Categorie archief: Leeservaringen

Eeuwige schoonheid

Het zal 1963 geweest zijn dat ik uit de boekerij van m’n vader het boek ‘Eeuwige schoonheid‘ van E.H. Gombrich las. Ik vond het zo meeslepend dat het mij meteen duidelijk werd: ‘Ik ga kunstgeschiedenis studeren.’ Uiteindelijk ben ik niet verder gekomen dan tot het eerste jaar, met in 1965 een afsluitend propedeutisch examen, een kunstreis naar Toscane en een eindscriptie. Ondanks m’n gebleven liefde voor kunst heb ik de overstap gemaakt naar theologie in Kampen.
Nu, zo’n 55 jaar later heb ik ‘Eeuwige schoonheid’ weer gelezen, dit keer de luxe-editie uit 2017. Tot m’n tevredenheid kwamen de meeste namen en kunstwerken mij bekend voor. Blijkbaar ben ik indertijd in Leiden grondig onderricht en heb ik later m’n kennis goed op peil gehouden.

Nog altijd vind ik het een enthousiasmerend boek. Al komen er tientallen namen voorbij, nooit wordt het boek opsommerig. Gombrich vertelt het verhaal van kunstenaars die met behulp van vormen en kleuren recht proberen te doen aan wat zij kwijt willen. Elke vooruitgangsgedachte wijst hij af: ‘de geschiedenis van de kunst (is) geen verhaal van vooruitgang in technische bedrevenheid , maar van veranderingen in ideeën en behoeften’ (p.42). Dit motiveert hem om zich telkens de vraag te stellen waarom kunstenaar doen zoals ze doen. Dat voorkomt dat je meewarig kijkt naar kunstwerken die gebrekkig gemaakt zouden zijn.
Een prachtig voorbeeld is hoe Egyptische kunstenaars drieduizend jaar lang mensen afgebeeld hebben: je ziet het hoofd en de voeten opzij, de ogen en romp van voren. Daarover schrijft Gombrich: ‘Wij moeten vooral niet denken dat Egyptische kunstenaars meenden dat menselijke wezens er zo uitzagen (…) Het gaat erom dat de Egyptische kunst niet was gebaseerd op wat de kunstenaar op een gegeven ogenblik kon zien, maar eerder op wat hij wist dat tot een persoon behoorde.’ De kunstenaar hield ook rekening met wat hij van iemands betekenis wist. ‘Wij noemen soms een man een ‘hele baas’. De Egyptenaar beeldde de ‘baas’ groter af dan zijn bedienden en zelfs dan zijn vrouw.’ De enige die aan ‘de ijzeren tralies van de Egyptische stijl’ heeft geschud was de ketterfarao Achnaton. (p.59,61,65)
Heel anders gingen de latere Griekse kunstenaars te werk: zij begonnen hun ogen te gebruiken. Hun grootste ontdekking was de ‘verkorting’, waarbij ze bijvoorbeeld op beschilderde vazen een voet van voren gezien afbeeldden (p.74,76).

Het voert te ver om het hele boek te doorlopen. Ik noem enkele zaken die mij getroffen hebben.
Interessant is hoe de latere Griekse kunst invloed heeft uitgeoefend van Rome in het Westen tot India in het Oosten, met als gevolg dat er zowel lijnen lopen naar de vroegchristelijke en byzantijnse als naar de boeddhistische kunst (p.113-126).
Lang hebben christenen bezwaar gemaakt tegen beelden in de kerk, want die zouden te veel overeenkomen met ‘de gesneden beelden’ van de heidense afgoden. Over schilderingen dachten ze verschillend. Paus Gregorius de Grote (604 †) zei het zo: ‘Schilderingen kunnen voor de ongeletterden hetzelfde uitrichten als het schrift voor hen die kunnen lezen’ (p.131). De iconoclasten (beeldenstormers) in de Oosterse kerk bleven bezwaar houden. Vanaf 745 hebben ze decennia lang hun visie kunnen doorzetten. Maar uiteindelijk verloren ze het en sindsdien zijn iconen in de Oosterse kerk algemeen aanvaard, met als argument: ‘Als God in zijn genade heeft kunnen besluiten zich aan de blik van stervelingen te openbaren in de vorm van de mensgeworden Christus, waarom zou Hij zich dan ook niet in zichtbare afbeeldingen willen manifesteren? Wij vereren die afbeeldingen zelf niet zoals de heidenen deden. Wij aanbidden God en de heiligen door die afbeeldingen heen.’
Maar als iconen ‘mysterieuze weerspiegelingen van een bovennatuurlijke wereld’ waren, kon de Oosterse kerk ‘niet meer dulden dat de kunstenaar in deze werken de eigen verbeelding de vrije loop liet’. Het gevolg hiervan was dat de Byzantijnen, ‘bijna even nauwgezet als de Egyptenaren’, zich aan tradities hielden. (p.135).
In vergelijking hiermee komt de kunst in het Westen als rusteloos over, ‘tastend naar nieuwe oplossingen en nieuwe ideeën’ (p.181). Dat blijkt uit de bouwkunst, waarin de Romaanse stijl werd opgevolgd door de Gotiek. Dat blijkt ook uit de schilderkunst. Iemand als Giotto di Bondone (1337 †) volgde ‘de raad van de priesters die de mensen aanspoorden zich, als ze de bijbel en heiligenlegenden lazen, in de geest voor te stellen hoe het er moet hebben uitgezien’. Hij ‘rustte niet voordat hij alles opnieuw had uitgedacht.’ Daardoor schijnen wij ‘de werkelijke gebeurtenis bij te wonen’. (p.198)

Met Giotto begint een heel nieuw hoofdstuk in de westerse kunstgeschiedenis, waarbij zich telkens iets nieuws voordeed: kunstenaars lieten zich inspireren door wat de Romeinen aan gebouwen en beelden hadden nagelaten; het perspectief werd toegepast, waardoor schilders erin slaagden nog beter diepte te suggereren; er werd studie van de anatomie gemaakt door lijken te ontleden. In dit alles was Italië verder dan het Noorden, dat in de 15de eeuw nog trouw bleef aan de middeleeuwse traditie (p.264).
In deze tijd begon langzaam aan de positie van de kunstenaar te veranderen. Hij was ‘niet meer de handwerksman tussen anderen van zijn soort, gereed om bestellingen uit te voeren voor schoenen, kasten of indien men dat wenste, schilderijen. Hij was een kunstenaar.’ Vroeger was ‘het de vorst die zijn gunsten aan de artiesten verleende. Nu waren de rollen eerder omgekeerd, zodat de kunstenaars een rijke vorst of machthebber een gunst bewees door een bestelling van hem aan te nemen.’ (p.282-283)

Boeiend is als Gombrich wijst op de gevolgen van de protestantse reformatie in het Noorden: Duitsland, de Nederlanden en Engeland. Hij typeert die gevolgen zelfs als een crisis, want de kerk viel voor de beeldende kunst weg als opdrachtgeefster terwijl de noordelijke machthebbers minder uit waren op het inschakelen van kunstenaars dan hun Italiaanse collega’s. ‘Wat voor de kunstenaars als bron van regelmatige inkomsten overbleef, was de boekverluchting en het portretschilderen.’ (p.370) Maar er valt meer te zeggen, want er was ‘één protestants land waar de kunst de crisis van de reformatie ten volle doorstond – de Nederlanden’. Daar ‘specialiseerden zij zich in die onderwerpen waartegen de protestantse kerk geen bezwaar kon maken’: toneeltjes uit het dagelijks leven (p.377). Algauw zijn daar landschappen, stillevens en groepsportretten bij gekomen.

Ik sla Gombrichs beschrijving van de 17de en 18de eeuw over. Nieuw in de 19de eeuw was dat de kunstenaars toen het gevoel van veiligheid gingen verliezen. ‘De breuk met de traditie had het veld van de mogelijkheden onbeperkt voor hen opengelegd (…) Maar hoe groter het gebied van hun keuze was geworden hoe minder waarschijnlijk het werd dat de smaak van de kunstenaar overeenstemde met die van het publiek.’ (p.498) Het duidelijkst kwam die spanning naar voren toen de impressionisten zich gingen manifesteren. Hun schilderwerken werden aanvankelijk afgewezen en zelfs belachelijk gemaakt. ‘Het heeft tijd gekost voor het publiek leerde dat men een paar meter afstand moet nemen om een impressionistisch schilderij te kunnen waarderen en zo het wonder te beleven dat al die verwarrende vlekken plotseling op hun plaats terechtkomen en voor ons oog gaan leven.’ (p.517)
Belangrijk in de 19de eeuw was eveneens de ontwikkeling van de fotografie. Die was een klap voor de schilderkunst: ‘Het was niet meer nodig dat de schilderkunst een taak op zich nam die een mechanisch apparaat beter en goedkoper kon vervullen’. (p.518)
Interessant is ten slotte hoe Gombrich een verbinding legt tussen Cézanne en het kubisme, Van Gogh en het expressionisme, en Gaugin en de verschillende vormen van het primitivisme (p.548).
In zijn slotwoord wijst Gombrich er nog op dat het erkennen van meesterschap weinig te maken heeft met onze persoonlijke voorkeur of afkeuring. Zo kun je Rafaël prachtig en Rubens lelijk vinden, maar, zegt hij dan, mijn boek ‘zou niet aan zijn doel hebben beantwoord als lezers niet ook inzien dat beiden weergaloze meesters zijn’ (p.618).

