteit.”

Heel dit complexe gebeuren tekent Van de Kamp uit aan de hand van het leven van twee zusjes van een Joods echtpaar uit Enschede, die tijdens de oorlog elders ondergebracht worden, de jongste op een Achterhoekse boerderij en de oudste in een Belgisch mijnstadje. Ze zijn zo jong dat ze zich van hun Joodse afkomst niet bewust zijn, waarom ze probleemloos rooms-katholiek kunnen worden opgevoed.
Na de oorlog blijken hun beide ouders door de nazi’s te zijn vermoord. Het jongste meisje wordt al gauw opgehaald door haar Amsterdamse, orthodox-levende oom en tante. Mede door z’n  concentratiekampsyndroom kan de oom het onmogelijk verkroppen dat z’n nichtje vervreemd is van haar Joodse achtergrond en emotioneel verbonden blijft met haar katholieke pleegouders, al heeft ze al gauw geen contact meer met hen.

Het oudste meisje, de hoofdpersoon van het boek, wordt pas na haar dertigste en na de dood van haar pleegouders bekend met haar Joodse achtergrond. Op dat moment is ze non in een katholiek ziekenhuis in Amsterdam. Ze treedt uit en gaat op zoektocht naar haar Joodse oorsprong. Daarbij wordt ze geholpen door de kesobbe (huwelijksacte) van haar Enschedese ouders, die haar Waalse pleegouders haar hebben nagelaten.

Aangrijpend hoe ook zij net als haar zus worstelt met haar trouw aan het christelijk geloof van haar pleegouders en haar solidariteit met het Joodse geloof van haar ouders. “Ze kan Hem niet loslaten in Wie ze van harte gelooft (…), want Hij heeft toch ook voor haar geleden?” Tegelijk vraagt ze zichzelf af of de Verlosser dan misschien toch nog niet gekomen is. Het lukt haar aan deze dubbele loyaliteit recht te doen door zichzelf voor te houden: “of ze nu rooms-katholiek of Joods is, de Verlosser heeft ze nodig (…) de hele wereld schreeuwt om verlossing van schuld en lijden.”

Dit boek maakt nog eens duidelijk hoe veel psychische schade de Tweede Wereldoorlog blijvend heeft aangericht, ook in het leven van mensen die de oorlog zelf niet (bewust) hebben meegemaakt.

Sara, evacuée uit nazi-Duitsland

De tekst op de achterflap klopt helemaal: in zijn historische roman Sara, het meisje dat op transport ging (2017) heeft rabbijn Lody B. van de Kamp een ontroerend verhaal geschreven. Door de levensbeschrijving van één fictieve persoon stelt de auteur de kindertransporten aan de orde die in 1938-1939 hebben plaatsgevonden vanuit Duitsland via Nederland naar met name Engeland. Een van de drijvende krachten achter deze transporten was de hervormde Truus Wijsmüller-Meijer, een verzetsheldin uit Amsterdam, die volgens Wikipedia na Raoul Wallenberg het grootste aantal Joden heeft gered, meer dan 10.000 kinderen.

Van de Kamp vertelt hoe de veertienjarige Sara Jacobson in Kleve de opkomst van de bruinhemden meemaakt en de emoties van haar ouders daarover. Angstaanjagend voor het meisje en dat temeer omdat haar ouders, passend bij die tijd, haar weinig vertellen over wat er gaande is. Ze maakt mee hoe haar vader om z’n Jood-zijn niet meer mag werken als advocaat en z’n brood verdienen moet met handarbeid. Ze is getuige van het nazi-vandalisme tijdens de Kristallnacht, de nacht van het gebroken glas, 8-9 november 1938. Ze merkt de groeiende spanningen tussen haar ouders over al of niet emigreren.
Intussen blijken al meer kinderen uit haar klas te vertrekken naar Engeland. December 1938 brengen haar ouders haar rechtstreeks vanaf school naar het station. Tot haar verbijstering moet Sara dan met haar zevenjarige zusje Mirjam mee met de trein terwijl haar ouders en jongere broertje Izaäk achterblijven. Traumatisch voor Sara. Wanhopig wordt ze als in Nijmegen haar zusje Mirjam niet verder mag omdat Engeland nog geen toestemming heeft gegeven zulke jonge kinderen mee te nemen. Later blijkt dat Mirjam de overtocht niet meer gehaald heeft en uiteindelijk in Bergen-Belsen is terechtgekomen.

In Londen wordt Sara door haar oom en tante opgevangen. Bij hen blijft ze, ook als het haar vader gelukt is Engeland te bereiken. Als in 1939 de oorlog met Duitsland is uitgebroken, wordt Sara met vele andere Londense kinderen geëvacueerd naar het veilige platteland en komt zij terecht bij wildvreemde mensen, bij wie ze de rest van de oorlogsjaren blijft. Na de oorlog gaat ze weer terug naar haar oom en tante in Londen.
Het lukt Sara niet haar draai te vinden: haar vader is een gebroken mens; over haar moeder, zus en broertje weet ze aanvankelijk niets. Maar dan komen de berichten los: haar moeder is in een kamp overleden; daar is haar broertje Izaäk spoorloos verdwenen; haar zus Mirjam heeft Bergen-Belsen amper overleefd en moet in Duitsland en later in Zweden  aansterken, waarna ze als ziekenhuispatïente in Londen komt en maanden nodig heeft om te herstellen.

Van de Kamp beschrijft overtuigend de ontworteling en radeloosheid van Sara. De gebeurtenissen die zij moet meemaken zijn in feite te veel en te groot voor een tiener. Je kunt er niet met droge ogen over lezen.

Op één moment komt de rabbijn Van de Kamp met zijn visie om de hoek kijken, namelijk als hij beschrijft hoe de christelijke pleegouders van Sara wat onbeholpen hun geloof op Sara proberen over te brengen: “Luister eens, Sara, je moet weten dat er een Verlosser is. Die is aan het kruis gestorven voor wat wij verkeerd hebben gedaan (…) Zonder Hem komt niemand in de hemel. Daarom is het nodig dat ook jij Hem leert kennen.” En dan laat Van de Kamp Sara zo reageren: “Verward kijk ik de man aan. Wat moet ik met deze informatie? Ik ben toch een Joods kind? Dus heb ik hier geen boodschap aan (…) Zij zijn christelijk, ik ben Joods.” Ik kan me niet goed voorstellen dat een tiener zo (volwassen) denkt. Ik herken hierin de benadering van Van de Kamp. Als ik zijn schrijfsels in de krant goed begrepen heb vindt hij dat christenen en Joden elkaar niet moeten lastigvallen met hun overtuiging. Het zijn nu eenmaal verschillende werelden. Hij moet dus niks hebben van het missionaire karakter van het christelijk geloof. Historisch gezien heel begrijpelijk want de christelijke drang om het geloof uit te dragen heeft de Joden in de loop van de geschiedenis verschrikkelijk veel ellende gebracht. Tegelijk is waar dat het wel bij christenen hoort dat ze hun z’n geloof met de ander willen delen.

