Categorie archief: Leeservaringen

Antieke wijsheid

Al decennia lang halen Europeanen wijsheid uit het Verre Oosten. Vooral aspecten van het boeddhisme krijgen veel aandacht. Zo wordt tegenwoordig mindfulness, ontleend aan het boeddhisme, volop toegepast. Ook als christen vind ik dat een prima zaak, want wat waardevol is blijft waardevol onafhankelijk van de herkomst.
Spijtig vind ik dat mensen zich onvoldoende de rijkdom realiseren van de christelijke traditie. Dat hangt vast samen met de ontkerstening die gaande is, maar intussen is het een feit: deze traditie is evengoed vormend voor wie niet openstaat voor de kern ervan, de persoon van Christus.
Waar het me hier om gaat is dat we ook veel wijsheid kunnen opdoen bij de filosofen uit de Grieks-Romeinse tijd. Dat is mij weer eens duidelijk geworden door de lectuur van twee boeken van Pierre Hadot: ‘Oefeningen van de geest. Het antieke denken en de kunst van het leven‘ (2005; oorspronkelijk 1987) en: ‘Filosofie als een manier van leven‘ (2004, oorspronkelijk 1995).

In beide boeken benadrukt Hadot dat filosofie in de Oudheid geen theoretische en abstracte bezigheid was maar een levenswijze. Filosofen wilden hun toehoorders niet informeren maar vormen. Ook hun studie van de natuur had een praktisch oogmerk: de eigen levenshouding beïnvloeden. Dat gold zelfs voor Aristoteles. Vaak wordt gemeend dat hij een zuivere theoreticus was maar ook hem ging het om innerlijke transformatie.
Enkele citaten uit het eerste boek: ‘De filosofie was een methode tot geestelijke vooruitgang die een volledige bekering en een ingrijpende verandering van levenswijze vereiste.’ Ze streefde wijsheid na. Die wijsheid ‘was een levenswijze die gemoedsrust, innerlijke vrijheid en kosmisch bewustzijn teweegbracht’, oftewel: bevrijding van angst, onafhankelijkheid van het materiële en je klein weten in de wereld. (p.216-217) Om dit te realiseren waren geestelijke oefeningen nodig.
In beide boeken wordt dit nader uitgewerkt. Omdat ze dezelfde periode bestrijken snijden ze vaak dezelfde thema’s aan. Dat heb ik meestal niet als hinderlijk ervaren, doordat telkens nieuwe aspecten aan de orde komen.

In het eerste boek bespreekt Hadot hoe de geestelijke oefeningen van de filosofenscholen eruitzagen. De meest bekende is de praemeditatio mortis. Daarbij richt je je aandacht op het feit dat je eens zult sterven, zodat je door de eindigheid van je leven niet overvallen wordt. De bedoeling daarvan is je bewust te maken ‘van de oneindige waarde van het bestaan’. Dit stimuleert om in het heden te leven, zonder je over het verleden te verontrusten en je zorgen te maken over een onzekere toekomst.’ (p.220)
Hadot maakt vervolgens duidelijk hoe deze praktische filosofie annex oefeningen voor een groot deel overgenomen is door de christelijke monniken van de vroege kerk. Vandaar loopt er een regelrechte lijn naar de geestelijke oefeningen van Ignatius van Loyola.

In het tweede deel van het eerste boek beschrijft Hadot hoe gecompliceerd de figuur van Socrates is. Bekend is dat Socrates zijn gespreksmethode vergelijkt met het werk van een vroedvrouw: hij draagt niet een bepaalde visie uit maar stimuleert z’n gesprekspartners helder te krijgen waar ze zelf staan.
Het derde deel bevat een studie van het stoïcisme van de keizer-filosoof Marcus Aurelius, die sterk blijkt aan te sluiten bij de slaaf-filosoof Epictetus.

De drie onderwerpen daarna (de historicus Michelet, bekering en negatieve theologie) hebben mij minder geboeid, maar in het zesde deel staan we weer midden in het hoofdonderwerp van het boek: het praktische van de antieke filosofie.
Nieuw voor mij was wat Hadot schrijft over het karakter van de werken van de oude filosofen. Volgens hem moeten wij die anders lezen dan tegenwoordige filosofie-boeken. Die oude werken zijn geen afgewogen geheel die op zichzelf staan maar zijn dienstbaar aan de mondelinge overdracht. Dat verklaart waarom die oude filosofie-boeken niet altijd even toegankelijk zijn en tegenstrijdigheden bevatten. Ze vormen nu eenmaal het startpunt voor nader onderwijs en onderlinge gesprekken of ze zijn het verslag daarvan.

In het tweede boek bespreekt Hadot de opkomst van het begrip ‘filosoferen’. Daarna komen alle grote namen voorbij: Socrates, Plato en Aristoteles met elk hun school. Vervolgens de hellenistische scholen, die het cynisme (Diogenes), epicurisme (Epicurus), stoïcisme (Chrysippus en scepticisme (Pyrrho) uitdragen. Hadot beschrijft hoe die scholen meer waren dan onze filosofische faculteiten; het waren heuse levensgemeenschappen, waar mensen intensief met elkaar optrokken en aandacht hadden voor heel de werkelijkheid waarin ze leefden. Bij de Romeinse tijd horen namen van stoïcijnen als Cicero, Seneca en Marcus Aurelius en iemand als de neoplatonist Plotinus.
Ook in dit boek gaat Hadot er uitgebreid op in hoe praktisch de filosofie was en altijd samenging met het verrichten van geestelijke oefeningen.

In deel 3 staat Hadot stil bij de manier waarop het opkomende christendom is omgegaan met de antieke filosofie. Ook nu komen de monniken weer voorbij als de erfgenamen van de antieke oefeningen. Hadot constateert dat in de Middeleeuwen de focus van de theologen vooral lag op het theoretische aspect van de antieke filosofie, zoals ze ook de theologie vooral als theorie benaderden. Het doel van deze en andere wetenschappers was – anders dan in de antieke tijd – niet om hun studenten innerlijk te vormen maar om hen deskundigheid bij te brengen. Een betreurenswaardige ontwikkeling. Wat buiten het boek van Hadot valt is dat de laatste decennia gelukkig weer meer de vraag gesteld wordt naar de relevantie van de theologie.