Waar ik hierboven aandacht voor heb gevraagd is maar een fractie van wat Gombrich ons te vertellen heeft. Maar hopelijk heb ik een beetje kunnen aangeven waarom ik ‘Eeuwige schoonheid’ een meeslepend boek vind.
Natuurlijk is het geen perfect boek. Zo heb ik verwijzingen naar de literatuur en de muziek gemist en meestal ook de maatschappelijke en politieke context. Maar ja, dan had Gombrich aanzienlijk meer ruimte nodig gehad. Ondanks deze – te billijken – beperkingen van het boek blijf ik onverminderd enthousiast.

De keuze

De negentigjarige (!) Edith Eva Eger heeft met ‘De keuze. Leven in vrijheid‘ (2017) een indrukwekkend en vaak ontroerend boek geschreven. Daarin vertelt ze hoe ze in een Hongaars stadje in alle vrijheid opgroeide. Maar toen kwamen de nazi’s, die de joden al meer beperkingen oplegden, totdat zij in 1944 met haar ouders en haar oudere zus Marga naar Auschwitz werd gedeporteerd; zestien jaar was ze. Bij aankomst verwees Mengele haar ouders naar de rijen gevangenen die meteen vermoord werden. In het kamp maakte ze een verschrikkelijke tijd door. Ze overleefde die tijd mede dankzij de aanwezigheid en hulp van haar zus. Bovendien voelde ze een innerlijke kracht waardoor ze zich van binnen vrij voelde, ook door wat haar moeder haar tijdens het transport had gezegd: ‘We weten niet wat er gaat gebeuren. Maar onthou dat niemand dat wat je in je eigen gedachten hebt van je af kan pakken.’ Ze ontwikkelde een innerlijke stem die haar voorhield: ‘Dit is tijdelijk; als ik vandaag overleef, zal ik morgen vrij zijn.’  (p.53,63-64)
Toen de legers van de Sovjets naderden, werd Auschwitz grotendeels ontruimd. Maanden lang werden tienduizenden gevangenen, onder wie Edith en haar zus, door Polen, Duitsland en Oostenrijk van kamp naar kamp gesleept, met duizenden doden als gevolg. Uiteindelijk werden Edith en haar zus door Amerikanen bevrijd. Na een lange herstelperiode keerden ze terug naar hun oude woonplaats, waar ze hun derde zus aantroffen, die door haar onjoodse uiterlijk de oorlog had overleefd. Edith trouwde met Béla Eger en omdat ze geen perspectief hadden in Oost-Europa, emigreerden ze naar de Verenigde Staten. Daar kregen ze drie kinderen. Toen Edith 42 jaar was, rondde ze haar studie psychologie af. Zelfs lukte het haar te promoveren. Onderwijl maakte ze carrière als docent en therapeut.

Je kunt je afvragen wat voor zin het heeft om nog weer een boek te schrijven over het leven vóór, in en na Auschwitz. Het unieke van Egers boek is dat het niet allereerst gaat om haar belevenissen. Die worden dan ook heel terughoudend beschreven. Het gaat de auteur vooral om twee vragen: ‘Hoe kun je zulke verschrikkingen als een verblijf in Auschwitz overleven?’ en: ‘Hoe kun je in de tijd daarna met zulke afschuwelijke herinneringen toch voluit leven?’ De antwoorden die Eger voor zichzelf leerde formuleren, benut zij in haar therapeutisch werk.

Het was zwaar voor haar om grip te krijgen op haar verleden. Steeds kreeg ze flashbacks. ‘Dan heb ik het gevoel dat ik ga flauwvallen. Ik heb geen naam voor deze ervaringen. Ik begrijp nog niet dat ze een lichamelijke manifestatie zijn van het verdriet dat ik nog niet heb verwerkt. Een aanwijzing van mijn lichaam, als herinnering aan de gevoelens die ik heb verbannen uit mijn bewuste leven. Een storm die me overvalt op de momenten dat ik mezelf geen toestemming geef om te voelen.’ (p.197) Ze begon al meer te begrijpen: ‘Om te genezen moeten we de duisternis omarmen’ (p.264).  Haar eerste stap was dat ze verantwoordelijkheid nam voor haar gevoelens en die niet langer onderdrukte of uit de weg ging.’ (p.280)
Daarbij heeft het beroemde boek van een kampgenoot uit Auschwitz, de psychiater Victor Frankl (‘De zin van het leven’) een beslissende grote rol gespeeld. Ze kreeg het boek 21 jaar na haar bevrijding in handen. In dat boek beschrijft Frankl hoe hij het kamp heeft kunnen overleven. Op basis van z’n ervaringen heeft hij toen in de VS z’n logotherapie ontwikkeld, waarbij hij bij z’n cliënten de wil-tot-betekenis activeert. Met Frankl heeft Eger intensief contact gehad. Daarnaast is ze voortdurend gevormd door haar cliënten.

Uiteindelijk kijkt Eger positief terug op haar leven. Nog altijd heeft ze last van flashbacks. Ze draagt pijnlijke beelden met zich mee en rouwt om de verliezen in het verleden. Maar ze voelt zich niet langer geen slachtoffer. ‘Ik voel enorme liefde en dankbaarheid.’ (p.279)
Het is dan ook de moeite waard om kennis te nemen van haar therapeutische benadering. Daarom geef ik graag een aantal citaten door:

p.20: Wat er is gebeurd, mag nooit meer vergeten worden en kan nooit worden veranderd. Maar in de loop der tijd heb ik geleerd dat ik ervoor kan kiezen hoe ik reageer op het verleden. Ik kan me ellendig voelen of hoopvol zijn. Ik kan depressief zijn of gelukkig. We hebben altijd die keuze, die mogelijkheid om er de leiding over te nemen. Ik ben hier, dit is het heden. Dit zinnetje heb ik mezelf aangeleerd te zeggen, telkens weer, tot het paniekerige gevoel wegebt.
De gangbare opvatting is dat wanneer iets je dwarszit of je angstig maakt, je er gewoon niet naar moet kijken. Blijf er niet in hangen. Blijf erbij uit de buurt. Zodoende rennen we weg van trauma’s en moeilijkheden uit het verleden, van ongemak of een conflict dat we nu ervaren. Het grootste deel van mijn volwassen leven dacht ik dat mijn overleven in het heden afhing van het opgesloten houden van het verleden en zijn duistere kanten.

p.21: In mijn angst om door het verleden te worden opgeslokt, werkte ik erg hard om mijn pijn verborgen te houden. Doordat ik ervoor koos om het verleden en mezelf niet rechtstreeks onder ogen te zien, koos ik er, tientallen jaren nadat mijn gevangenschap letterlijk was beëindigd, nog altijd voor om niet vrij te zijn. Mijn geheim hield me gevangen. Wanneer we onze waarheden en verhalen dwingen om zich te verstoppen, kunnen de geheimen hun eigen trauma, hun eigen gevangenis worden. In plaats van dat de pijn minder wordt, wordt datgene wat we weigeren te accepteren net zo’n onontkoombare gevangenis als een echte gevangenis met stenen muren en ijzeren tralies. Als we onszelf niet toestaan om te rouwen om ons verdriet, onze wonden en teleurstellingen, zijn we ertoe verdoemd om ze telkens opnieuw te beleven. Je kunt vrijheid vinden in het accepteren van wat er is gebeurd. Vrijheid betekent dat we de moed verzamelen om de gevangenis af te breken, steen voor steen.

p.22: Lijden is universeel. Maar het slachtofferschap is optioneel. Er zit een verschil tussen ‘het slachtoffer worden van’ en ‘de slachtofferrol’. De kans is groot dat we gedurende ons leven allemaal een keer op een bepaalde manier ergens het slachtoffer van worden. Op een bepaald moment zullen we lijden onder een kwelling, ramp of misbruik, veroorzaakt door omstandigheden, mensen of organisaties waar we weinig tot geen invloed op hebben. Zo zit het leven in elkaar. Dat is ‘het slachtoffer worden van’. Het komt van buitenaf.
Daartegenover staat de slachtofferrol, die van binnenuit komt. Niemand kan van jou een slachtoffer maken. Dat kan alleen jij zelf. We worden niet een slachtoffer door wat er met ons gebeurt, maar doordat we ervoor kiezen om vast te houden aan onze slachtofferrol. We ontwikkelen de denkwijze van een slachtoffer: een manier van denken en zijn, die star, verwijtend, pessimistisch, bestraffend is. We zitten dan vast in het verleden, we zijn niet in staat te vergeven. Wanneer we kiezen voor de beperkte denkwijze van het slachtoffer, worden we onze eigen gevangenisbewaarders.
p.23: Het is niet zo dat mijn pijn erger of minder erg is dan die van jou. Als we onze pijn bagatelliseren of onszelf straffen omdat we ons verloren, geïsoleerd of bang voelen vanwege de uitdagingen in ons leven, hoe onbetekenend deze uitdagingen ook mogen zijn voor anderen, dan kiezen we nog steeds voor de slachtofferrol. We veroordelen onszelf. Ik wil niet dat je mijn verhaal leest en zegt: ‘Mijn lijden is minder belangrijk.’ Ik wil dat je mijn verhaal leest en zegt: ‘Als zij het kan, dan kan ik het ook!’

p.116: De pijn van het weten is barmhartig. Daardoor kun je de reden voor de pijn vaststellen en duidelijk maken wat er moet genezen.
p.162: Ik probeerde mijn herinneringen aan het verleden uit te bannen. Ik dacht dat het een kwestie van overleven was. Slechts na vele jaren ging ik begrijpen dat pijn niet verdwijnt door ervoor weg te lopen. Dat maakt de pijn juist erger. Door weg te lopen voor het verleden, voor mijn angst, kon ik geen vrijheid vinden. Ik maakte van mijn angst een cel en draaide hem op slot door te zwijgen.
p.195: Ik ben mijn eigen gevangenbewaarder geworden door tegen mezelf te zeggen: ‘Het maakt niet uit wat je doet, je zult nooit goed genoeg zijn.’
p.213: We kunnen ervoor kiezen om de verantwoordelijkheid voor onze moeilijkheden en onze genezing op ons te nemen. We kunnen ervoor kiezen om vrij te zijn.
p.316: De belangrijkste waarheid die ik ken is dat je eigen gedachten de grootste gevangenis zijn en dat de sleutel in je zak zit: de bereidheid om de totale verantwoordelijkheid voor je leven te nemen.
p.318: Je kunt niet veranderen wat er is gebeurd, je kunt niet veranderen wat je hebt gedaan of wat je is aangedaan. Maar je kunt ervoor kiezen hoe je nú leeft.