Intussen roept de roman Sara de vraag op: moet je, mag je dat wel doen tegenover een Joods pleegkind, dat qua leeftijd en situatie compleet afhankelijk is van jou? Maak je door het mondeling uitdragen van je geloof in feite geen misbruik van je macht tegenover een weerloos kind? Ik heb het heel respectvol gevonden toen ik las dat christenen met Joodse onderduikers aan tafel soms uitsluitend voorlazen uit het Oude Testament. Maar goed, dit punt beslaat slechts één bladzijde van het boek.

Het is een goede zaak dat Van de Kamp de kindertransporten op deze invoelende manier tot leven heeft gebracht. Wat hebben ook Joodse kinderen die geen kamp hebben gezien geleden door hun verlorenheid bij vreemde mensen en vaak zelfs in een vreemd land. En wat verschrikkelijk was het toen na de oorlog bleek dat hun verlorenheid nooit meer zou overgaan omdat de meeste geliefden gruwelijk vermoord waren. Hoe ter wereld kunnen er dan nog mensen zijn die Hitler verheerlijken en het nazisme nieuw leven willen inblazen?! Maar ik weet het: van mensen kun je alles verwachten, gezien alleen al wat op dit moment kinderen in Syrië of in midden-Afrika aangedaan wordt.

Ziekmakende moeders

Het menselijke brein kan soms bizar functioneren. Dat bewijst alleen al het fenomeen van het syndroom van Münchhausen. Dat is een psychiatrische aandoening waarbij iemand fantasieverhalen vertelt over ziekten bij zichzelf om aandacht te krijgen. Dergelijke patiënten kunnen zo ver gaan dat ze zichzelf ziek maken of verwonden.
Nog vreselijker is het syndroom van Münchhausen by proxy. In dat geval is iemand erop uit om aandacht van hulpverleners te trekken door een ander die aan haar/zijn zorg is toevertrouwd patiënt te maken. Vaak betreft dat een moeder die gefantaseerde ziekteverhalen over haar kind vertelt of die haar kind dwingt gefantaseerde klachten aan artsen te uiten. Helaas komt ook vaak voor dat zo’n moeder haar kind door het toedienen van medicatie of van verwondingen letterlijk ziek maakt. Soms gaat zo’n ziekmakende moeder zo ver dat ze haar kind vermoordt. Want ze heeft maar één doel: de aandacht van haar omgeving moet naar haar uitgaan, de zielige moeder van dat zieke kind. En ze heeft emotioneel en ethisch geen enkele rem om dit te realiseren ten koste van haar kind.
Dit is zo’n ongeloofwaardig fenomeen en moeders hebben als dé kenners van hun kind zo veel gezag dat het meestal lang duurt voordat hulpverleners door hebben wat er gaande is. En soms zijn ze te laat: dan is het kind al blijvende schade toegebracht of is het kind al niet meer levend.

Nina Blom heeft over haar eigen ervaringen met dit syndroom het aangrijpende boek Je bent een verschrikkelijk kind (2011) geschreven. Zij is maar liefst veertien jaar door haar moeder ziek gemaakt. Opmerkelijk is hoe haar vader haar moeder nooit ook maar even heeft proberen te stuiten: hij is helemaal in de gekte van z’n vrouw meegegaan. En na elk onderzoek kwamen de artsen tot de conclusie dat ze echt niks konden vinden. Maar ja, de moeder was zo overtuigend. zo dwingend en Nina kwam zelf ook met zulke (door haar moeder haar gedicteerde) klachten, dat de artsen zich toch telkens genoodzaakt voelden opnieuw onderzoek te doen. Meestal waren dat niet dezelfde artsen: als de moeder vond dat ze te weinig erkenning kreeg ging ze weer naar een andere specialist en/of ander ziekenhuis.
Tijdens zulke trajecten gaf de moeder geen krimp, zelfs niet als een onderzoek uitermate belastend was voor haar kind, zoals een beenmergpunctie, een ruggenprik, maagonderzoek en een spierbiopsie. Maandenlang heeft ze thuis de armen en benen van haar kind ingezwachteld, met als resultaat dat haar kind volledig bedlegerig werd.

Empathie met het lijden van haar kind ontbrak volledig. Het kind was er alleen om aandacht voor haar te genereren. Toen ze eens met Nina een fotoalbum doorbladerde en daar een foto tegenkwam van een driejarig dansende en zingende Nina, was de reactie van haar moeder: ‘Hier, moet je eens kijken wat een verschrikkelijk kind je bent. Ik haat je zo erg (…) Je wilde altijd in de schijnwerpers staan met je vrolijke gedoe.’ Doorbladerend kwamen ze nog zo’n kleine Nina tegen die als jarige met haar handjes in de lucht naar de slingers wees. ‘Hier, nog zo’n uitbundige foto van jou. Ik haat je’, herhaalde haar moeder. Hoe zij haar dochter verafschuwde bleek ook uit het feit dat ze haar kind aan de haren trok en verschillende keren tot stikken toe een kussen op het hoofd drukte. En dit alles is nog maar een fractie van wat haar moeder haar kind heeft aangedaan.
Verbijsterend is hoe Nina tot het laatste toe loyaal bleef aan haar ouders. Zelfs als artsen haar apart spraken, bleef ze de lesjes opzeggen die haar moeder haar had voorgekauwd.

Op een gegeven moment was het kind er zo slecht aan toe dat haar ouders bij de artsen bepleitten dat op haar euthanasie zou worden toegepast. En ze voegden daaraan toe: ‘Nina wil toch zelf ook dood. Een hond hadden jullie allang laten afmaken.’ Pas toen was de kinderarts ervan overtuigd dat het probleem niet het zieke kind was maar de ziekmakende moeder. Het ouderlijke gezag werd toen opgeschort en Nina werd definitief uit huis gehaald om zo te kunnen werken aan haar herstel. Haar revalidatie heeft maanden geduurd tot ze eindelijk weer normaal kon eten en lopen. Ook heeft het haar daarna nog jaren gekost voordat ze haar leven op orde had.