Zoals gezegd kon niet alles in deze twee boeken van Hadot mij boeien. Maar telkens als de praktische kant van de oude filosofie aan de orde kwam, maakte hij mij enthousiast.
Hadot heeft me aan het denken gezet over de pijnlijke vraag in hoeverre ik als theoloog en catecheet te theoretisch bezig ben geweest. Tegelijk ben ik gestimuleerd te bekijken wat van deze oefeningen bruikbaar is voor mij in m’n leven als christen. In elk geval heb ik me voorgenomen me verder te verdiepen in de stoïcijnse oefeningen.

Dirk Bouts en ‘stomme beelden’

Geboeid heb ik van Maurits Smeyers het boek ‘Dirk Bouts, schilder van de stilte‘ (1998) gelezen. Dirk Bouts is plm. 1410 in Haarlem geboren maar is beroemd geworden in Leuven, waar hij in 1475 overleed. Hij wordt gerekend tot de zogenaamde Vlaamse Primitieven uit de 15de eeuw, zoals Jan van Eyck en Rogier van der Weyden voor hem en Hugo van der Goes en Hans Memling na hem.

Als ik me verdiep in hun schilderwerk doet het me zeer als ik in Zondag 35 van de Heidelbergse Catechismus lees: ‘Zou men de beelden als ‘boeken der leken’ in de kerken mogen toelaten? Nee, want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die zijn christenen niet door stomme (zwijgende) beelden, maar door de levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen.’
Natuurlijk, de auteurs van deze passage hadden best wel een punt: het onderricht van de kerkleden middels catechese en prediking was toentertijd vaak heel mager; bovendien ging het gebruik van afbeeldingen veelal gepaard met een verering van heiligen die ten koste ging van Christus.
Maar zoals vaker: de reformatorische critici zijn in hun afkeuring doorgeschoten.

Het is waar dat de focus in het Nieuwe Testament ligt op (het luisteren naar) het verkondigde Woord, maar er is evengoed sprake van sacramenten: de doop en het avondmaal. In navolging van Calvijn staat in artikel 33 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis weliswaar de zuinige uitspraak dat die zijn ingesteld omdat God ‘met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt’. Maar naar mijn overtuiging is dat een onbegrijpelijk-verschraalde benadering van de sacramenten. Die zijn ons naast het gepredikte Woord gegeven omdat God niet alleen ons gehóór wil inschakelen om ons met zijn evangelie te bereiken maar ál onze zintuigen, dus ook ons vermogen tot zien, ruiken, proeven en voelen. In dat opzicht zijn de hoofdstukken uit het Oude Testament over de tabernakel en de tempel nog altijd heel leerzaam.

Alleen daarom al (dus afgezien van hun esthetische en emotionele waarde) zijn de Vlaamse schilderwerken uit de 15de eeuw ook voor hedendaagse christenen van betekenis: zij kunnen eraan meewerken dat de bijbelse boodschap nog indringender bij ons binnenkomt. Het is nu eenmaal een feit: anders dan de meeste tegenwoordige schilderijen waren hun werken geen vrije expressies van hun persoonlijke emoties. Ook Bouts wilde recht doen aan het evangelie zoals hij dat in de kerk had geleerd. Daarom had hij er vast geen moeite mee dat hij van zijn opdrachtgever twee theologen van de universiteit van Leuven moest inschakelen om tot een juiste invulling te komen van het drieluik met het laatste avondmaal. Wie al mediterend de vijf afbeeldingen van deze triptiek met z’n ogen bij langs loopt, krijgt vele bijbelse aspecten te zien die met het avondmaal verbonden kunnen worden. Smeyers heeft enkele bladzijden nodig om daar recht aan te doen; zie ook het digitale document van Paul Verheijen: Verheijen

Even rijk aan meditatief materiaal is het drieluik met de gebeurtenissen rond Maria, vermeld in Lucas 1-2, zie: Maria. Wat Smeyers hierover vertelt, maakt duidelijk dat vele passages van de Bijbel opgeslagen moeten worden om dit kunstwerk goed te kunnen ‘lezen’.
Deze beide kunstwerken tonen aan dat het onjuist zou zijn hier te spreken van ‘stomme beelden’. Het tegendeel is waar: door deze afbeeldingen wordt de inhoud van het Woord je welsprekend op het hart gebonden.

Maar niet alleen de werken met een weergave van gebeurtenissen fungeren als devotie-afbeelding. Ook ‘portretten’ van Christus (de link naar Verheijen geeft daarvan twee voorbeelden) geven aanleiding tot ingetogen bezinning op wat Christus voor ons betekent. Dus weer geen tegenstelling tussen Woord en beeld. Het is juist omgekeerd: het beeld vergroot het effect van het Woord – net zoals kerkliederen de tekstuele inhoud bij de zanger extra laten binnenkomen.
Overigens was Bouts niet uniek in dit soort voorstellingen. Alleen, terwijl zijn Christus-portretten verstild zijn, zijn die van bijvoorbeeld z’n zoon Albrecht meer dramatisch, zie bijvoorbeeld het portret uit het Twentsch Museum in Enschede: Christus.
Dirk Bouts kan zo stimuleren om de eenzijdige nadruk op het Woord in de liturgie in te ruilen voor de inschakeling van al onze zintuigen. Op deze manier doen we recht aan God als Schepper, want Hij heeft ons meer gegeven dan onze oren. Als we ons willen openstellen voor het evangelie, moeten we naast onze oren dus evengoed onze ogen gebruiken, onze smaak, onze tastzin en ons voelen. God, onze Schepper, wil dat we ons met ons totale mens-zijn op Hem richten. Een schilder als Bouts kan ons daarbij helpen.