Ik aarzel of Eger terecht verwacht dat iedereen kan kiezen. Bij sommige mensen heb ik de indruk dat kiezen er gewoon niet in zit omdat hun mogelijkheden te beperkt zijn. Hoe dit ook zij, Eger heeft een hoopvol boek geschreven.

Christelijke dogmatiek

G. van den Brink en C. van der Kooi hebben met hun ‘Christelijke dogmatiek‘ (2012) een boeiend verhaal geschreven. Anders dan McGrath en net als Van Genderen en Velema (zie m’n vorige leeservaring) komen zij met een totaaloverzicht en dragen ze telkens hun standpunt uit. Daarbij gaan ze in gesprek met vroegere en tegenwoordige theologen, terwijl de fundering vanuit de Bijbel ook volop aan bod komt.
Het is onmogelijk een boek dat qua bladzijden en onderwerpen zo omvangrijk is, in een korte reactie recht te doen. Bladerend door het boek volsta ik daarom met enkele waarnemingen.

Ik ben ermee opgegroeid dat theologen volledig werden afschreven als ze op een belangrijk punt een afwijkende koers volgden. Van den Brink en Van der Kooi gaan anders te werk. Soms komen ze met scherpe kritiek, bijvoorbeeld dat Barth voor alverzoening pleit of dat Berkhof het God-zijn van Christus en dus ook de Drie-eenheid afwijst. Maar vervolgens laten ze Barth en Berkhof in de rest van hun boek voluit meedoen als gesprekspartners die veel te bieden hebben. Deze open houding spreekt me erg aan.

Boeiend is hoe de auteurs over de drie-eenheid schrijven. Zoals zij dat doen, wordt duidelijk dat we hier niet met een onmogelijke theorie te maken hebben, maar met de kern van het christelijk geloof. In deze leer ontmoeten we God zoals Hij met zijn diversiteit gericht is op onze redding. Daardoor wordt meteen begrijpelijk waarom in de vroege christelijke kerk fel gestreden is over de drie-eenheid. Het ging de theologen van toen er niet om dat ze er greep op wilden krijgen hoe God ‘in elkaar steekt’ maar hoe God met zijn liefde op ons betrokken is.

Jammer vind ik dat de auteurs geregeld zeggen dat de mens ‘beelddrager van God’ is (bijvoorbeeld p.241). Volgens mij klopt dat talig niet. De mens ís het beeld van God en dat is iets anders dan dat de mens Gods beeld zou dragen. Wat de auteurs inhoudelijk over dit onderwerp zeggen, is overigens de moeite van het kennisnemen waard. Wel denk ik dat hun benadering er wat anders uitgezien had als ze verwerkt hadden wat A. Kruyswijk in z’n proefschrift ‘Geen gesneden beeld….’ uit 1962 heeft aangedragen. Dit boek wordt door hen niet eens genoemd (wel door Van Genderen en Velema).

Verhelderend is wat de auteurs schrijven over de verschillende visies op de tijd tussen sterven en opstanding. Slechts in kleine letters wijzen ze erop: ‘Zowel rooms-katholieken als protestanten geloven van huis uit dat de gelovigen onmiddellijk na hun dood reeds een bewuste relatie met God genieten’ (p.252). Opmerkelijk vind ik dat ze zelf nalaten (hiervoor) te kiezen, o.a. doordat ze de uitleg van Lucas 23:43 en Filippenzen 1:23 ‘niet probleemloos’ verklaren en volgens mij ook doordat ze amper aandacht geven aan 2 Korintiërs 4:1-4.

Belangrijk is dat de auteurs ons ervoor waarschuwen dat we de theologische uitspraak over de totale verdorvenheid van de mens niet psychologisch moeten uitleggen – als zou de mens nooit iets goeds kunnen doen (p.276). De mens kan zich op allerlei gebieden juist prima redden, maar hij is ‘niet in staat vanuit zichzelf de relatie met God te herstellen’. De uitspraak in Zondag 3 van de Catechismus dat we ‘helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds’ wordt in de Dordtse Leerregels (III/IV,3) dan ook verduidelijkt (de auteurs maken hier geen melding van) doordat daar gezegd wordt: ‘onbekwaam tot enig zaligmakend goed’, wat in de GKV-versie zo omschreven wordt: ‘niet in staat ook maar iets voor hun behoud te doen’. Goed beschouwd hoeft de zondeleer van de Reformatie dus geen depressogeen effect te hebben.

De auteurs houden vast aan de historiciteit van de zondeval. Toch gaan ze ervan uit dat het begin van de mensheid niet bestaat uit Adam en Eva, want volgens hedendaagse wetenschappelijke theorievorming moeten we volgens de auteurs denken aan ‘polygenisme’: ‘de oorspronkelijke populatie bedroeg naar het zich laat aanzien minstens zo’n 5000 à 10.000 mensen’ (p.278). Ik snap deze uitspraak niet. Hoe kunnen wetenschappers zoiets met een zekere stelligheid zeggen, terwijl ze duizenden jaren later leven, slechts een fractie van de wereld onderzocht hebben en de meeste menselijke resten verdwenen zijn? Bovendien, als je polygenisme wilt combineren met Genesis 2-3 kan dat volgens mij alleen met behulp van onbewijsbare speculaties. Ik troost me met de gedachte dat deze passage in kleine letters staat en geen invloed heeft op de rest van het hoofdstuk over de zonde. Verder is het goed te melden dat de auteurs elders in hun boek niet schromen om tegen modieuze trends in te gaan.

Over de betekenis van de zondeval voor de schepping schrijven Van den Brink en Van der Kooi : ‘De bekende gedachte dat het lijden van dieren en natuurrampen als aardbevingen of tsunami’s het gevolg zouden zijn van een ‘kosmische val’ als straf op de menselijke zondeval, valt in de Bijbel nergens aan te treffen. We weten eenvoudigweg niet waarom dit alles een plek heeft in Gods goede schepping.’ (p.300) Enerzijds begrijp ik deze uitspraak wel, want ik kan me niet voorstellen dat leeuwen in het paradijs plantenetende dieren waren – om maar iets te noemen. Maar anderzijds, waarom staan de auteurs niet stil bij Genesis 3:17-18, waar staat dat God de akker vervloekt en aankondigt dat er doornen en distels zullen groeien? Is het ongeoorloofd daaruit te concluderen dat de ontrouw van de eerste mensen destructieve gevolgen heeft tot in het gebinte van de schepping?

In Hoofdstuk 11 geven Van den Brink en Van der Kooi aan dat het werk van Christus zo veelomvattend is dat niet volstaan kan worden met één benadering. Ze vinden het een onjuiste beperking om alleen over ‘verzoening door voldoening’ te spreken. Er is ook verzoening door overwinning en verzoening door omvorming. Oftewel, Christus is niet alleen onze verlosser (van onze schulden) maar evengoed onze bevrijder (uit de macht van de duivel en de dood) en onze vernieuwer (tot wederliefde). Door deze benadering komen meer bijbelse gegevens aan bod dan anders vaak het geval is.

Opmerkelijk is dat de auteurs, in navolging van Calvijn in z’n Institutie, de uitverkiezing (predestinatie) pas behandelen aan het einde van het hoofdstuk over de vernieuwing van de mens. Op deze manier bepaalt deze leer niet ‘de hoofdlijn van ons denken, maar vormt een belangrijke hulplijn die waarborgt dat genade werkelijk genade blijft en dat we ons heil van het begin tot het eind aan de drie-enige God te danken hebben.’ Daardoor bevorderen ze dat deze leer functioneert als een troost. In elk geval in de 16de eeuw, toen de gelovigen geconfronteerd werden met vervolging, ‘massale kindersterfte en in het algemeen (met) grote bestaansonzekerheid, was het een grote troost om te kunnen geloven: God heeft van meet af voor ons gekozen, en daardoor kan niets of niemand ons uit zijn hand rukken’ (p.630). Helaas is deze leer later in de geloofsbezinning voorop geplaatst en werd daardoor vaak een onzeker- en somber-makende visie, die mensen verlamt in het nemen van hun verantwoordelijkheid.

Soms lijken passages elkaar tegen te spreken. Zo benadrukken de auteurs op p.667 de discontinuïteit tussen heden en toekomst. Volgens hen is in 2 Petrus 3:7,10,12 eerder sprake van herschepping of zelfs nieuwe schepping dan van renovatie. ‘De continuïteit van heden en toekomst ligt niet verankerd in de dingen zelf, maar slechts in de trouw van God.’ Maar verderop schrijven ze over een ‘element van continuïteit tussen schepping en herschepping’, namelijk ‘dat het goede en prijzenswaardige dat in cultuur en geschiedenis tot ontwikkeling werd gebracht en waar mensen van hebben genoten, niet verloren is, maar blijkens het beeld van Openbaring 21:24,26 het Nieuwe Jeruzalem zal worden binnengebracht.’ (p.676-677) Wat mij betreft kunnen beide passages blijven staan, want uiteindelijk blijft het precieze van de overgang van oud naar nieuw een geheim voor ons.