Op dit moment zet ze zich door haar ‘Stichting overlevers Münchhausen by proxy’ (zie: Stichting) ervoor in om lotgenoten te ondersteunen en hulpverleners meer alert te maken voor het onderkennen van dit syndroom.

Tegenwoordig wordt gewerkt aan een landelijk elektronisch patiëntendossier. Velen staan daar kritisch tegenover vanuit het oogpunt van de bescherming van de privacy. Dat snap ik, zeker als de zorgverzekeraars ook toegang zouden krijgen. Tegelijk was in het geval van Nina door een landelijk verplicht registratiesysteem eerder het patroon ontdekt van een moeder die bij telkens wisselende specialisten en ziekenhuizen ten koste van haar kind haar gelijk probeerde te halen. Alleen al daarvoor wil ik best iets van mijn privacy inleveren.

Silvio Pellico

Op het Congres van Wenen, dat na Napoleons nederlaag in 1814 werd gehouden, werd Italië verdeeld onder verschillende vorstenhuizen. De Oostenrijkse Habsburgers beheersten grote delen van Noord-Italië. In toenemende mate kwam daar verzet tegen van patriottisch gezinde Italianen. Bekend waren de carbonari (kolenbranders), leden van een geheime, revolutionaire groepering, die verdrijving van de Oostenrijkers voorstond en streefde naar de vorming van Italië tot een eenheid. De Oostenrijkse keizer greep keihard in en talloze carbonari werden voor jaren gevangen gezet. Een van hen was de schrijver Silvio Pellico (1789-1854). Hij heeft ruim tien jaar achter de tralies gezeten (1820-1830) – in voorarrest in Milaan en Venetië en na z’n veroordeling in het kasteel Spielberg, vlakbij Brünn (nu: Brno), wat tegenwoordig ligt in de Tsjechische regio Zuid-Moravië. Pellico heeft verslag gedaan van zijn ervaringen in het boek ‘Le mie prigione’, in 1896 vertaald als Mijne kerkers.

Doordat deze vertaling meer dan een eeuw oud is en de vertaler ook nog plechtiger Nederlands gebruikt dan iemand als Multatuli decennia eerder, doet dit boek ouderwets aan. Maar wie hier doorheen kan kijken, zal alleen maar genieten van deze kroniek. Van het begin tot het eind ziet Pellico kans ons door z’n menselijkheid te boeien.

Heel open schrijft hij over zijn emotionele en geestelijke situatie. Telkens komt naar voren hoe het gemis van de mensen die hem dierbaar zijn aan hem vreet. Dit wordt verergerd door het feit dat het uitwisselen van brieven en het bezoeken van hem verboden zijn, zodat hij onbekend is met hun wel en wee. Mee hierdoor worstelt hij met aanvallen van somberheid en wanhoop, maar vaak lukt het hem toch te genieten van de contacten met medegevangenen of cipiers.
Er zijn momenten dat hij vol haat zit tegenover z’n tegenstanders, maar steeds weer zet hij zich ervoor in dat hij zich niet door z’n destructieve gevoelens laat beheersen: hij wil beslist voorkomen verbitterd te raken. Tijden is hij vol vertrouwen in Gods leiding van zijn leven en in Gods zorg voor hem, maar die  worden gevolgd door tijden dat hij twijfelt aan de betrokkenheid en zelfs aan het bestaan van God.

Je vraagt je af hoe een mens zo’n lange gevangenisstraf kan uithouden. Afgezien van de al genoemde innerlijke problemen hebben Pellico en zijn medegevangenen het ook fysiek zwaar te verduren. Zo heeft Pellico zelf herhaaldelijk te kampen met ziekte, terwijl verschillende van zijn collega’s de ontberingen uiteindelijk niet overleven, ondanks alle medische zorg.

Fascinerend is te merken hoe inventief een gevangene als Pellico is om z’n lange dagen van eenzaamheid zinvol te vullen. Zo kan hij zich lang bezighouden met arbeidzame mieren in z’n cel. Verder leert hij om in gedachten verzen te maken en zelfs hele toneelstukken. Gelukkig wordt het hem vaak gegund boeken te lezen, waardoor zijn cel soms lijkt op die van een monnik.

Intussen blijft het een wonder dat iemand zo’n lange zware periode overleeft. Een mens is kennelijk in staat zich aan extreme situaties aan te passen.

Goed om over te lezen zijn z’n ervaringen met de Oostenrijkse pastoors die hem in de gevangenis opzoeken. Protestantse lezers zijn wellicht geneigd te verwachten dat Pellico als intellectueel negatieve verhalen over hen gaat vertellen. Het tegendeel  is het geval. Hij is vol bewondering voor hun ontwikkeling en voor hun trefzeker, empathisch pastoraat. De contacten met hen betekenen veel voor hem.
Ook het persoonlijk bijbellezen is belangrijk voor hem. Er wordt wel gezegd dat pas het Tweede Vaticaanse Concilie uit de jaren zestig van de vorige eeuw katholieken gestimuleerd heeft om de Bijbel te lezen. Uit Pellico’s boek blijkt dat in zijn tijd bijbellezen door gewone gelovigen niet ongebruikelijk was.

Mij als noordeling heeft het verbaasd hoe vaak en langdurig Pellico, z’n medegevangenen en zelfs ook cipiers zich al ‘wenend’ laten gaan en hoe hartstochtelijk al die mannen elkaar bij allerlei gelegenheden omhelzen. Tranen en aanrakingen zijn mij gelukkig niet onbekend maar vergeleken met hen heb ik een armzalig gevoelsleven.

Via internet kwam ik te weten dat in het voorjaar van 2017 een nieuwe vertaling uitkomt. Ik zal die zeker aanschaffen en dan het boek nog eens lezen. Psychologisch en godsdienstig is het herlezing meer dan waard. Je ontmoet in deze kroniek iemand die zich als mens en christen vergaand blootgeeft en jou voor hem inneemt door zijn ontwapende openhartigheid over z’n sterke én zwakke kanten.

PS Mei 2017 heb ik de nieuwe vertaling van het boek gelezen. Daardoor komt de persoon van Pellico met z’n emoties en geloof nóg beter uit. Aan deze editie zijn enkele hoofdstukken toegevoegd, waarin Pellico beschrijft hoe lang het geduurd heeft dat hij weer op krachten was. Ook vertelt hij dat hij dit boek geschreven heeft op aansporen van zijn Turijnse biechtvader om te getuigen van ‘de immense barmhartigheid van de Heer’ en om de waarde van het katholieke geloof te laten uitkomen. De schrijver van het, overigens instructieve, nawoord wantrouwt deze motivatie en typeert die als een slimme zet. Volgens hem was het ter wille van de censuur dat Pellico zijn memoires als een bekeringsgeschiedenis heeft ingekleed.
Het is waar, verschillende keren geeft Pellico zelf aan dat hij zwijgt over de politieke kanten van zijn gevangenschap. Ook heeft hij om de censuur voor te zijn vast wantoestanden in zijn gevangenissen toegedekt. Maar als ik naar Pellico luister kan ik hem niet anders zien dan als een mens die oprecht worstelt met zijn geloof en met Gods opdracht goed te denken over zijn medemensen.