Maar nu verder over het boek van Smeyers. Op p.151 geeft hij een bondige typering van het werk van Bouts: Zijn schilderijen ‘zijn oorden van stilte, van meditatie en van geestelijke beleving, maar tegelijk vormen ze ook een bijdrage tot de 15de-eeuwse pronkcultuur, zowel door de rijke stoffering als door de schitterende kleuren. In die zin kunnen we zeggen dat Bouts een introverte en een extroverte tendens met elkaar verbindt.’
In de bladzijden die hieraan voorafgaan toont Smeyers aan hoe waar deze typeringen van Bouts zijn. Z’n boek mag beperkt van omvang zijn (159 bladzijden, incl. bijlagen), het gaat uitgebreid in op wat we biografisch van Bouts weten (niet zo heel veel). Ook wordt aandacht gegeven aan de verbindingen tussen de verschillende Vlaamse schilders uit de 15de eeuw. De hoofdmoot van het boek is een bespreking van de belangrijkste werken van Bouts, waarbij diverse (in kleur weergegeven) afbeeldingen gedetailleerd vanuit de Bijbel geïnterpreteerd worden. Uit dit laatste blijkt dat je zonder grondige bijbelkennis heel veel op Bouts schilderijen over ‘t hoofd ziet.
Al met al is het een waardevol en toegankelijk boek.

Vlaamse wijsheid

Tegenwoordig is de Vlaming Dirk De Wachter een veel gelezen auteur en druk bezochte spreker. En terecht. Hij is psychiater-psychotherapeut en doceert aan de Katholieke Universiteit in Leuven.  Net heb ik twee boeken van hem gelezen: ‘Borderline Times. Het einde van de normaliteit‘ (in 2012 verschenen en sindsdien vele malen herdrukt) en ‘De kunst van het ongelukkig zijn‘ (verschenen in 2019).

‘Borderline Times’ geeft een fascinerende analyse van wat er in onze samenleving gaande is. De Wachter verdedigt de stelling dat de psychiatrische diagnose borderline niet alleen op individuen van toepassing is maar eveneens op onze samenleving. Die ziet hij gekenmerkt door in elk geval deze acht fenomenen:

1)  Verlatingsangst. Al surfen we met z’n allen mee op de golven van het World Wide Web, toch zijn er zelden zoveel mensen geweest die eenzaam door het leven gaan. Om dit toe te lichten bespreekt De Wachter de individualisering, de toenemende verstedelijking, het wegvallen van het (kern)gezin, de teloorgang van het geloof met z’n zingeving en het verdwijnen van de consensus.

2)  Instabiele en intense relaties. Al zijn relaties tegenwoordig meer intensief dan vroeger, ze zijn tegelijkertijd veel losser. De auteur licht dit toe door in te gaan op de romantische liefde, de wegwerpcultuur en  het hedonisme.

3)  Onaangepaste agressie. Er is een wijd verspreid gebrek aan controle over eigen kwaadheid. Daarbij moeten we niet alleen denken aan gewelddadige gezinsdrama’s of bloedbaden. In dit verband komen aan de orde: de televisie- en computercultuur als voedingsbodem, hooliganisme als extreme uitingsvorm van zinloosheid, overheersend gevoel van machteloosheid en de mens als agressief zoogdier.

4)  Identiteitsstoornissen. We kunnen maar moeilijk de confrontatie aan met zingevingsvragen als ‘wie zijn wij?’, ‘wat doen we hier?’, ‘waartoe dient het allemaal?’ Ter verklaring hiervan wijst de auteur op het verdwijnen van traditionele sjablonen, het vervagen van sekserollen, de betekenis van mode, lifestyle en design, het gebrek aan woorden, het gemis aan ‘aarding’.

5)  Affectlabiliteit. Als er geen fundering is, geen basis om op terug te vallen, lijden we aan emotionele labiliteit. Dit werkt De Wachter uit door in te gaan op de afwezigheid van diepte, de genots- of kickcultuur, de hang naar het vluchtige/nieuwe en ons leven in het permanente ‘nu’.

6)  Impulsiviteit. We leven op de top van onze driften, want we zijn erop gespitst om te genieten; alles moet snel, steeds nieuw, steeds anders. Op diverse gebieden geeft de auteur voorbeelden van impulsief gedrag: seksualiteit, het gebruik van middelen (alcohol, pillen, drugs) en het verschijnsel dat alles (inclusief bibliotheken en musea) ‘fast, short, kicking, new and loud’ moet.

7)  Voorbijgaande dissociatie-symptomen. Hierbij wijst De Wachter op het feit dat een toenemend aantal mensen dagelijks tijd reserveert voor het creëren en onderhouden van een virtuele identiteit. Daarbij kan gedacht worden aan de schijnwereld van Second Life of het ideaalbeeld dat getoond wordt op sociale netwerksites als Facebook. Hiermee verwant zijn de collectieve reacties op ingrijpende gebeurtenissen, die meestal even snel verdwijnen als ze opgekomen zijn.

8)  Automutilatie en suïcidaliteit. In het geval van borderline als psychiatrische diagnose is het de patiënt zelf die zich wat aandoet, maar in het geval van borderline als maatschappelijk fenomeen wordt gebruik gemaakt van een ander: de cosmetisch chirurg of de euthanasie-arts. In dit hoofdstuk komt de lichaamscultuur aan de orde annex de cosmetische industrie alsook het euthanasie-debat.

9)  Zinloosheid en leegte. We hebben geen antwoord meer op de bekende vragen: wie ben ik, waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe?  Dit heeft alles te maken met de ontkerkelijking en het einde van de grote verhalen.