Door de moeite te nemen dit alles op te schrijven heb ik hopelijk voldoende duidelijk gemaakt dat ik deze dogmatiek belangrijk vind en met interesse heb gelezen. Door hun aanpak nodigen Van den Brink en Van der Kooi ons als lezers uit met hen mee te denken, terwijl het hun bovendien telkens lukt ons in ons geloof op te bouwen.

McGrath over christelijke theologie

Alister McGrath is een enthousiaste én enthousiast-makende docent theologie. Dat is mij gebleken toen ik z’n ‘Christelijke theologie. Een introductie‘ (1997) doornam. Het is natuurlijk z’n beroepstrots die hem laat schrijven ‘dat theologie het meest fascinerende onderwerp is dat iemand ooit zou kunnen bestuderen’; en op dezelfde bladzijde: volgens mij is ‘theologie een van de meest dankbare, zinvolle en echt opwindende studierichtingen’ (p.13). Ik hou ervan als mensen voor iets warm lopen. Dat wil nog niet zeggen dat ik er dan ook warm voor ga lopen. Maar het is McGrath gelukt mij als een gefascineerde student mee te nemen op z’n ontdekkingsreis door de theologie.

Z’n boek bestaat uit drie delen:
In deel I behandelt hij in vogelvlucht de belangrijkste theologen in de loop van de kerkgeschiedenis. Zo komen Origines en Augustinus voorbij, Lombardus en Thomas van Aquino, Luther en Calvijn, Schleiermacher en Feuerbach, Barth en Bultmann – met de theologische discussiepunten die zij op tafel hebben gelegd.
In deel II bespreekt hij de bronnen en methoden van de theologie. Daarbij komen aan de orde: de definitie en opbouw van de theologie, het wezen van geloof, de godsbewijzen, het begrip openbaring, natuurlijke theologie, de Schrift, de rede en de traditie.
En dan volgt in deel III de hoofdmoot, als hij stilstaat bij concrete thema’s zoals God, de Drie-eenheid, de persoon en het werk van Christus, de mens als Gods beeld met z’n zonde en behoefte aan genade, de kerk met haar sacramenten, de verhouding tot de wereldreligies en de zogenaamde laatste dingen.

McCrath is zelf een orthodoxe, evangelicale gelovige – zoals bijvoorbeeld kan blijken uit het praktische boek ‘Tijd voor stille tijd. Evangelicale spiritualiteit in de praktijk’ (1996). Die overtuiging komt in ‘Christelijke theologie’ hier en daar ook wel enigszins naar voren. Maar doorgaans heeft McGrath het vermeden z’n eigen ideeën te presenteren en z’n lezers voor te schrijven wat ze zouden moeten geloven. Z’n didactische doelstelling is uit te leggen wat er geloofd wordt, zodat de lezers in staat zijn hun eigen gedachten te bepalen. Daarom heeft McGrath ermee volstaan de diverse standpunten en de bijbehorende historische achtergronden te beschrijven, zodat z’n lezers begrijpen wat de sterke en zwakke kanten ervan zijn. (p.14)
Het gevolg van deze aanpak is dat McGrath in mijn ogen verwerpelijke standpunten nog al eens erg vriendelijk bejegent. Maar het grote voordeel is dat op deze manier elke theoloog het volle pond krijgt en dat ook in het geval van m.i. verwerpelijke standpunten recht gedaan wordt aan het waardevolle element daarin. Door deze descriptieve aanpak waan je je telkens in de directe nabijheid van de giganten uit de theologische geschiedenis. Ook wordt op deze manier duidelijk hoe relevant de thema’s zijn die door hen worden aangesneden. Om dit alles heb ik het boek van McGrath constant geboeid gelezen.

De kwaliteit van dit boek spreekt des te meer als je hiernaast legt ‘Beknopte gereformeerde dogmatiek’ van de christelijk-gereformeerde hoogleraren J. van Genderen en W.H. Velema (1992), die ik ook net gelezen heb. Natuurlijk kun je beide boeken niet helemaal met elkaar te vergelijken, want anders dan McGrath wilden Van Genderen en Velema een prescriptief (gereformeerd-gekleurd) overzicht geven van het totaal van de dogmatiek. Dat is hun goed gelukt: ze hebben een helder en vaak warm verhaal geschreven. Daarvoor alle lof. Maar hun boek doet wat braaf en kleurloos aan en heeft mij daardoor niet meegenomen, terwijl het mij bovendien hinderde hoe makkelijk afwijkende opvattingen vaak afgeserveerd worden. McGrath daarentegen heeft een sprankelend boek geschreven, dat het zinnige van allerlei discussiepunten goed laat uitkomen.

Leerzaam is dat Nederlandse namen zoals Kuyper, Bavinck, Schilder, Noordmans, Van Ruler, Berkouwer, Kuitert e.d. volledig ontbreken. In de jaren zestig vielen we binnen de GKV over de typering van onze kerkelijke besognes als klein-vaderlands gedoe. Maar zien we naar de positie van de Nederlandse kerken in de wereldkerk, dan moet je McGrath lezend kennelijk toch zeggen dat wij in ons land voor de theologische discussies in het verleden en heden niet zo heel veel voorstellen. Ik weet best dat een Engelse theoloog van meer gereformeerde snit wellicht andere keuzes gemaakt zou hebben. Dat neemt niet weg dat een boek als dat van McGrath Nederlandse theologen bescheiden kan maken – al is het uiteraard terecht dat Van Genderen en Velema de genoemde namen wel herhaaldelijk vermelden, want vanzelfsprekend zijn de locale theologen voor ons interessant. Maar het is goed te weten dat wij in Nederland niet de wereld zijn.

Wat mij verbaasd heeft is hoe venijnig McGrath zich uitlaat over de discussie over het supra- en infralapsarisme. Daarmee wordt gedoeld op de vraag vanuit welk historische standpunt je Gods verwerpen van mensen moet bekijken: vanuit de tijd vóór (supra) de zondeval (lapsus) (God verwerpt mensen, met als gevolg dat ze ongelovig worden) of na (infra) de zondeval (God verwerpt mensen, waarbij hij rekent met hun ongeloof). McGrath typeert de calvinistische discussie hierover als een ‘uiterst pietluttig debat, het summum van theologisch obscurantisme’ (p.406). Vervolgens geeft hij een correcte weergave van beide standpunten, maar hij laat na de consequenties van het supralapsarisme weer te geven, namelijk dat bij die opvatting Gods verwerpen van mensen een soort doem wordt waaraan mensen zich niet kunnen onttrekken; erger nog: zo wordt God in feite getekend als de oorzaak van het ongeloof van mensen. Een vreselijke opvatting die in het slot van de Dordtse Leerregels dan ook met hartstocht afgewezen wordt. Het is volgens mij daarom een misser dat McGrath zich zo laatdunkend over deze kwestie uitlaat – al vind ik het met de Dordtse Synode treurig dat theologen menen zich te kunnen verplaatsen in Gods verborgen overwegingen van voor de zondeval.

Wat mij ook verbaasd heeft is dat McGrath in het slothoofdstuk over onze toekomst compleet voorbijgaat aan de komst van de nieuwe aarde. Net als in zijn boek over de stille tijd lijkt het erop dat voor McGrath de hemel onze eindbestemming is. Dat zou verklaren waarom hij de bijbelse beeldspraak over het nieuwe Jeruzalem als een stad toepast op de hemel (p.494). Op diezelfde bladzijde schrijft hij dat we de hemel moeten ‘beschouwen als de vervulling van de christelijke verlossingsleer, waarin de aanwezigheid, de straf en de macht van de zonde volledig vernietigd zijn, en de totale tegenwoordigheid van God in alle mensen en in de geloofsgemeenschap bereikt is.’ Het is mij volstrekt onduidelijk hoe McGrath dan Openbaring 21-22 leest. Misschien heeft de intern-vrijgemaakte discussie over de zogenoemde tussentoestand (de tijd tussen ons sterven en onze opstanding) dan toch winst opgeleverd: wellicht mee daardoor zijn we ons ervan bewust dat ons lichaamloze verblijf in de hemel slechts tijdelijk is en bij Christus’ terugkeer omgezet wordt in een fysiek bestaan op de vernieuwde aarde.

Deze twee kritische punten doen overigens geen afbreuk aan mijn lof op dit stimulerende boek van McGrath.

Cultuurgeschiedenis

Wekenlang heb ik me verdiept in de 21 delen van de Time/Life-serie “Bloeiperioden der mensheid”. Deze serie verscheen van 1966 tot 1969. Elk deel heeft plm. 180 bladzijden tekst, gevolgd door een jaartallenoverzicht en een register. De 8 hoofdstukken van een boek worden telkens gevolgd door zo’n 10 bladzijden met uitgebreid toegelichte foto’s van cultuurhistorische objecten.
Uiteraard is het jammer dat de boeken een halve eeuw oud zijn. Daardoor heb ik vast nieuwe ontdekkingen (bijvoorbeeld van de archeologie van het Oude Amerika) en veranderde inzichten (bijvoorbeeld inzake het deïsme in de Verlichting) gemist. Ook ontbreken in het deel over de 20ste eeuw de laatste ontwikkelingen, zoals het einde van het IJzeren Gordijn en de opkomst van de radicale islam. Dat alles neemt niet weg dat mijn lectuur van deze serie een boeiende ontdekkingstocht was aan de hand van gerenommeerde deskundigen.