Karl May

Tijdens een korte vakantie naar Dresden ben ik, samen met m’n jongere broer, naar Villa Shatterhand en Villa Bärenfett oftewel het Karl-May-Museum in Radebeul geweest. Van deze best verkochte Duitse auteur over met name Old Shatterhand en de Apache Winnetou en over Kara Ben Nemsi en de moslim Hadsji Halef Omar bestaat zelfs een historisch-kritische editie van (gepland) meer dan 90 gebonden boekwerken. Door mijn bezoek aan dit museum is mijn interesse in deze schrijver van mijn jeugd flink geactiveerd.

De persoon Karl May blijkt heel gecompliceerd te zijn en zijn werk bevat verschillende lagen. Voor een biografische schets, zie: Schets; voor een diepgravende Duitstalige beschrijving, zie: Wohlgschaft. Van dit werk uit 1994 is in 2005 een nieuwe, driedelige editie uitgekomen van maar liefst 2013 bladzijden, met daarbij nog 300 bladzijden kroniek en registers: een biografische, psychologische en theologische goudmijn en een genot om te lezen.

May is in 1842 onder armoedige omstandigheden geboren in Saksen. De eerste vier jaren was de kleine Karl grotendeels blind, wat vast z’n verbeeldingskracht heeft bevorderd; pas na een operatie is z’n handicap verholpen. De opvoedingsmethoden van z’n vader waren hardhandig, terwijl die vader door z’n gefrustreerde ambitie ook nog een grote druk legde op de kennisontwikkeling van Karl. Hij ging leren voor onderwijzer en is dat ook een tijdje geweest. Omdat hij een geleend horloge naar huis had genomen, is hij voor zes weken in de gevangenis terechtgekomen, wat het einde betekende van z’n schoolloopbaan. Door deze ervaring is hij psychisch ontregeld geraakt waardoor hij langzaamaan z’n grip kwijtraakte op het verschil tussen fantasie en werkelijkheid. Verschillende keren maakte hij zich schuldig aan oplichting, wat hem de excessieve straf opleverde van vier jaar werkhuis; na 3½ jaar kwam hij vrij.
Thuis hoorde hij van het overlijden van z’n lievelingsoma, die hem als kind altijd op bijbelverhalen en sprookjes getrakteerd en hem altijd met veel warmte gesteund had. Hierdoor raakte hij weer z’n geestelijke balans kwijt, met als gevolg dat hij opnieuw als oplichter actief werd. Ook al was de schade daarvan nog geen 1000 Mark, dit keer werd hij veroordeeld tot vier jaar tuchthuisstraf – zonder dat ook maar iets rekening werd gehouden met z’n geestelijke toestand. In de gevangenis kreeg hij goede begeleiding van een katholieke catecheet; op een gegeven moment ging hij, al was hij luthers, bij katholieke kerkdiensten het orgel bespelen.

Hoe vreselijk deze gevangenisperiode voor May ook geweest is, hierdoor werd hij wel gestimuleerd z’n grote fantasie te richten op het schrijven van verhalen. Het resultaat daarvan vinden we in de beroemde boeken over onder meer het Wilde Westen en de Oriënt. Dat May moeite bleef houden met het onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid blijkt uit het feit dat hij zich in de jaren negentig van de 19e eeuw met Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi heeft vereenzelvigd en in zijn contacten met zijn fans zichzelf ongekende vaardigheden toeschreef. Door een wapenmaker liet hij zelfs de geweren van z’n helden namaken, die hij vervolgens aan z’n publiek toonde op foto’s en tijdens presentaties. Treffend is dat hij in diezelfde tijd het hartverscheurende lied ‘Vergiß mich nicht’ componeerde, zie: tekst en muziek:

Hoog gewaardeerde boeken uit je jeugd herlezen is niet zonder risico: je loopt de kans dat ze alsnog door de mand vallen. Dat is met Karl May bepaald niet het geval. Alleen al de eerste 25 van de 50 Spectrum-delen over de bovengenoemde helden heb ik met groot plezier herlezen. Voor een compleet overzicht van deze serie, zie: Werken.
Om een uitdrukking van m’n moeder te gebruiken: het zijn echt gezellige boeken. May kan onderhoudend schrijven. De verhaallijnen zijn spannend, de dialogen zijn vaak humoristisch, de natuurbeschrijvingen zijn beeldend en tussendoor word je op de hoogte gebracht van de gebruiken en opvattingen van diverse volken en stammen.

Natuurlijk zie ik de beperkingen van May. Z’n held Old Shatterhand of Kara Ben Nemsi is wel erg voorbeeldig en vaardig. Of mensen niet deugen kan hij meestal van hun gezicht aflezen. Er is sprake van blanke superioriteitsgevoelens tegenover oosterlingen en zwarten. Ook is hij voor onze tegenwoordige beleving soms te uitvoerig in z’n beschrijvingen. Maar dat weerhoudt mij niet om gewoon van May’s vertelkunst te genieten. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het eenmaal niet droog hield, namelijk toen de dood van Winnetou beschreven werd (deel 12). Het Maria-lied dat pal voor Winnetou’s sterven gezongen werd, gaat terug op een compositie van May, zie: Ave Maria muziek en tekst. Ontroerend is trouwens ook de beschrijving van de dood van z’n paard Rih (deel 24).
Fascinerend is hoe nader onderzoek heeft aangetoond dat May’s boeken vol zitten van verkapte verwijzingen naar de diverse aspecten van zijn levensverhaal. Z’n biograaf heeft het dan ook telkens over ‘Ich-Derivate’ in May’s werk.