De Wachter heeft dit alles heel toegankelijk en concreet en daardoor heel herkenbaar beschreven. Je zou verwachten dat z’n boek wel somber móet eindigen. Dat is niet het geval, want het slothoofdstuk gaat over hoop. De Wachter verwijst allereerst naar diverse auteurs die, zoals hij zegt, de broodnodige luizen in de pels (kunnen) zijn van de maatschappij van nu. Daarnaast laat hij hoopvolle tegenstemmen horen van mensen en bewegingen die zich voor positieve veranderingen inzetten. Hij verdedigt de waarde van kunst en cultuur, terwijl hij in een epiloog een lans breekt voor de filosoof Emmanuel Levinas, die nadruk legt op onze verantwoordelijkheid voor de ander.

Dit laatste is meteen ook de kern van het tweede, aanzienlijk dunnere  boek dat ik van De Wachter noemde: ‘De kunst van het ongelukkig zijn’. Letterlijk schrijft hij daarin (p.86): ‘Streven naar geluk als levensdoel is een vergissing. Streven naar zin en betekenis, daarentegen, is waar het leven om draait. Proberen te zorgen voor anderen in de ruime zijn van het woord, geeft een voldaan, ja, zelfs gelukkig gevoel. Het is een geluksgevoel van een wezenlijk soort.’

In dit boek gaat de auteur in deel 1 uitgebreid in op de vraag wat geluk eigenlijk is. Daarbij komt – in feite aansluitend bij ‘Borderline Times’ – aan de orde hoe in de tegenwoordige samenleving tegen geluk wordt aangekeken. Een citaat: ‘In deze doordrammende wereld betekent geluk succes en is het maakbaar en meetbaar’ (p.21). Je kunt zelfs spreken van ‘de terreur van het geluk’ (p.22). Het gevolg hiervan is dat we geen raad meer weten met on-geluk: ‘Als het op ons pad komt, willen we het verdriet wegmoffelen, wegdenken zelfs: het hoort er niet te zijn’. Hiertegenover benadrukt De Wachter: ‘De kunst van het leven is volgens mij accepteren dat lastigheden en tekorten bij het leven horen en (voegt hij eraan toe) ze delen met anderen. Als je dat doet, zal verdriet draaglijker worden’ (p.26). En even verder: verdriet en ongeluk, hoe lastig ook, zijn waardevol, want: ‘ze geven aanleiding tot nabijheid, en nabijheid werkt gelukkig-makend.’

In deel 2 staat de auteur stil bij aspecten van ongeluk. Waardevol is zijn observatie dat de huidige gezondheidsrage ‘zich niet inzet voor de afwezigheid van ziekte, maar voor een obsessioneel perfectionisme waarin eeuwige jeugd, ideale maten, atletische spieren en marathonconditie vooropstaan’ (p.45). Hij bepleit dat we verdriet niet door medicatie wegdrukken maar het onder ogen zien, tijd geven en vooral ook met anderen delen. Gesprekken over het eigen verdriet, zelfs over het sterven, kunnen heel verbindend werken.

Deel 3 heeft als titel: zin. Daar komt De Wachter met een prachtige paradox: ‘alleen door gevoelig te zijn voor onrecht en ongeluk vinden we een duurzame vorm van geluk, in de vorm van betekenis en zorg’ (p.82). Daarom spoort hij aan: Probeer zorgzaam te leven in functie van het geluk van een ander. Het zal je gelukkiger maken.’ (p.85).

Op p.64 typeert De Wachter zich als een christelijk non-theïst. Geen atheïst, omdat hij ‘het goddelijke een respectvolle plaats’ geeft; christelijk, omdat hij ‘de waardevolle christelijke traditie, met engagementen, spiritualiteit en de kunst natuurlijk, niet wil weggooien’. De tijd van niet-gelovigen als Jan Wolkers en Maarten t’Hart met hun afkeer van het christelijke lijkt voorbij te zijn. Dat is te merken in beide boeken van De Wachter: die zijn gedrenkt in observaties en waarden waarmee ook een christen voluit z’n winst kan doen.

Europa in de twintigste eeuw

Wie beelden ziet van de strijd in Syrië tussen Assad met z’n regeringstroepen en z’n jihadistische vijanden, die elkaar onderling ook weer bevechten, kan alleen maar verbijsterd zijn: ‘Dat mensen, in een land dat zo rijk is aan natuurschoon en culturele schatten, elkaar zonder enig mededogen zulke verschrikkelijke dingen aandoen, en het houdt maar niet op!’ Zo maar kan er dan een houding ontstaan van arrogantie vanuit de gedachte dat wij in West-Europa tenminste weten hoe je humaan met elkaar moet omgaan.
Een dergelijke arrogantie leer je meteen af als je kennisneemt van de geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw. Graag verwijs ik naar: Bernard Wasserstein, Barbarij en beschaving. Een geschiedenis van Europa in onze tijd (2008, 850 blz. tekst)) en de tweeluik (ruim 1200 blz.) van Ian Kershaw, De afdaling in de hel: Europa 1914-1949 (2015), en: Een naoorlogse achtbaan: Europa 1950-2017 (2018). Drie meesterwerken die een imponerend en uiterst leesbaar overzicht geven van de Europese geschiedenis van de laatste eeuw, waarbij de ene auteur een mooie aanvulling geeft van de andere. Het voert te ver de boeken te bespreken. Ik geef alleen iets door van wat de lectuur van deze boeken bij mij opriep.