Zoals altijd leren ook deze historische boeken mij als West-Europese mens bescheidenheid. Wij kunnen wel denken dat wij in het ontwikkelde Westen, mede onder invloed van het christelijk geloof, per definitie beschaafder zijn dan andere volken, maar de werkelijkheid is anders. Twee voorbeelden.
Je kunt ontsteld lezen over de massale mensenoffers door de Azteken, waarbij het kloppende hart uit het lichaam werd gerukt, maar in diezelfde tijd werden in Spanje de Joden bloedig vervolgd, terwijl een paar eeuwen eerder de katharen met de zegen van de kerk op een barbaarse wijze zijn gemarteld en afgeslacht.
Natuurlijk is het verschrikkelijk hoe in de 17de eeuw de Japanse christenen door hun volksgenoten zijn uitgemoord, maar in Duitsland woedde toen de Dertigjarige Oorlog, waarbij protestanten en katholieken elkaar zo fel bestreden dat het land grotendeels ontvolkt werd.
Ronddwalend in de geschiedenis kun je niet anders concluderen dan dat de mens maar weinig geneigd is tot liefde en voortdurend onmachtig en zelfs onwillig is om aan vrede te werken.

Boeiend is hoe de verschillende culturen elkaar hebben beïnvloed. Zo is de wetenschappelijke ontwikkeling van het Westen in en na de Middeleeuwen mede op gang gekomen door wat de moslims hebben aangereikt. Maar zij hebben weer hun winst gedaan met resultaten van wetenschappers uit het vroegere Voor-Indië en China. Het meest bekende voorbeeld van deze uitwisseling is het gebruik van de nul, dat in India bedacht is en via de moslims het Westen heeft bereikt. En wat ons alfabet betreft: dat is door de Feniciërs ontwikkeld en via de Grieken en de Romeinen naar ons gekomen.

Een dergelijke uitwisseling van culturen heeft in het oude Amerika grotendeels ontbroken. Vandaar het merkwaardige fenomeen dat bepaalde ontwikkelingen daar niet hebben plaatsgevonden. De oude rijken van de Azteken, Maya’s en Inca’s hebben bijvoorbeeld het wiel niet gekend. Wel is er speelgoed gevonden voorzien van wieltjes, maar ze zijn niet op het idee gekomen om voertuigen met wielen te maken, vast ook omdat ze geen geschikte trekdieren hadden. Opmerkelijk is eveneens dat geen van de oud-Amerikaanse volken het schrift kende, met uitzondering van de Maya’s die een rudimentaire vorm van schrift hadden.
Maar ondanks deze beperkingen hebben de oud-Amerikaanse volken grote culturele prestaties geleverd op het gebied van de bouwkunst en de edelsmeedkunst. Wonderlijk hoe veel van die bouwkunst uit de oerwouden tevoorschijn is gekomen. En al hebben de Spaanse conquistadores onvoorstelbaar veel schatten weggeroofd en gerecycled, toch is er genoeg over gebleven waardoor je vol bewondering kunt zijn voor de vaardigheid van de oude ambachtsmensen.
Interessant is hoe genuanceerd geschreven wordt over de verovering van het oude Amerika door de conquistadores Cortes en Pizarro. Natuurlijk blijf je als mens uit de 21ste eeuw verbijsterd over de arrogantie en meedogenloosheid waarmee deze heren meenden het gebied van anderen te mogen bezetten en leeg plunderen. Tegelijk wordt duidelijk dat ze daarbij gebruik konden maken van de haat die leefde bij de onderdrukte volken tegen hun meesters. Overigens is de barbaarsheid van de Spanjaarden nog niet eens het ergste dat ze de inheemse bevolking hebben aangedaan. Fataal was dat ze ziektekiemen meebrachten waartegen de ‘Indianen’ niet bestand waren, met als gevolg dat binnen een eeuw zo’n 90% van de bevolking (miljoenen mensen!) door besmettelijke ziekten is uitgestorven.

En zo voert elk deel je weer in een andere wereld en maak je telkens interessante uitstapjes. In het deel van Japan wordt verteld hoe vroeger een goed samoeraizwaard werd gesmeed en hoe een vechtjas z’n zwaard soms uitprobeerde op lijken of zelfs op een veroordeelde misdadiger. Maar diezelfde samoerai kon ook in kalligrafie geïnteresseerd zijn en oefende dan eindeloos in het werken met de penseel om de Japanse karakters zo elegant mogelijk weer te geven.

Lezend in het deel over de Europese 19de eeuw werd ik erdoor geraakt dat de grote heren van de industriële revolutie hun arbeiders (mannen, vrouwen én kinderen) zo schrikbarend hebben laten lijden terwijl zij in weelde baadden. Ik blijf het onbegrijpelijk vinden hoe, veelal christelijke, ondernemers die gespletenheid voor elkaar kregen. Kennelijk is het eigen aan de mens dat die zich compleet kan afsluiten voor informatie die hem niet van pas komt. Daarvan zijn talloze voorbeelden te geven. Denk maar aan de generaals uit de Eerste Wereldoorlog die bij een bestorming van vijandige loopgraven tienduizenden soldaten de dood in joegen terwijl ze konden weten dat zo’n actie volstrekt zinledig was.

Zoals ik mijn lectuur van deze serie beschrijf lijkt het erop dat de “bloeiperioden der mensheid” voornamelijk kommer en kwel hebben gebracht. Voor een deel is dat helaas maar al te waar, want in de loop van de eeuwen is er constant gevochten en gemoord. Dat neemt niet weg dat diezelfde mensheid onvoorstelbare schatten heeft geproduceerd. Zo zijn alleen al in de Nederlandse Gouden Eeuw meer dan miljoen schilderijen gemaakt. En wat staan onze bibliotheken niet vol met fantastische boeken. Ook hebben mensen prachtige zaken uitgevonden waar we tot op de dag van vandaag van profiteren, van riolen tot computers, van waterleidingen tot medicijnen. Wat dit alles betreft zijn we er echt op vooruitgegaan. Maar terwijl ik dat schrijf vallen elders in de wereld slachtoffers door geweld met behulp van destructieve uitvindingen. Onze cultuurgeschiedenis roept dus altijd gemengde gevoelens op.

Visies op seksualiteit

In een tv-praatprogramma werd kort geleden het christendom weer eens gekritiseerd omdat dit de mensen beroofd zou hebben van seksueel genot. Ook door de zogenaamde Nashvilleverklaring werd (m.i. begrijpelijk) de afkeer van christenen geactiveerd als zouden zij wars zijn van seksueel genieten. Deze gelijkstelling van christendom en seksuele beknotting is eenzijdig en grotendeels onjuist. Dat komt duidelijk naar voren in de historische beschrijvingen van Peter Brown (Lichaam en maatschappij. Man, vrouw en seksuele onthouding in het vroege christendom, 50 na C.-450 na C., 1990) en H.W. de Knijff (Venus aan de leiband. Europa’s erotische cultuur en christelijke sexuele ethiek, 1987).

Het is waar, in de loop van de tijd hebben christelijke theologen vaak moeilijk gedaan over seksualiteit, maar daarin sloten ze in feite aan bij niet-christelijke opinieleiders in hun omgeving.
Dat gaat allereerst op voor de eerste eeuwen van onze jaartelling. Toen waren er Griekse en Romeinse filosofen die zich schaamden voor hun lichamelijkheid, vanuit de gedachte dat hun goddelijke ziel in het stoffelijke lichaam als een kerker was opgesloten. Tegen die achtergrond is het te verklaren dat deze antieke heidenen seks met z’n uitgesproken lichamelijkheid een activiteit vonden waardoor je jezelf verontreinigde. Het was dus niks nieuws dat ook onder christenen zulke visies voorkwamen, al waren het sektariërs als de encratieten die hierin het meest extreem waren.
Met een grote stap verder in de geschiedenis komen we uit bij de victoriaanse verpreutsing uit de negentiende eeuw. Volgens De Knijff was ook die geen vrucht van christelijke bezinning maar van veelal niet-christelijke opinies uit het zogenaamd verlichte burgerdom. Overigens ging die verpreutsing – heel huichelachtig –  ermee samen dat de man alle vrijheid werd toegekend zich met behulp van prostitutie seksueel uit te leven.

Intussen bewijzen we elkaar geen dienst door opgelucht te beweren dat wij het laatste halve eeuw alle seksuele beknotting achter ons hebben gelaten, want daarmee plaatsen we in feite de seksualiteitsbeleving buiten alle moraliteit. In het bovengenoemde tv-programma gebeurde dat door vrouwelijke deelnemers die voor zichzelf dezelfde seksuele ongebondenheid bepleitten als veel mannen zich veroorloven. Wie dat praktiseert verplat seks tot niet meer dan behoeftebevrediging zoals eten en drinken, waarbij de partner die je hiervoor nodig hebt inwisselbaar is.
Daarentegen wordt in het Oude Testament seksueel contact aangeduid als het ‘kennen’ van iemand. Naar Gods oorspronkelijke bedoeling is seks namelijk voor alles de uiting en bevestiging (je zou kunnen zeggen: het sacrament) van een bestaande relatie. Op deze manier levert seks niet alleen tijdelijk fysiek genot op maar ook langdurige geestelijke voldoening. En natuurlijk komen dan begrenzingen aan de orde. Zie over dit thema het verhelderende artikel van De Knijff in mijn site-rubriek ‘Teksten van anderen’, no.18.

Maar terug naar de visies die christenen in de loop van de geschiedenis op seksualiteit hebben gehad. Je kunt het kort zo samenvatten dat de hoofdstroom van de christelijke kerk altijd heeft gependeld tussen twee uitspraken van Paulus: allereerst z’n waarschuwing tegen mensen die het huwelijk verbieden, terwijl dat instituut het gevolg is van Gods schepping van de lichamelijke mens (vergelijk 1 Timoteüs 4:3-4), en daarnaast z’n stelling dat ongetrouwd-blijven beter is dan te trouwen (zie 1 Korintiërs 7:38).
Vaak leverde dat pendelen geen balans op. Zo werd in de eerste eeuwen de ongehuwde staat telkens ver verheven boven de gehuwde staat; wel bleef het huwelijk altijd legitiem maar vooral om het krijgen van kinderen en als geneesmiddel tegen losbandigheid. In de tijd van de Reformatie gebeurde het omgekeerde: het huwelijk werd als het normale aangeprezen terwijl het ongetrouwd-zijn erg terughoudend werd benaderd.