Wat mij bijzonder aanspreekt is de christelijke kleur van May’s boeken. Telkens draagt Old Shatterhand of Kara Ben Nemsi het gebod tot vergevingsgezindheid en liefde uit, waarom hij boeven laat lopen, kwetsbare armen helpt en zich afzet tegen de wereldwijde westerse geldingsdrang. Maar het gaat verder. Zo doet Old Shatterhand z’n best om stervende boeven tot inkeer te brengen, zodat ze alsnog ‘de Heiland’ gaan erkennen. En Kara Ben Nemsi verdedigt de waarde van het christelijk geloof boven de islam, waarbij het God-zijn van Christus en diens plaatsvervangend lijden expliciet vermeld worden. Beiden doen hun best mensen met God te verzoenen die uit onvrede over hun levenservaringen het geloof in God zijn kwijtgeraakt; zie vooral deel 25, hoofdstuk 5.
Dit deel 25 is extra interessant door wat ontbreekt: omdat de redacteur de stof uit ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel I-II anders heeft verdeeld dan Karl May zelf, zijn in dit deel 25 onder meer opmerkingen geschrapt over Gods bestuur en een beschouwing over de mens en zijn lot alsook het gesprek van Kara Ben Nemsi met een moslima (Halefs vrouw Hanneh) over haar ziel en het gesprek van hem en Halef over hun vrouw, resp. Hanneh en Emma, zie: Aanvullingen. (Ook weggelaten zijn trouwens de avonturen van Old Shatterhand, na Winnetou’s dood, met Jim+Tim Snuffle en Mirza Dshafar, verteld in hoofdstuk 1-2 van ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel I, zie: Avonturen).
Dit alles maakt duidelijk dat May meer wilde geven dan onderhoudende verhalen: in z’n boeken wilde hij ook leraar, zelfs prediker zijn. Soms gaat hij in zijn beschrijving van Gods leiding of straf zo ver dat het gekunsteld aandoet, al blijven eveneens die verhalen boeien: Kalendergeschichte; zie ook de vertaling van twee van die verhalen: De gevloekte  en  De leeuw van de bloedwraak

Ik moet ook wel eens lachen: in het eerste Winnetou-deel stelt Sam Hawkens voor te gaan jagen, waarop Old Shattterhand, nog maar vers in het Wilde Westen, tegenwerpt: ‘Op zondag?’ Prachtig vind ik dat. Verschillende keren kun je het dank zij de bijdrage van onze held meemaken dat ruige westmannen hun hoeden afzetten en hun handen vouwen.

Even vóór 1900 raakte May uitgekeken op het schrijven van vooral spannende verhalen, met als gevolg dat het levensbeschouwelijke in zijn latere werken (waarvan recent haast niets vertaald is) al meer naar voren komt. Am Jenseits (1899) is daarvan het eerste duidelijke voorbeeld. Deze koerswijziging is versterkt door zijn reis van 16 maanden naar vooral het Midden-Oosten, Ceylon en Sumatra.

Triest vind ik hoe May’s laatste jaren overheerst zijn door een hetze tegen hem, waarbij May’s identificatie met z’n held werd doorgeprikt en ook z’n gevangenisverleden breed werd uitgemeten. Het getuigt van May’s karakter dat hij uitgerekend in die tijd Und Friede auf Erden (1904) publiceerde. In dit boek uit hij zich kritisch over het destructieve westerse imperialisme en spreekt hij waarderend over wat Azië cultureel en religieus te bieden heeft. Verder schrijft hij over de ‘Shen’, de bond van hen die zich hebben verplicht nooit anders dan alleen humaan te handelen, waarbij niet als streven geldt gelukkig te wórden maar gelukkig te máken.
Die hetze tegen hem heeft May gestimuleerd nog meer aandacht te vragen voor z’n boodschap over liefde voor de naaste en vrede tussen de volken. Ook stopte hij ermee Old Shatterhand en Kara Ben Nemsi als z’n andere ik te presenteren; hij beschouwde hen nu als symbolische dragers van z’n boodschap. Zie: ‘Im Reiche des silbernen Löwen’ deel III (1902) en deel IV (1903), ‘Ardistan und Dschinnistan’ (1909; zie: Deel I en Deel II; zie ook de digitale vertaling) en ‘De boodschap van Winnetou’ (1910; deel 13 uit de serie van Het Spectrum).
Van deze werken vanaf 1899 wordt in het naschrift op blz.377 van deel 25 van de Spectrum-serie opgemerkt: “Slechts weinigen onder onze lezers zullen Karl May hier willen volgen.” Daartegenover wil ik graag verdedigen dat vooral deze werken het waard zijn om ze te herlezen en te overwegen.

Ondanks alle verguizing van hem heeft Karl May een week voor z’n sterven in 1912 nog voor meer dan 2000 toehoorders in Wenen kunnen spreken. Z’n toespraak had als titel: ‘Empor ins Reich der Edelmenschen’. Eén van z’n enthousiaste toehoorders was Hitler, maar diens latere ‘Uebermensch’ met z’n meedogenloze arrogantie stond vreemd tegenover May’s edelmens met z’n hang naar liefde en vrede.

De advocaat van de duivel

Ik ben weer eens begonnen met het herlezen van m’n verzameling romans van de Australische auteur Morris West. Zijn naam ontbreekt in de ‘Moderne Encyclopedie van de wereldliteratuur’ uit 1980-1984, maar de boeken die ik van hem heb zijn voor mij puur genieten.
Hij heeft onder meer vier boeken geschreven over de paus in het Vaticaan: ‘In de schoenen van de visser’ (1963), ‘Gods kleine clowns’ (1982) en de daarop volgende maar helaas onvertaald gebleven romans ‘Lazarus’ (1990) en ‘Eminence’ (1998). Deze vier boeken zijn duidelijk verbonden met de tijd van hun ontstaan. Die context mag verleden tijd zijn, dat doet geen afbreuk aan het boeiende van deze boeken. Daarin word je meegevoerd in de wereld van de hiërarchische top van de katholieke kerk, met alle politieke intriges die daarbij horen. Maar wat mij vooral in deze vier boeken aantrekt zijn de levensbeschouwelijke thema’s die worden aangesneden. Luisterend naar de spirituele gesprekken van de verschillende personages word ik als lezer herhaaldelijk stilgezet om te peinzen over m’n eigen keuzes en waarden.

West is als auteur doorgebroken met De advocaat van de duivel (in 1961 in het Nederlands verschenen). Daarin beschrijft hij hoe een Engelse priester, werkzaam in Rome, de opdracht krijgt onderzoek te doen in een dorpje in Calabrië in Zuid-Italië. Als advocatus diaboli moet hij door het verzamelen van getuigenverklaringen en door het toetsen van de feiten antwoord krijgen op de vraag of een gedeserteerde  Engelse militair, die door communistische partizanen is terechtgesteld, wel terecht in die regio als heilige wordt vereerd. Dit als voorbereiding op een officieel proces voor zaligverklaring.