Het meest opvallend aan Europa in de twintigste eeuw is het ontstellend grote aantal slachtoffers door oorlogen en overheidsoptreden. Zonder aarzeling kunnen we zeggen dat deze tijd van dit werelddeel de bloedigste is geweest van de hele mensheid. Allereerst zijn er miljoenen soldaten gesneuveld in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Toen kwam de Russische Revolutie met haar duizenden executies in de beginperiode, in de jaren dertig gevolgd door de terreur van Stalin met z’n miljoenen slachtoffers, onder meer in de Oekraïne. En daarna werd het zogenaamde Derde Rijk van de nazi’s gesticht met Hitler als Führer, door wiens toedoen miljoenen soldaten de dood ingedreven en miljoenen Joden systematisch vermoord zijn, waar nog de honderdduizenden gedode burgers bij komen, mee door geallieerde bombardementen. Treffend typeert Kershaw deze drie episodes als ‘de afdaling in de hel’.
Over slachtoffers gesproken: ik wist niet dat de Spaanse griep uit 1918-1919 (zo genoemd omdat de Spaanse kranten daar het eerst over berichtten) wereldwijd meer doden heeft gekost dan de hele Eerste Wereldoorlog: maar liefst 20-40 miljoen, in Nederland alleen al 40.000. Getallen die we alleen kennen uit de tijd dat de pest rondwaarde in Europa.

Terug naar de slachtoffers van de beide wereldoorlogen en Stalins terreur: telkens als ik van deze gruwelijke feiten kennisneem, vraag ik me af hoe dit alles heeft kunnen gebeuren in een (groten)deels christelijk werelddeel, waar de mensen vertrouwd waren of in elk geval konden zijn met Christus’ gouden regel: ‘Behandel anderen zo als jij door hen behandeld wil worden’. Deze regel blijkt soms (of vaak?) geen effect gehad te hebben op de gemiddelde Europese mens. Ik weet wel, ook mensen die onder invloed van Christus’ Geest staan, blijven last houden van hun slechte ik. Ook weet ik dat een onchristelijke ideologie mensen zo kan beïnvloeden dat ze probleemloos in staat zijn tot de meest wrede acties. Bedenk maar hoe brave huisvaders aan het Oostfront beestachtig tekeer gingen tegen wat zij zagen als Joods en Slavisch ongedierte. Toch blijft het me dwarszitten dat het christelijk geloof alleen al in de twintigste eeuw zo weinig heeft uitgericht.

Wat me ook verbaast, is de manier waarop de Russen met hun verleden omgaan.
Terwijl elke familie wel slachtoffers kent van Stalins terreur uit de jaren dertig, zijn er toch tallozen die hem nog altijd of opnieuw vereren. Mensen zijn kennelijk in staat feiten die hun niet welgevallig zijn weg te drukken uit hun herinnering. Vandaar ook dat er, met name jonge, Duitsers zijn die tot op de dag van vandaag Hitler vereren.
Onbegrijpelijk vind ik eveneens hoe Poetin zich tegenover Oekraïne opstelt. De Duitse leiders (denk aan de knielende Willy Brandt in Warschau) hebben hun diep berouw getoond over wat de nazi’s Joden en Polen hebben aangedaan. Maar voor zover mij bekend laat Poetin het nooit merken dat hij zich ervan bewust is dat zijn voorganger Stalin miljoenen Oekraïense boeren heeft laten creperen.

De genoemde boeken maken nog eens duidelijk dat de West-Europeanen onrecht doen aan de beslissende bijdrage die de Sovjetlegers hebben geleverd aan het verslaan van de nazi’s. Heel trots hebben wij het over D-day. Natuurlijk, tijdens de invasie op de Normandische stranden is heroïsch gevochten en eveneens de strijd daarna is uitermate belangrijk geweest voor de neergang van het Derde Rijk van de nazi’s. Maar de beslissing in de strijd tegen Hitler is niet in Frankrijk gevallen maar in het westen van de Sovjet-Unie, waar miljoenen Sovjetsoldaten gesneuveld zijn in hun verzet tegen Hitlers legers, onder meer bij hun verdediging van Stalingrad. Zonder hun offers was de invasie in 1944 mislukt of had die in elk geval pas veel later kunnen plaatsvinden.

Een bekende uitdrukking is: ‘Als de geschiedenis ons één ding leert, is het dat we niks van de geschiedenis leren.’ Vaak gaat deze uitspraak op. Maar op één punt blijken we toch geleerd te hebben en dat is de manier waarop we als overwinnaar een verslagen land moeten behandelen. Na de Eerste Wereldoorlog hebben Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten hun uiterste best gedaan om het verslagen Duitsland en Oostenrijk tot op het bot te vernederen. Beide landen raakten aanzienlijke gebieden kwijt, terwijl Duitsland loodzware herstelbetalingen werden opgelegd. Wat een bittere wrok heeft dat opgeroepen, waarmee de basis is gelegd voor de opkomst van Hitler en het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog.
Toen nazi-Duitsland verslagen was, hebben de geallieerden zich ervoor ingezet om Duitsland economisch zo snel mogelijk weer er bovenop te helpen, terwijl het land ook gauw volop in de volkerengemeenschap is opgenomen. Daarom treft het me hoe uitgerekend Duitsland onder leiding van kanselier Merkel in 2015 een moreel voorbeeld heeft laten zien aan de rest van Europa inzake het probleem van de vele vluchtelingen uit met name Syrië.

Bijzonder aan Europa van de twintigste eeuw zijn de talloze maatschappelijke veranderingen die hebben plaatsgevonden en dan vooral vanaf de jaren zestig. Verschrikkelijk is de algemene aanvaarding van abortus provocatus als vorm van geboorteregeling, net alsof het ongeboren kind in de moederschoot niet meer dan een verwaarloosbare klomp cellen zou zijn. Maar er zijn ook mooie ontwikkelingen geweest: de welvaart is geweldig toegenomen en heeft de meeste mensen bereikt. Daarnaast zijn er op media-gebied schitterende uitvindingen gedaan, van de kleurentelevisie tot de computer en smartphone. Hierdoor leven de doorsnee-burgers van Europa op een materieel niveau zoals dat in de geschiedenis van de mensheid ongekend is.