Zoals De Knijff het beschrijft lijkt het erop dat de middeleeuwse theoloog Albertus Magnus (± 1200-1280) een goede balans heeft gevonden. Als geestelijke was hij met overtuiging het celibaat toegedaan, maar tegelijk benaderde hij het huwelijk als een liefdeseenheid, een levensgemeenschap. Al bleef ook voor hem de lust-om-de-lust ondenkbaar, toch zag hij het genot als een natuurlijk aspect van de geslachtsdaad, als een eerbare en door God gezegende handeling.

Albertus’ visie is extra opvallend omdat christelijke theologen haast altijd problemen hadden met seksueel genot. Daar zal een psychologische kant aan zitten, omdat zij het wellicht lastig vonden dat je bij het orgasme alle controle over jezelf kwijtraakt en dat hoort toch zo niet te zijn. Maar hun moeite hing ook samen met het tiende gebod, waarin begeerte, en h.i. dan ook de seksuele begeerte, verboden wordt.
Augustinus ging zo ver dat naar zijn overtuiging seksueel contact, inclusief de erectie, in het paradijs eenvoudigweg plaatsvond door de kracht van Adams wil; daar kwam geen seksuele begeerte bij te pas. Ondanks zijn goede woorden over het huwelijk bleef Augustinus dan ook de coïtus grotendeels onverteerbaar vinden omdat het ultieme moment van het orgasme buiten de wil omgaat.
Ik krijg de indruk dat Calvijn in dezelfde trant dacht. Want in een vooroorlogse vertaling van zijn preek over Deuteronomium 5:18 typeert hij de seksuele begeerte als ‘een gebrek, dat ons tot beschaming moet zijn’, als ‘een onbeheerstheid van het vlees’, waarbij  het huwelijk ‘een passend geneesmiddel’ is. En dan zegt hij letterlijk: ‘Deze onbeheerstheid van het vlees, hoewel in zichzelf slecht zijnde en te veroordelen, zal ons voor God niet toegerekend worden, als deze huwelijksdekmantel er zijn zal.’ Dus, waarom is de beschamende ‘bedgemeenschap’ toch voor God ons niet tot schande? ‘De dekmantel van het huwelijk is daar om te heiligen wat bezoedeld en ongewijd is, (…) om te reinigen wat van zichzelf vuil is.’

Dit maakt begrijpelijk waarom de auteurs van christelijke voorlichtingsboeken tot halverwege de vorige eeuw er niet toe konden komen seks te beschrijven in de trant van de vreugdevolle benadering van het bijbelboek Hooglied. Heel treurig. Tegelijk moeten we hier volgens mij niet over schamperen. Want deze eeuwenoude moeite met het seksuele genot bewijst wel dat onze voorvaders er weet van hadden dat je niet naïef met de seksuele begeerte moet omspringen, want het foute gebruik hiervan ligt op de loer. De vele misbruikzaken binnen én buiten de kerk maken de waarheid hiervan helaas voldoende duidelijk.

 

Douma over Israël

In Psalm 92 wordt over rechtvaardigen gezegd: “Zij dragen nog vrucht als ze oud zijn en blijven krachtig en fris”. Op Jochem Douma, emeritus-predikant en emeritus-hoogleraar van de Theologische Universiteit te Kampen, is dat zeker van toepassing: in 2004, het jaar dat hij 73 werd, verscheen deel 1 van de elfdelige reeks: “Gaan in het spoor van het Oude Testament”, afgesloten in 2008, toen hij 78 werd. De ruim 1500 bladzijden van deze reeks vormen een boeiende en waardevolle inleiding op alle oudtestamentische boeken – heb ik al lezend gemerkt. Eveneens in 2008 verscheen “Christenen voor Israël?” Douma sloot z’n bijbelse studies af door in 2013-2017 (toen hij dus 82-86 jaar was) vier gebonden boeken te laten verschijnen met ruim 1500 bladzijden commentaar op alle Psalmen.
Doorgaans vind ik (zelf emeritus-predikant) het maar niks dat predikanten ook na hun emeritaat door blijven jubileren, alsof zij anders behandeld zouden moeten worden dan gepensioneerde docenten of buschauffeurs. Maar voor een emeritus als Douma wil ik graag een uitzondering maken.

Het gaat me nu om “Christenen voor Israël? Verantwoording van een politieke keus“. In dit boek heeft Douma het over de vraag hoe wij als christen bijbels gezien hebben te staan tegenover het joodse volk en tegenover de staat Israël.
Vaak hebben christenen warme gevoelens voor het volk van de Joden vanwege het feit dat hun Heer, Jezus Christus, als mens uit dit volk afkomstig is. Ook gunnen veel christenen de Joden graag een eigen plek en staat vanwege hun schaamte over de verschrikkingen die de Joden in de loop van de eeuwen door met name christelijke Europeanen is aangedaan (zie daarover “Elke dag gedenkdag. Kroniek van het joodse lijden”, geschreven door Simon Wiesenthal, besproken in Leeservaring no.10).
Waar het boek van Douma over gaat is dat veel christenen, vooral in de Verenigde Staten, om theológische redenen achter het joodse volk en de staat Israël staan. Zij worden wel christen-zionisten genoemd. Zo stellen zij dat Gods belofte uit Genesis 15:18-20 aan Abraham over het land Kanaän nog altijd geldig is. Dat betekent dat volgens hen de Joden récht hebben op al het land tussen de Middellandse Zee en de Jordaan, waarom ze het bouwen van joodse nederzettingen op Palestijns grondgebied prima vinden. Deze christen-zionisten hebben dan ook principieel bezwaar tegen de tweestatenoplossing, dus dat Palestina verdeeld wordt tussen Joden en Palestijnen. Zelfs het sluiten van eventuele compromissen door Joden met Palestijnen over grenslijnen en over de stad Jeruzalem is voor christen-zionisten onbespreekbaar.

Het kan duidelijk zijn dat op deze manier de rechten van de Palestijnen van geen belang zijn, al wonen zij vaak al generaties lang in het land. Verbazingwekkend hoe deze christen-zionisten Christus’ opdracht uit de Bergrede negeren: “Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen.” Door deze opstelling dragen zij allerminst bij aan een politieke oplossing in het Midden-Oosten.
Hier komt nog bij dat vergeten wordt dat de zogenaamde landbelofte in het Oude Testament altijd voorwaardelijk was: de vervulling daarvan was afhankelijk van het geloof van de betrokkenen. Toen ontrouw aan God dominant werd onder de Israëlieten verloren ze het ene gebied na het andere, totdat ze tenslotte in ballingschap gingen. Verder is opvallend dat Gods landbelofte aan Abraham door Paulus verbreed wordt: Abraham en z’n nageslacht (en dat zijn bij Paulus de christen-gelovigen van joodse én heidense afkomst) ontvingen de belofte dat ze de wéreld in bezit zouden krijgen (Romeinen 4:13).

Wat Douma in z’n boek overtuigend aantoont is dat er bij de christen-zionisten theologisch meer aan de hand is dan hun visie op de landbelofte. Ze hebben eveneens een heel eigen opvatting over de aankondigingen van de oudtestamentische profeten, incl. Ezechiëls profetieën over de nieuwe tempel, en over wat zij noemen de opname van de christelijke gemeente (1 Tessalonicenzen 4:16-17). In mijn ogen bizar is hoe zij aan de haal gaan met het boek Openbaring.
Het gevolg van dit alles is dat de kerk en Israël volgens de christen-zionisten elk hun eigen weg gaan door de geschiedenis, waarom het onnodig is Joden tot het christelijk geloof over te halen. Als ik het goed begrepen heb, hebben christenen van Joodse en heidense afkomst volgens sommige christen-zionisten zelfs een verschillende eindbestemming: gelovige Joden verblijven te zijner tijd op de nieuwe aarde en gelovige heidenen in de hemel.

In zijn boek gaat Douma uitgebreid in op de verschillende deelthema’s. Ook wie niet geïnteresseerd is in het gesprek met de christen-zionisten zal met belangstelling lezen wat hij schrijft over de oudtestamentische profetieën. Elke bijbellezer vraagt zich immers herhaaldelijk af: in hoeverre kunnen wij nog een nadere vervulling verwachten van die profetieën? Douma helpt verder om de eigen aard van zulke profetieën beter te begrijpen en de gevolgen van de komst van Christus voor het lezen van die profetieën. Helpend is het onderscheid dat Douma maakt tussen einder en einde: vaak lijkt het alsof een bepaalde vervulling de eindvervulling is (denk aan de terugkeer uit de ballingschap), terwijl de geschiedenis daarna toch verder blijkt te gaan.
Ook spreekt een profeet altijd binnen het oudtestamentische referentiekader, waarom bijvoorbeeld Jesaja over kinderen op de nieuwe aarde vertelt dat ze pas sterven als honderdjarige (65:20), terwijl in Openbaring wordt aangekondigd dat de dood verdwenen zal zijn (21:4). Verder hebben de oude profeten het over het aanwijsbare Jeruzalem als toekomstige hoofdstad voor alle volken terwijl Paulus verwijst naar het hemelse Jeruzalem (Galaten 4:24-26), dat te zijner tijd vanuit de hemel op de aarde daalt (Openbaring 21:2).
Dit alles kan duidelijk maken dat het simplistisch is te zeggen dat we de oudtestamentische profetieën ‘gewoon letterlijk’ moeten lezen. De Bijbel zelf maakt duidelijk dat zorgvuldigheid om meer vraagt.