De priester heeft net te horen gekregen dat hij door z’n maagkanker niet lang meer te leven heeft. Daardoor wordt hij aan het denken gezet wat z’n leven tot dan toe voor betekenis heeft gehad. Jarenlang heeft hij stoffige dossiers bestudeerd om materiaal te verzamelen voor of tegen iemands zalig- of heiligverklaring. Al was hij formeel priester, nooit is hij een priester geweest voor mensen van vlees en bloed. Door zijn functie als advocaat van de duivel krijgt hij eindelijk de kans heuse mensen te ontmoeten.

Voor het eerst in z’n leven ervaart hij vriendschap. Allereerst met de bisschop in Calabrië bij wie hij z’n onderzoekswerk begint; daarna met de Joodse arts uit het dorpje, waar de vermeende heilige in de nadagen van de oorlog een tijd geleefd heeft.
In het dorpje logeert de priester-onderzoeker in het kasteel van een jonge Engelse weduwe, die het eigenlijk nergens kan vinden. Aan het einde van hun contact lukt het hem haar een en ander aan te reiken waardoor zij haar leven meer richting kan geven.
Heel ongelukkig verloopt z’n contact met een andere logé in het kasteel, een tweederangs Engelse schilder. De manier waarop diens homoseksualiteit wordt beschreven, doet erg gedateerd aan; tegelijk komt diens zelfverdediging weer heel modern over. De priester vindt het moeilijk met deze man om te gaan – begrijpelijk gezien z’n wereldvreemdheid en de tijd waarin hij leefde.

Heel vormend voor deze Romeinse priester-ambtenaar is zijn ontmoeting met de plaatselijke pastoor. Die blijkt al decennia lang samen te wonen met een eenvoudige vrouw, is aan drank verslaafd en vertoont weinig toewijding aan z’n ambt. De bisschop was hiermee bekend, maar had hem toch niet aangepakt omdat hij oog had voor de lastige situatie waarin deze pastoor verkeerde. Geconfronteerd met de weerbarstige praktijk ontstond bij de priester-ambtenaar begrip voor de bisschoppelijke handelwijze.

Boeiend en soms aangrijpend is wat de Joodse arts en de vroegere minnares van de deserteur vertellen over wat vijftien jaar eerder, in de laatste periode van de oorlog in die regio had plaatsgevonden.
Het boek maakt duidelijk dat West grondig studie heeft gemaakt van z’n onderwerp. En ook nu weer slaagt hij erin de lezer aan het denken te zetten over zijn of haar eigen leven.

Mintijteer

Esther Maria Magnis heeft met de roman Mintijteer (2016) een indrukwekkend boek geschreven. Het Duitse origineel heeft als titel: ‘Gott braucht dich nicht. Eine Bekehrung.’ Dat geeft in eerste instantie beter zicht op de inhoud van het boek.
Ze is kind van een evangelische vader en een katholieke moeder en bezocht samen met haar broertje en zusje geregeld beide kerken. Zelf is ze nu praktiserend katholiek.
Zoals uit interviews met haar blijkt is het een autobiografisch werk, waarin Magnis beschrijft hoe zij als 15-jarige hoorde dat haar vader kanker had. Na anderhalf jaar gestreden en geleden te hebben, stierf hij. Zeven jaar daarna bleek haar jongere broer Johannes maligne melanoom te hebben, waaraan ook hij algauw is overleden. Magnis was toen nog maar 24 jaar. Verpletterende ervaringen.

Magnis’ boek wordt wel eens getypeerd als religiekritiek. In een bepaald opzicht is dat terecht. Van jongs af aan moet zij er niks van hebben dat het christelijk geloof tandeloos gemaakt wordt. Zo verzet zij zich tegen predikers die de wonderen van Jezus symbolisch uitleggen of die de boodschap verpolitieken – met als gevolg dat de kerk niks eigens meer te bieden heeft in vergelijking met wat in de samenleving aan ideeën bestaat.
Dat betekent beslist niet dat ze houvast zoekt in glad-gepolijste vroomheid met een lieve God die alleen maar aardige dingen doet. Haast aan het einde van het boek verklaart ze: ‘God is verschrikkelijk. Hoe oneindig groot zijn liefde en genegenheid voor de mensen ook zijn mag.’ En een paar regels verder: ‘Het is een leugen die je in allerlei kerken te horen krijgt: wij hebben geen vreesgeloof, maar een praisegeloof. Dat is niet waar.’
In dat opzicht kun je haar boek religiekritiek noemen, want ze erkent het weerbarstige, het ‘vreemde’ van het christelijk geloof.

Terug naar het begin. Ontroerend is hoe ze vertelt dat zij en haar broertje en zusje telkens op zolder bij elkaar kropen om God te smeken haar vader beter te maken. Maar als hij dan toch overlijdt, stort haar wereld, ook haar geloofswereld in. Ze breekt met God, schreeuwt zelfs haar haat tegen Hem uit. Vier jaar lang heeft ze haar best gedaan het zonder God te doen. Voor haar was dat geen echt leven; zonder God kon ze ook geen verbondenheid ervaren met de wereld en de mensen om haar heen.

Worstelend vindt ze de weg naar God terug. Daarbij heeft een herinnering uit haar vroegste jeugd een belangrijke rol gespeeld: het woord ‘mintijteer’. Die herinnering wordt bij haar geactiveerd doordat ze met haar dementerende oma een oud lied zingt. Ze realiseert zich dan opeens dat het merkwaardige woord ‘mintijteer’ een kinderlijke verbastering is van een zin uit dat lied: ‘(En ook mij) bemint Hij teer’. Het raakt haar diep. Achteraf gezien vormt de herkenning van dit woord het begin van haar hernieuwd geloof, maar ook van hernieuwde verbondenheid met de wereld om haar heen. Voor haar geldt: waarheid is God.  ‘Het leven van de mens is altijd een leven voor God.’

Op een gegeven moment begint Magnis weer in de Bijbel te lezen. Ze stuit dan op het boek Job. Ze herkent zich in de emoties van Job tegenover God maar voelt zich ook gesteund als verteld wordt dat God de mens op diens vragen geen verklaring geeft.

Maar dan wordt haar broer Johannes ziek. Een zware test voor haar geloof, maar dit keer kan ze zich aan God blijven vastklampen, want ze realiseert zich: ‘God heeft gezegd dat ieder in deze wereld zijn kruis op zich moet nemen en hem moet volgen. Er staat nergens dat we hier een leuke tijd zullen hebben. Ons geloof heeft weet van de complete rotzooi die deze wereld is. Daar schrik je van. En dan pas komt de blijde boodschap.’ Tot haar eigen verwondering groeide haar geloof in God. Ze erkent: ‘Het is niet iets wat ik zelf doe.’