Ik sluit af met een lastig citaat uit het tweede boek van Kershaw, waarin hij het heeft over het jihadistische geweld in West-Europa: “In vroegere eeuwen, met name in het imperialistische tijdperk, had Europa geweld naar andere continenten geïmporteerd. In het eerste decennium van het nieuwe millennium ondervond Europa voor het eerst hoe dat geweld kon terugslaan.” (p.498). Dit citaat heeft mij geschokt omdat Kershaw hiermee trefzeker aandacht vraagt voor de vele zwarte bladzijden uit ons koloniale verleden. Wij moeten dus maar niet een grote mond opzetten over geweld door sommige moslims, alsof wij schone handen hebben. Ons verleden dient ons bescheiden te stemmen als wij het moslim-geweld hier veroordelen. In zekere zin kun je zeggen dat de boemerang van ons vroegere geweld bezig is naar ons terug te keren. Ofwel, als wij geconfronteerd worden met terrorisme kunnen wij eindelijk eens gaan voelen hoe het is om in je vaderland geteisterd te worden door anders-denkende strijders.

Zo roept de geschiedenis van het Europa van de twintigste eeuw, zeker zoals die door Wasserstein en Kershaw vaardig beschreven zijn, veel op om over door te denken.

Eeuwige schoonheid

Het zal 1963 geweest zijn dat ik uit de boekerij van m’n vader het boek ‘Eeuwige schoonheid‘ van E.H. Gombrich las. Ik vond het zo meeslepend dat het mij meteen duidelijk werd: ‘Ik ga kunstgeschiedenis studeren.’ Uiteindelijk ben ik niet verder gekomen dan tot het eerste jaar, met in 1965 een afsluitend propedeutisch examen, een kunstreis naar Toscane en een eindscriptie. Ondanks m’n gebleven liefde voor kunst heb ik de overstap gemaakt naar theologie in Kampen.
Nu, zo’n 55 jaar later heb ik ‘Eeuwige schoonheid’ weer gelezen, dit keer de luxe-editie uit 2017. Tot m’n tevredenheid kwamen de meeste namen en kunstwerken mij bekend voor. Blijkbaar ben ik indertijd in Leiden grondig onderricht en heb ik later m’n kennis goed op peil gehouden.

Nog altijd vind ik het een enthousiasmerend boek. Al komen er tientallen namen voorbij, nooit wordt het boek opsommerig. Gombrich vertelt het verhaal van kunstenaars die met behulp van vormen en kleuren recht proberen te doen aan wat zij kwijt willen. Elke vooruitgangsgedachte wijst hij af: ‘de geschiedenis van de kunst (is) geen verhaal van vooruitgang in technische bedrevenheid , maar van veranderingen in ideeën en behoeften’ (p.42). Dit motiveert hem om zich telkens de vraag te stellen waarom kunstenaar doen zoals ze doen. Dat voorkomt dat je meewarig kijkt naar kunstwerken die gebrekkig gemaakt zouden zijn.
Een prachtig voorbeeld is hoe Egyptische kunstenaars drieduizend jaar lang mensen afgebeeld hebben: je ziet het hoofd en de voeten opzij, de ogen en romp van voren. Daarover schrijft Gombrich: ‘Wij moeten vooral niet denken dat Egyptische kunstenaars meenden dat menselijke wezens er zo uitzagen (…) Het gaat erom dat de Egyptische kunst niet was gebaseerd op wat de kunstenaar op een gegeven ogenblik kon zien, maar eerder op wat hij wist dat tot een persoon behoorde.’ De kunstenaar hield ook rekening met wat hij van iemands betekenis wist. ‘Wij noemen soms een man een ‘hele baas’. De Egyptenaar beeldde de ‘baas’ groter af dan zijn bedienden en zelfs dan zijn vrouw.’ De enige die aan ‘de ijzeren tralies van de Egyptische stijl’ heeft geschud was de ketterfarao Achnaton. (p.59,61,65)
Heel anders gingen de latere Griekse kunstenaars te werk: zij begonnen hun ogen te gebruiken. Hun grootste ontdekking was de ‘verkorting’, waarbij ze bijvoorbeeld op beschilderde vazen een voet van voren gezien afbeeldden (p.74,76).

Het voert te ver om het hele boek te doorlopen. Ik noem enkele zaken die mij getroffen hebben.
Interessant is hoe de latere Griekse kunst invloed heeft uitgeoefend van Rome in het Westen tot India in het Oosten, met als gevolg dat er zowel lijnen lopen naar de vroegchristelijke en byzantijnse als naar de boeddhistische kunst (p.113-126).
Lang hebben christenen bezwaar gemaakt tegen beelden in de kerk, want die zouden te veel overeenkomen met ‘de gesneden beelden’ van de heidense afgoden. Over schilderingen dachten ze verschillend. Paus Gregorius de Grote (604 †) zei het zo: ‘Schilderingen kunnen voor de ongeletterden hetzelfde uitrichten als het schrift voor hen die kunnen lezen’ (p.131). De iconoclasten (beeldenstormers) in de Oosterse kerk bleven bezwaar houden. Vanaf 745 hebben ze decennia lang hun visie kunnen doorzetten. Maar uiteindelijk verloren ze het en sindsdien zijn iconen in de Oosterse kerk algemeen aanvaard, met als argument: ‘Als God in zijn genade heeft kunnen besluiten zich aan de blik van stervelingen te openbaren in de vorm van de mensgeworden Christus, waarom zou Hij zich dan ook niet in zichtbare afbeeldingen willen manifesteren? Wij vereren die afbeeldingen zelf niet zoals de heidenen deden. Wij aanbidden God en de heiligen door die afbeeldingen heen.’
Maar als iconen ‘mysterieuze weerspiegelingen van een bovennatuurlijke wereld’ waren, kon de Oosterse kerk ‘niet meer dulden dat de kunstenaar in deze werken de eigen verbeelding de vrije loop liet’. Het gevolg hiervan was dat de Byzantijnen, ‘bijna even nauwgezet als de Egyptenaren’, zich aan tradities hielden. (p.135).
In vergelijking hiermee komt de kunst in het Westen als rusteloos over, ‘tastend naar nieuwe oplossingen en nieuwe ideeën’ (p.181). Dat blijkt uit de bouwkunst, waarin de Romaanse stijl werd opgevolgd door de Gotiek. Dat blijkt ook uit de schilderkunst. Iemand als Giotto di Bondone (1337 †) volgde ‘de raad van de priesters die de mensen aanspoorden zich, als ze de bijbel en heiligenlegenden lazen, in de geest voor te stellen hoe het er moet hebben uitgezien’. Hij ‘rustte niet voordat hij alles opnieuw had uitgedacht.’ Daardoor schijnen wij ‘de werkelijke gebeurtenis bij te wonen’. (p.198)