Overigens moet Douma niks hebben van het zogeheten vervangingsmodel. Daarmee wordt bedoeld dat de kerk in de plaats van Israël is gekomen. Dat klopt niet met wat Paulus in Romeinen 9-11 schrijft. De kerk bestaat nu eenmaal uit het gelovig-geworden Israël, waar de gelovig-geworden heidenen bij gekomen zijn. Je kunt de kerk in Douma’s terminologie het verbrede Israël noemen. Vandaar dat allerlei typeringen van Israël door Petrus zomaar toegepast worden op de kerk, het verbrede Israël (zie tegenover elkaar: Exodus 19:5-6 en 1 Petrus 2:9, alsook: Hosea 2:25 en 1 Petrus 2:10).

Douma heeft geen makkelijk boek geschreven. Maar ja, de Bijbel zelf is geen makkelijk boek, al is de kern zo helder als glas: Christus, onze redder, onze heer, onze toekomst. Het erkennen van Hem wordt gelukkig gedeeld door alle christenen, of ze nu christen-zionist zijn of niet.

Volken en stammen

Als je wilt leren je te verwonderen of je te schamen, dan moet je de boekenserie “Volken en stammen” lezen die in 1974-1978 uitkwam onder redactie van Joep Büttinghausen. De serie omvat twaalf delen met elk 153 bladzijden tekst, gevolgd door een register en voorzien van talloze (kleuren)foto’s, met o.a. als auteurs: Herman Wouters, Wolf Kielich en Cees Gloudemans.

Maar voordat ik op die verwondering en schaamte inga zij eerst gezegd dat het uitermate interessante boeken zijn. Honderden volken en stammen over de hele wereld passeren de revue. Er wordt stilgestaan bij de vraag hoe en wanneer groepen op hun plek zijn terechtgekomen. Hun uiterlijk wordt beschreven en met foto’s getoond. Er wordt verteld over hun taal, hun leefgewoontes, hun omgaan met seksualiteit, hun levensbeschouwing, hun artistieke prestaties en hun spelgewoontes. Door de grote hoeveelheid gegevens krijgt het geheel vaak wat opsommerigs maar dat wordt meer dan vergoed door de vele treffende foto’s met hun toelichting.

Wie kennisneemt van deze beschrijvingen kan niet anders dan zich verwonderen over van alles. Wat is er een grote verscheidenheid aan mensentypes en dat terwijl ons gezicht maar een kleine omvang heeft. En hoe is het mogelijk dat er zulke grote verschillen in gebruiken bestaan, zelfs tussen groepen die dicht bij elkaar wonen.
Indrukwekkend is vaak ook de artistieke vaardigheid onder de beschreven volken en stammen. Het is waar, tegenwoordig kom je onder hen geen grote bouwers meer tegen zoals in de tijd waarmee de archeologie zich deels bezighoudt. Dat neemt niet weg dat de kleinkunst volop aanwezig is, wat de productie van houtsnijwerk, weefkunst en aardewerk afdoende bewijst.  Ook kom je een grote variatie tegen aan muziek- en dansvormen.
En dan het fenomeen van de taal. Verbazend hoe een oertaal kan uitwaaieren in een grote hoeveelheid talen, waarvan de gebruikers elkaar niet eens meer kunnen verstaan. Een bekend voorbeeld is natuurlijk het Latijn, dat veranderd is in een reeks Romaanse talen. Daarnaast zijn er talen, zoals het Baskisch, die helemaal op zichzelf staan en waarvan de geschiedenis niet getraceerd kan worden. Heel bijzonder is ook dat stammen die in elkaars buurt wonen toch totaal verschillende talen spreken, met bijvoorbeeld als gevolg dat onder de Papoea’s honderden talen voorkomen.

Maar de beschrijvingen uit “Volken en stammen” activeren ook schaamte bij mij. Allereerst de schaamte over de mens in het algemeen, want neem je kennis van de emigratiegeschiedenis van de mensheid maar ook van haar huidige optreden, dan kun je niet anders concluderen dan dat de mens de meest gewelddadige bewoner van de aarde is. Schrikbarend hoe meedogenloos de ene stam zich heeft laten gelden ten koste van de andere om maar een eigen woongebied te veroveren. En hoe onverdraagzaam zijn wij tot op de dag van vandaag niet tegenover mensen die in een bepaald opzicht anders zijn dan wij. Ondanks alle instinctieve ouderliefde wordt er vaak zonder veel empathie met kinderen omgegaan; denk alleen al aan de vernederende en pijnlijke initiatierites. Verder is vergaande vrouwonvriendelijkheid de hele geschiedenis door een dominante houding geweest bij mannen; gaan we af op de veel voorkomende vrouwenhandel, dan zijn we er nog lang niet.

In deze boekenserie lezend komt bij mij vooral schaamte boven over de westerse blanke man. Het gaat me nu niet om de politieke geschiedenis met bijvoorbeeld de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Want dan moet erkend worden dat de Aziaat eveneens van wanten weet, zoals de bloedbaden uit de 20ste eeuw door de Japanners, de maoïsten uit China en de Rode Khmer uit Cambodja bewijzen. Blijkens wat gaande is in het Midden-Oosten hebben ook oosterse moslims veel bloed aan hun handen, evenals trouwens allerlei Afrikaanse bendes.
Het gaat me nu om de westerse blanke man in volkenkundig opzicht. Beperken we ons daartoe, dan blijkt er veel te zijn waarover je je als soortgenoot diep schaamt. Bekend is hoe fataal het geweest is dat het Westen het Midden-Oosten en Afrika als kolonie heeft behandeld. Zo heeft elk koloniaal land de volken in zijn gebied tegen elkaar uitgespeeld; bovendien zijn er willekeurige grenzen getrokken – wandaden die tot op de dag van vandaag grote gevolgen hebben.
Verschrikkelijk is ook hoe blanken zijn opgetreden in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Toen ze kwamen leefden daar tientallen miljoenen Indianen met soms hoge beschavingen. De komst van de blanken heeft miljoenen slachtoffers opgeleverd, want ze hebben de Indianen met bruut geweld bestreden en hen beroofd van hun land en levensmogelijkheden. Triest is ook dat er miljoenen zijn overleden doordat ze niet immuun waren voor de infectieziekten van de blanken. Helaas hebben de overheden in Amerika nog altijd onvoldoende respect voor de Indiaanse belangen, zoals bewezen wordt door de verwoesting van het regenwoud in Brazilië, het leefgebied van de Indianen, en de aanleg van oliepijpleidingen door Indiaans gebied in de VS.

Door dit alles is het onmogelijk deze twaalf volkenkundige boeken alleen maar met interesse te lezen. Telkens dringen verwondering en schaamte zich aan ons op.

Charles Dickens

Haast 40 jaar staan de 32 deeltjes van de Prisma-uitgave van “De werken  van Charles Dickens” al in onze boekenkast; de eerste druk hiervan verscheen in 1952-1955. Daaraan zijn toegevoegd de twee pockets met John Foster, “Het leven van Charles Dickens” en de bundel “Chesterton over Dickens“. Eindelijk ben ik ertoe gekomen deze uitgave achter elkaar te lezen. Boeiend om te doen.

Al lezend kom je in een compleet andere wereld terecht: het 19de eeuwse Engeland. De armen toen waren echt arm; velen woonden in krotten, hun kinderen stierven vaak voortijdig en hadden geen kans op goede scholing. In de fabrieken werden de arbeiders (mannen, vrouwen én kinderen) uitgebuit, terwijl de luchtvervuiling het milieu verpestte en bijvoorbeeld Londen telkens in dichte mist hulde. Goede wegen ontbraken vaak, zodat de bewoners in het geval van regen zich door modder een weg moesten banen. De bureaucratie was er eerder voor de ambtenaren dan voor de burgers. De repressie van de justitie was meedogenloos, ook als er sprake was van kleine vergrijpen; deportatie naar Australië was een vaak toegepaste straf en tot in Dickens tijd werden mensen in het openbaar terechtgesteld.
En dan te bedenken dat Engeland toen officieel een christelijk land was met een machtige staatskerk,  maar het omgaan met elkaar werd bepaald niet getypeerd door bijbelse empathie, rechtvaardigheid en barmhartigheid. Het recht van de sterkste was dominant.

In die wereld schreef Dickens (1812-1870) z’n boeken. Daarin komt een lange stoet van kleurrijke figuren voorbij:  kwetsbare en ontaarde kinderen, egocentrische en zichzelf opofferende meisjes, huichelachtige en altruïstische mannen, kleine en grote schurken. Ons wordt een blik gegund in gezinnen, scholen, kerken, fabrieken, handelsfirma’s, armenhuizen, gevangenissen, de onderwereld.
Er wordt veel gereisd: met de voeten, de diligence en later ook met de trein. Heel vaak wordt er door de beschreven personen getafeld, waarbij opvallend veel vlees gegeten en wijn gedronken wordt.  Elk boek bevat vele vertellijnen, die spannend, ontroerend of in elk geval onderhoudend zijn. Herhaaldelijk moet je lachen om de humor in de typeringen van personen en situaties. Telkens komt Dickens met treffende psychologische observaties, die des te opvallender zijn omdat Freud nog niet eens geboren was.
Er is wel eens gezegd dat Dickens beschrijvingen revolutionairder waren dan “Das Kapital” van Karl Marx. Ik kan me daar alles bij voorstellen, want het is aangrijpend hoe hij aan de hand van het leven van concrete mensen misstanden aan de kaak stelt. Het kon niet uitblijven of in de samenleving is daardoor het verzet tegen die misstanden gaan groeien, met als resultaat dat mede dank zij Dickens sociaal heel wat verbeterd is in Engeland.