Het boek is in toegankelijk taal geschreven. Toch leest het vaak niet makkelijk, alleen al door de innerlijke dialogen met hun beeldspraak. Maar wat wil je, Magnis heeft het over verdriet, wanhoop, woede, verlatenheid, over de ondoorgrondelijkheid en het zwijgen van God, kortom over heftige rouw. Het zoeken van een weg op dat chaotische terrein verloopt per definitie moeizaam, altijd al en zeker voor een jongere als Magnis toen was. Om deze reden vraagt dit boek om herlezing, maar het hoofdmotief om te herlezen is de  waarde van dit boek.

Institutie van Calvijn

Eindelijk is het ervan gekomen om het hoofdwerk van Johannes Calvijn uit 1559 achter elkaar te lezen: Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst. Mijn editie bestaat uit twee banden, is vertaald door C.A. de Niet en is in 2009 uitgekomen.
Het is een imposant werk, allereerst door de omvang: deel I bevat, afgezien van de inleiding, 722 bladzijden en deel II 684. Daarnaast komen dan nog 84 bladzijden registers.
Imposant is het werk ook door de ogenschijnlijk makkelijke manier waarop Calvijn strooit met bijbelteksten en citaten van auteurs, van Augustinus (overleden in 430) t/m Johannes Eck (overleden in 1543).

Eerlijk gezegd heb ik het werk niet met plezier gelezen. Daarbij denk ik niet aan de vele scheldwoorden waarmee Calvijn z’n tegenstanders wegzet, want op internet en zelfs in de Tweede Kamer kom je dat tegenwoordig ook tegen.
Mijn gebrek aan leesplezier heeft andere oorzaken.

Allereerst heeft dat te maken met de stijl waarin Calvijn schrijft. Hij beweert zelf: ‘Van nature houd ik van bondigheid; als ik al omstandig over iets zou willen spreken, zou ik daar misschien niet eens in slagen (…) De opzet van het werk eist dat we in zo weinig mogelijk woorden een eenvoudig overzicht van de leer geven’ (I, 664a). Ik wil best aannemen dat dit klopt als je Calvijns tekst vergelijkt met andere auteurs uit zijn tijd, maar op mij komt zijn schrijven over als breedsprakig – ondanks de op zichzelf heldere vertaling van De Niet.
Daar komt bij: doordat Calvijn telkens afwijkende visies behandelt en hierdoor z’n onderwerpen van verschillende kanten benadert, komen in z’n werk vele herhalingen voor. Ook vind ik z’n benadering soms erg spitsvondig en perst hij bijbelteksten nog al eens binnen zijn denkschema. Kennelijk wil hij koste wat het kost z’n tegenstanders schaakmat zetten.
Wat ook vervreemdend werkt is zijn voortdurende confrontatie met middeleeuwse theologen als Thomas van Aquino en Petrus Lombardus en met tijdgenoten als Michael Servet, Osiander en Johannes Eck – met probleemstellingen die christenen vandaag niet aanspreken. Ook de meer dan 200 bladzijden over de sacramenten zijn voor mij te veel van het goede.

Tegen de achtergrond van de discussie over de kinderdoop in de Gereformeerde Kerken in de oorlogsjaren is Calvijns opvatting opmerkelijk. Tegenover de wederdopers erkent hij dat de doop hoort samen te gaan met geloof. Maar hoe kun je dan de kinderdoop nog verdedigen? Een belangrijk argument voor Calvijn is de betekenis van Gods verbond met de gelovigen én hun kinderen. Daarnaast schrijft hij ‘dat kinderen gedoopt worden met het oog op hun toekomstige bekering en geloof.’ Maar dan volgt een merkwaardige speculatie, die hij verbindt met Lucas 1:44 (waar vermeld wordt dat de ongeboren Johannes opspringt in de schoot van z’n moeder Elisabet): Al hebben bekering en geloof in kinderen ‘nog geen gestalte gekregen, toch ligt door de verborgen werking van de Geest de kiem van die beide in hen verscholen’ (II, 527b).

Er staan meer zaken in de Institutie waar wij tegenwoordig anders tegenaan kijken. Calvijn erkent uiteraard de wereld en onze lichamelijkheid als Gods schepping. We mogen dan ook geen afkeer hebben van het leven maar mogen genieten van Gods zegeningen. Tegelijk typeert hij ons lichaam herhaaldelijk denigrerend als ‘de kerker van ons vlees’, ziet hij de aarde als het oord van onze ballingschap en roept hij op het leven te verachten. Dit heeft vast alles te maken met de tijd van toen: het leven van de mensen was zwaar, ook door onbehandelbare ziekten en telkens uitbrekende oorlogen, terwijl gelovigen bovendien vaak te maken hadden met vervolging. Geen wonder dat toenmalige christenen meer naar de hemelse toekomst keken dan naar het mooie om hen heen.
Hier ligt, denk ik, ook de verklaring dat hij amper aandacht geeft aan de nieuwe aarde. Natuurlijk gelooft Calvijn aan de opstanding van ons lichaam, maar dat ons een glorieus leven wacht in een vernieuwde wereld krijgt amper aandacht. Dat was de toenmalige theologische visie met haar nadruk op de hemelse glorie, maar dat hangt vast ook hiermee samen dat de toenmalige gelovigen maar weinig ervaring hadden met het voorproeven van de vernieuwde wereld.

Eenmaal ben ik erg verrast door de benadering van Calvijn: zo fel en vernietigend als hij zich opstelt tegenover de katholieke kerk met haar leer en praktijk, zo mild is hij tegenover kerkleden met afwijkende visies en gedragingen. Hij beroept zich daarbij op Christus’ gelijkenis uit Matteüs 13, dat op de akker het onkruid (de ongelovigen) samen opgroeit met het koren (de gelovigen). Bij de uitleg van deze gelijkenis zegt Christus dat de akker ‘de wereld’ is. Ik heb geleerd vervolgens te zeggen dat dit samen opgroeien in de kérk dus niet kan. Maar hoe past Calvijn die zinsnede van Christus toe? De akker is de kerk! En dat motiveert hem om foute kerkmensen vergaand te dulden (II, 228-229, 423-424). Hij moet er dan ook niets van hebben dat gelovigen om niet-fundamentele zaken uit de kerk vertrekken. De veelvoud van gereformeerde kerken en gemeenten in Nederland zou Calvijn dan ook vast met verontwaardiging hebben waargenomen.