Met Giotto begint een heel nieuw hoofdstuk in de westerse kunstgeschiedenis, waarbij zich telkens iets nieuws voordeed: kunstenaars lieten zich inspireren door wat de Romeinen aan gebouwen en beelden hadden nagelaten; het perspectief werd toegepast, waardoor schilders erin slaagden nog beter diepte te suggereren; er werd studie van de anatomie gemaakt door lijken te ontleden. In dit alles was Italië verder dan het Noorden, dat in de 15de eeuw nog trouw bleef aan de middeleeuwse traditie (p.264).
In deze tijd begon langzaam aan de positie van de kunstenaar te veranderen. Hij was ‘niet meer de handwerksman tussen anderen van zijn soort, gereed om bestellingen uit te voeren voor schoenen, kasten of indien men dat wenste, schilderijen. Hij was een kunstenaar.’ Vroeger was ‘het de vorst die zijn gunsten aan de artiesten verleende. Nu waren de rollen eerder omgekeerd, zodat de kunstenaars een rijke vorst of machthebber een gunst bewees door een bestelling van hem aan te nemen.’ (p.282-283)

Boeiend is als Gombrich wijst op de gevolgen van de protestantse reformatie in het Noorden: Duitsland, de Nederlanden en Engeland. Hij typeert die gevolgen zelfs als een crisis, want de kerk viel voor de beeldende kunst weg als opdrachtgeefster terwijl de noordelijke machthebbers minder uit waren op het inschakelen van kunstenaars dan hun Italiaanse collega’s. ‘Wat voor de kunstenaars als bron van regelmatige inkomsten overbleef, was de boekverluchting en het portretschilderen.’ (p.370) Maar er valt meer te zeggen, want er was ‘één protestants land waar de kunst de crisis van de reformatie ten volle doorstond – de Nederlanden’. Daar ‘specialiseerden zij zich in die onderwerpen waartegen de protestantse kerk geen bezwaar kon maken’: toneeltjes uit het dagelijks leven (p.377). Algauw zijn daar landschappen, stillevens en groepsportretten bij gekomen.

Ik sla Gombrichs beschrijving van de 17de en 18de eeuw over. Nieuw in de 19de eeuw was dat de kunstenaars toen het gevoel van veiligheid gingen verliezen. ‘De breuk met de traditie had het veld van de mogelijkheden onbeperkt voor hen opengelegd (…) Maar hoe groter het gebied van hun keuze was geworden hoe minder waarschijnlijk het werd dat de smaak van de kunstenaar overeenstemde met die van het publiek.’ (p.498) Het duidelijkst kwam die spanning naar voren toen de impressionisten zich gingen manifesteren. Hun schilderwerken werden aanvankelijk afgewezen en zelfs belachelijk gemaakt. ‘Het heeft tijd gekost voor het publiek leerde dat men een paar meter afstand moet nemen om een impressionistisch schilderij te kunnen waarderen en zo het wonder te beleven dat al die verwarrende vlekken plotseling op hun plaats terechtkomen en voor ons oog gaan leven.’ (p.517)
Belangrijk in de 19de eeuw was eveneens de ontwikkeling van de fotografie. Die was een klap voor de schilderkunst: ‘Het was niet meer nodig dat de schilderkunst een taak op zich nam die een mechanisch apparaat beter en goedkoper kon vervullen’. (p.518)
Interessant is ten slotte hoe Gombrich een verbinding legt tussen Cézanne en het kubisme, Van Gogh en het expressionisme, en Gaugin en de verschillende vormen van het primitivisme (p.548).
In zijn slotwoord wijst Gombrich er nog op dat het erkennen van meesterschap weinig te maken heeft met onze persoonlijke voorkeur of afkeuring. Zo kun je Rafaël prachtig en Rubens lelijk vinden, maar, zegt hij dan, mijn boek ‘zou niet aan zijn doel hebben beantwoord als lezers niet ook inzien dat beiden weergaloze meesters zijn’ (p.618).

Waar ik hierboven aandacht voor heb gevraagd is maar een fractie van wat Gombrich ons te vertellen heeft. Maar hopelijk heb ik een beetje kunnen aangeven waarom ik ‘Eeuwige schoonheid’ een meeslepend boek vind.
Natuurlijk is het geen perfect boek. Zo heb ik verwijzingen naar de literatuur en de muziek gemist en meestal ook de maatschappelijke en politieke context. Maar ja, dan had Gombrich aanzienlijk meer ruimte nodig gehad. Ondanks deze – te billijken – beperkingen van het boek blijf ik onverminderd enthousiast.