Natuurlijk merk je als lezer uit de 21ste eeuw de afstand. Het meest is dat het geval als je de reisverslagen van Dickens leest over z’n verblijf in Amerika en Italië of z’n korte schetsen over mensen en zaken in Londen. Voor mij zijn die niet zo interessant omdat die grotendeels over het voorbije verleden gaan en meer niet.
Ook bij z’n romans kun je kanttekeningen plaatsen. Nog al eens doen de typeringen van personen wat overdreven of zelfs karikaturaal aan – al wil ik er rekening mee houden dat door de grotere sociale verschillen tussen mensen de karakters toentertijd wellicht extremer waren dan tegenwoordig. De beschrijving van kleding en gebouwen is voor onze begrippen wel erg gedetailleerd – hoe knap ik het ook vind dat Dickens zich alles zo minutieus kon voorstellen. Misschien dat ik na herlezing er anders over denk, maar nu leken sommige episodes in zijn boeken mij niet altijd even noodzakelijk.
Typerend voor die tijd (de regeringsperiode van koningin Victoria) is ook het ontbreken van seksualiteit en het verbloemend spreken over zwangerschap en geboorte zelfs door getrouwden onderling. Overigens heb ik deze terughoudendheid liever dan het exhibitionisme in veel romans uit onze tijd.
Ondanks alle kanttekeningen blijf ik zeggen dat Dickens romans om hun vele kwaliteiten nog altijd het lezen en herlezen meer dan waard zijn.

Ook het leven van Dickens zelf is een boek waard, zoals alleen al uit de biografie van Foster kan blijken. Hij beschrijft hoe Dickens als kind eronder geleden heeft dat z’n ouderlijke gezin op een gegeven moment zo verarmde dat z’n vader in de schuldgevangenis terechtkwam en hij (van z’n 12-15de jaar) moest werken in een schoensmeerfabriek. Door het gebrek aan financiën thuis heeft Dickens dan ook slechts een beperkte schoolopleiding gehad, die hij door zelfstudie heeft kunnen compenseren. Deze jeugdervaringen heeft hij verwerkt in de beginhoofdstukken van “David Copperfield”.
Uit biografieën als die van Wolf Mankowitz (1977) en André Roes (2012) krijg je de indruk dat Dickens als kind weinig bevestiging heeft gehad. Dat zou kunnen verklaren waarom hij in een brief uit 1855 verzuchtte: “Hoe komt het dat ik steeds weer het verpletterende gevoel krijg dat het ene grote geluk in het leven aan mij is voorbij gegaan?” Goed, dit is één enkele uitspraak, maar ik ben toch geneigd bij Dickens een zekere bodemloosheid te veronderstellen. Het is immers opmerkelijk hoe vaak hij verhuisde, hoe onrustig hij heeft rondgereisd en vooral hoe obsessief hij vanaf 1858 honderden voordrachten heeft gegeven van passages uit z’n boeken. Natuurlijk, dit laatste had ook te maken met z’n grote liefde én talent voor toneel; bovendien kon hij het extra geld goed gebruiken voor z’n gezin en verdere familie. Tegelijk proef je dat hij intens hunkerde naar erkenning en waardering, zelfs zozeer dat hij door die talloze voordrachten tot in Amerika toe z’n gezondheid benadeeld heeft.
Ook al was Dickens uit op bevestiging, dit deed geen afbreuk aan z’n betrokkenheid bij z’n gezin, z’n familie en vrienden. Veelzeggend is dat z’n vriend Carlyle, de historicus, tegenover Foster met deze typering kwam: “De goede, zachtaardige, begaafde, immer vriendelijke, nobele Dickens – in hart en nieren een rechtschapen man.” Dat gold voor z’n vrienden, maar eveneens in z’n gezin was hij met z’n interesse en inzet duidelijk aanwezig.

Tot z’n dood was Dickens lid van de Anglicaanse kerk, en dat niet slechts voor de vorm. In z’n testament van 1869 schreef hij: “Ik beveel mijn ziel aan in de barmhartigheid van God, door de tussenkomst van onze Heer en Zaligmaker, Jesus Christus.” En hij voegde daaraan toe: “Ik vermaan mijn dierbare kinderen nederig te trachten zich te gedagen naar de leringen van het Nieuwe Testament.” Ook al komt het geloof in z’n romans niet heel vaak expliciet aan de orde en kon hij heel kritisch schrijven over kerkelijke praktijken, je kunt rustig zeggen dat Dickens benadering van mensen en zaken gedrenkt was in bijbelse waarden.

Archeologische vondsten

Het is verbazingwekkend hoeveel restanten er nog te vinden zijn van oude beschavingen.  Vaak waren uitgebreide opgravingen nodig om ze aan het licht te brengen, soms ook waren ze deels altijd al zichtbaar en kon volstaan worden met opruimwerk.
Twee boeken hebben mij rondgeleid in de wereld van de archeologie: K. Bratigam (adviseur), Spectrum Atlas van de archeologie (1984) en: Fabio Bourbon en Manferto De Fabianis (redactie), Het grote archeologieboek (2005).  Beide boeken vullen elkaar prachtig aan doordat ze soms verschillende locaties bespreken (zo ontbreken de Hettieten in het Archeologieboek en de beelden op het Paaseiland in de Atlas). Daarnaast bevat de Atlas vooral tekstuele informatie (in de inleiding worden bijvoorbeeld verschillende dateringsmethodes besproken) terwijl het dubbel zo dikke Archeologieboek vol staat met illustraties.

Beide boeken kunnen ons, West-Europeanen, bescheidenheid leren. Wij denken wel dat wij het toppunt van de beschavingsgeschiedenis zijn, maar het is indrukwekkend wat vroegere mensen overal in de wereld op allerlei gebieden wisten en konden. Zo gaat de astronomische kennis van de oude Egyptenaren, Babyloniërs en Maya’s heel ver. Ook snap je niet hoe die oude volken zonder onze hulpmiddelen hun gigantische bouwwerken hebben kunnen maken. En medisch waren ze vaak van alles op de hoogte. We hebben daarom geen enkele reden met arrogantie neer te zien op het verleden van Egypte, Mesopotamië, Voor-Indië, China en Amerika.

In de Atlas worden enkele bladzijden gewijd aan prehistorische vondsten in met name Afrika van mensenbotten. Omdat daarbij tekstvondsten ontbreken, moeten de auteurs telkens volstaan met voorzichtige uitspraken, ingeleid met ‘misschien’, ‘vermoedelijk’ e.d. Maar dan verbaast het mij met hoeveel stelligheid toch conclusies getrokken worden, bijvoorbeeld over Afrika als ‘bakermat van de mensheid’ – maar die verbazing zal vast voortkomen uit mijn vooroordeel dat gevoed wordt door wat de Bijbel vertelt over de oorsprong van de mens.

Waar beide boeken maar beperkt aandacht aan geven is het werk van geleerden om teksten te ontcijferen. En er zijn heel wat teksten gevonden, denk aan de duizenden kleitabletten met spijkerschrift in het Midden-Oosten en de uitgebreide inscripties op overheidsgebouwen.
We staan er meestal niet bij stil, maar de ontwikkeling van het schrift is een van de grootste uitvindingen geweest van de mens. Eerst werd uitsluitend gewerkt met talloze pictogrammen, maar door Semieten in het Midden-Oosten (de Feniciërs) is toen het alfabet ontwikkeld waarvoor maar 20-30 letters nodig waren. Door deze teksten kunnen de archeologische vondsten geïnterpreteerd worden en krijgen we zicht op het dagelijks leven van vroeger. Dank zij die teksten hebben verschillende van die oude culturen eveneens een boeiende literatuur nagelaten; het meest beroemd zijn natuurlijk de wijsheidsteksten uit Egypte en het Gilgamesj-epos uit Mesopotamië.

Heel begrijpelijk is in beide boeken de ethische benadering van die oude culturen onderbelicht. Natuurlijk komt aan de orde dat de volken in die tijd onderling vaak niet erg humaan met elkaar omgingen en ook dat de onderdanen van de vorsten niet altijd even veilig waren. Zo wordt gewezen op het fenomeen van het doden van functionarissen bij de begrafenis van hun vorst en op het brengen van rituele mensenoffers.  De Atlas wijdt bijvoorbeeld een aparte paragraaf aan de manier waarop de Tolteken van levende slachtoffers het hart uit het lichaam rukten, terwijl beide boeken melding maken van een bron waarin de Maya’s hun slachtoffers gooiden. Verder kan duidelijk zijn dat het bouwen van al die prachtige bouwwerken een gigantische belasting moet zijn geweest voor de bevolking.
Maar toch, als je in die boeken al die prachtige afbeeldingen bekijkt en de interessante verhalen daarbij leest, ben je vooral geneigd te concluderen: ‘Wat jammer dat die culturen in de loop van de tijd verdwenen zijn en wat erg dat de Spanjaarden de toen bestaande Amerikaanse culturen vernietigd hebben.’
Bij nader inzien kun je je afvragen of het voor de gewone man wel zo’n pretje was in die barbaarse culturen geleefd te hebben en of het daarom echt spijtig is dat die culturen verdwenen zijn.
Tegelijk moeten we erkennen dat wij boter op ons hoofd hebben, want wat een verschrikkingen hebben wij alleen al in de 20e eeuw elkaar aangedaan door het communisme en het nazidom.
Kortom, al roepen archeologische vondsten bewondering op, gemengde gevoelens zijn onvermijdelijk als je vervolgens kijkt naar de donkere kant van de desbetreffende beschaving. Als christen concludeer ik dan: er is fundamentele redding nodig, van Buitenaf.