Het is mooi te merken hoe hartstochtelijk Calvijn voor de waarheid opkomt. Hij is kennelijk geraakt door de bijbelse boodschap. Dat blijkt ook uit de manier waarop hij spreekt over God als onze Vader met zijn ‘vaderlijke genegenheid’, waarbij hij stelt dat ‘de kleine ruimte van ons hart de onmetelijke omvang van deze liefde niet kan bevatten’ (II, 105b).
Heel fundamenteel is Calvijns stelling dat geloof begint bij Gods belofte (I, 560-561) – dus niet bij onze beleving, voeg ik daar aan toe. Dat geeft houvast in tijden dat de ervaring door allerlei moeiten ontbreekt.
Boeiend is hoe Calvijn het vasten als onderdeel ziet van de tucht, want al vastend kun je beter focussen op het gebed (II, 429-432) – onderwijs dat wij in de loop van de tijd zijn vergeten maar waarvoor tegenwoordig weer aandacht wordt gevraagd.

Wie de 1406 bladzijden van de Institutie te veel van het goede vindt maar toch wil kennisnemen van Calvijns gedachtegoed, kan terecht in de drie belijdenisgeschriften die de Nederlandse protestanten kennen: De Nederlandse Geloofsbelijdenis uit 1561, de Heidelbergse Catechismus uit 1563 en de Dordtse Leerregels uit 1618/1619. De opstellers daarvan waren gedrenkt in Calvijns Institutie, maar hebben hier en daar ook correcties aangebracht. Dat geeft aan hoe veel invloed dit werk in die tijd gehad heeft. Dat verklaart meteen ook waarom ik al lezend weinig verrast ben door Calvijns Institutie: dit boek heeft z’n werk blijkbaar zo goed gedaan dat de inhoud ervan onder protestantse christenen tot op vandaag gemeengoed is.

De laatste op het schavot

De laatste weken heb ik me verdiept in m’n vertalingen van George Bernanos (1888-1948), met o.a. ‘Onder de zon van Satan’ en ‘Dagboek van een dorpspastoor’. Twee diepzinnige en aangrijpende boeken met in beide gevallen een bescheiden dorpspastoor als hoofdpersoon. Zij illustreren door hun beperktheid de waarheid van Gods woord aan Paulus: ‘Je hebt niet meer dan mijn genade nodig, want kracht wordt zichtbaar in zwakheid’ (2 Korintiërs 12:9).

Aangrijpend is ook het filmscript De laatste op het schavot (1989), een vertaling van ‘Dialogues des Carmélites’, gebaseerd op een Duitse novelle van Gertrud von le Fort. In 1957 componeerde Francis Poulenc op de tekst een opera.
Dit stuk beschrijft een kloostergemeenschap van zestien zusters van de Karmel uit Compiègne (een stad ten noordoosten van Parijs). Bij hen sluit zich Blanche de la Force aan, dochter van een markies, die ondanks haar naam psychisch zwak is want ze wordt beheerst door angsten. Die angsten worden gevoed door de dreiging van de Franse Revolutie, begonnen in 1789. Eerst lijkt die voorbij te gaan aan de kloostergemeenschap, wat de zusters de ruimte geeft zich op te houden met beuzelachtige zaken.  Maar dan komt de revolutie al dichterbij: angstaanjagende geluiden van roerige menigtes in de buurt, beperkende maatregelen, plunderende vandalen in het klooster en ten slotte het vertrek naar een gevangenis in Parijs. Onder leiding van hun wijze priorin doen de nonnen hun best zich zo goed mogelijk vanuit hun geloof met deze bedreigingen te confronteren.

Omdat er twijfels zijn aan de spankracht van Blanche heeft de priorin haar op tijd het klooster laten verlaten. Maar thuis komt ook Blanche keihard in aanraking met de Franse Revolutie: haar vader wordt geguillotineerd en zij wordt gedwongen als dienstmeisje te fungeren.
Maar zij is niet los van de Karmel. Als de vijftien nonnen (één verbleef elders) naar het schavot worden gebracht, is zij aanwezig onder de toeschouwers. Pal voor het schavot ‘zetten de zusters het Salve Regina in, dan het Veni Creator. Hun stemmen zijn helder en heel vast. De menigte zwijgt ontroerd. Men ziet slechts de onderkant van het schavot, dat de zusters één voor één beklimmen, nog altijd zingend, maar naargelang zij verdwijnen wordt het koor zwakker. Nog twee stemmen, nog één. Maar op dat ogenblik verheft zich, vanuit een andere hoek van het grote plein, een nieuwe stem, duidelijker, vastbeslotener nog dan de andere, met toch iets kinderlijks. En men ziet, door de menigte die onthutst uiteenwijkt, de kleine Blanche de la Force op het schavot toegaan. Alle angst is van haar gezicht verdwenen (…) Een groep vrouwen omringt Blanche, duwt haar naar het schavot; men verliest haar uit het oog. En ineens zwijgt haar stem, zoals één voor één de stemmen van haar zusters verstomden.’
En daarmee eindigt het stuk.

In het Nawoord van deze uitgave wordt vermeld dat het stuk teruggaat op de authentieke geschiedenis van zestien Carmelietessen die op 17 juli 1794 in Parijs zijn geguillotineerd. Verschillende namen in de novelle en in Bernanos’ stuk zijn verzonnen alsook de persoon van Blanche. Authentiek is dat zij allen het schavot al zingend beklommen.

Het lezen van dit stuk bevestigt mij weer eens in mijn onbegrip dat de Fransen de revolutie van 1789 vieren. Ik snap dit nog als ik kijk naar wat er in het eerste jaar aan staatkundige hervormingen heeft plaatsgevonden. In 1789 is immers de invloed van de derde stand vergroot ten koste van de adel en de geestelijkheid; ook is het grootgrondbezit aangepakt ten gunste van de gewone boeren. Maar aan wat in de jaren daarna is gebeurd kan toch alleen met huivering worden terug gedacht?  Alleen al de behandeling van die zestien Carmelietessen maakt het onmogelijk een feest te maken van de herinnering aan de Franse Revolutie. En dan noem ik nog niet eens de stromen van bloed door de guillotinering van duizenden anderen, de fusillades van opstandelingen en de ‘noyades’ (verdrinkingen) bij Nantes. Zie hiervoor de monografie van E.M. Janssen Perio, ‘Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie’, Baarn 1989. Door het grote getal van de slachtoffers komt de gruwel van de Franse Revolutie wat op afstand te staan, maar door Bernanos’ stuk worden enkele betrokkenen uit de anonimiteit gehaald en gaat hun lijden ons raken.