De keuze

De negentigjarige (!) Edith Eva Eger heeft met ‘De keuze. Leven in vrijheid‘ (2017) een indrukwekkend en vaak ontroerend boek geschreven. Daarin vertelt ze hoe ze in een Hongaars stadje in alle vrijheid opgroeide. Maar toen kwamen de nazi’s, die de joden al meer beperkingen oplegden, totdat zij in 1944 met haar ouders en haar oudere zus Marga naar Auschwitz werd gedeporteerd; zestien jaar was ze. Bij aankomst verwees Mengele haar ouders naar de rijen gevangenen die meteen vermoord werden. In het kamp maakte ze een verschrikkelijke tijd door. Ze overleefde die tijd mede dankzij de aanwezigheid en hulp van haar zus. Bovendien voelde ze een innerlijke kracht waardoor ze zich van binnen vrij voelde, ook door wat haar moeder haar tijdens het transport had gezegd: ‘We weten niet wat er gaat gebeuren. Maar onthou dat niemand dat wat je in je eigen gedachten hebt van je af kan pakken.’ Ze ontwikkelde een innerlijke stem die haar voorhield: ‘Dit is tijdelijk; als ik vandaag overleef, zal ik morgen vrij zijn.’  (p.53,63-64)
Toen de legers van de Sovjets naderden, werd Auschwitz grotendeels ontruimd. Maanden lang werden tienduizenden gevangenen, onder wie Edith en haar zus, door Polen, Duitsland en Oostenrijk van kamp naar kamp gesleept, met duizenden doden als gevolg. Uiteindelijk werden Edith en haar zus door Amerikanen bevrijd. Na een lange herstelperiode keerden ze terug naar hun oude woonplaats, waar ze hun derde zus aantroffen, die door haar onjoodse uiterlijk de oorlog had overleefd. Edith trouwde met Béla Eger en omdat ze geen perspectief hadden in Oost-Europa, emigreerden ze naar de Verenigde Staten. Daar kregen ze drie kinderen. Toen Edith 42 jaar was, rondde ze haar studie psychologie af. Zelfs lukte het haar te promoveren. Onderwijl maakte ze carrière als docent en therapeut.

Je kunt je afvragen wat voor zin het heeft om nog weer een boek te schrijven over het leven vóór, in en na Auschwitz. Het unieke van Egers boek is dat het niet allereerst gaat om haar belevenissen. Die worden dan ook heel terughoudend beschreven. Het gaat de auteur vooral om twee vragen: ‘Hoe kun je zulke verschrikkingen als een verblijf in Auschwitz overleven?’ en: ‘Hoe kun je in de tijd daarna met zulke afschuwelijke herinneringen toch voluit leven?’ De antwoorden die Eger voor zichzelf leerde formuleren, benut zij in haar therapeutisch werk.

Het was zwaar voor haar om grip te krijgen op haar verleden. Steeds kreeg ze flashbacks. ‘Dan heb ik het gevoel dat ik ga flauwvallen. Ik heb geen naam voor deze ervaringen. Ik begrijp nog niet dat ze een lichamelijke manifestatie zijn van het verdriet dat ik nog niet heb verwerkt. Een aanwijzing van mijn lichaam, als herinnering aan de gevoelens die ik heb verbannen uit mijn bewuste leven. Een storm die me overvalt op de momenten dat ik mezelf geen toestemming geef om te voelen.’ (p.197) Ze begon al meer te begrijpen: ‘Om te genezen moeten we de duisternis omarmen’ (p.264).  Haar eerste stap was dat ze verantwoordelijkheid nam voor haar gevoelens en die niet langer onderdrukte of uit de weg ging.’ (p.280)
Daarbij heeft het beroemde boek van een kampgenoot uit Auschwitz, de psychiater Victor Frankl (‘De zin van het leven’) een beslissende grote rol gespeeld. Ze kreeg het boek 21 jaar na haar bevrijding in handen. In dat boek beschrijft Frankl hoe hij het kamp heeft kunnen overleven. Op basis van z’n ervaringen heeft hij toen in de VS z’n logotherapie ontwikkeld, waarbij hij bij z’n cliënten de wil-tot-betekenis activeert. Met Frankl heeft Eger intensief contact gehad. Daarnaast is ze voortdurend gevormd door haar cliënten.

Uiteindelijk kijkt Eger positief terug op haar leven. Nog altijd heeft ze last van flashbacks. Ze draagt pijnlijke beelden met zich mee en rouwt om de verliezen in het verleden. Maar ze voelt zich niet langer geen slachtoffer. ‘Ik voel enorme liefde en dankbaarheid.’ (p.279)
Het is dan ook de moeite waard om kennis te nemen van haar therapeutische benadering. Daarom geef ik graag een aantal citaten door:

p.20: Wat er is gebeurd, mag nooit meer vergeten worden en kan nooit worden veranderd. Maar in de loop der tijd heb ik geleerd dat ik ervoor kan kiezen hoe ik reageer op het verleden. Ik kan me ellendig voelen of hoopvol zijn. Ik kan depressief zijn of gelukkig. We hebben altijd die keuze, die mogelijkheid om er de leiding over te nemen. Ik ben hier, dit is het heden. Dit zinnetje heb ik mezelf aangeleerd te zeggen, telkens weer, tot het paniekerige gevoel wegebt.
De gangbare opvatting is dat wanneer iets je dwarszit of je angstig maakt, je er gewoon niet naar moet kijken. Blijf er niet in hangen. Blijf erbij uit de buurt. Zodoende rennen we weg van trauma’s en moeilijkheden uit het verleden, van ongemak of een conflict dat we nu ervaren. Het grootste deel van mijn volwassen leven dacht ik dat mijn overleven in het heden afhing van het opgesloten houden van het verleden en zijn duistere kanten.

p.21: In mijn angst om door het verleden te worden opgeslokt, werkte ik erg hard om mijn pijn verborgen te houden. Doordat ik ervoor koos om het verleden en mezelf niet rechtstreeks onder ogen te zien, koos ik er, tientallen jaren nadat mijn gevangenschap letterlijk was beëindigd, nog altijd voor om niet vrij te zijn. Mijn geheim hield me gevangen. Wanneer we onze waarheden en verhalen dwingen om zich te verstoppen, kunnen de geheimen hun eigen trauma, hun eigen gevangenis worden. In plaats van dat de pijn minder wordt, wordt datgene wat we weigeren te accepteren net zo’n onontkoombare gevangenis als een echte gevangenis met stenen muren en ijzeren tralies. Als we onszelf niet toestaan om te rouwen om ons verdriet, onze wonden en teleurstellingen, zijn we ertoe verdoemd om ze telkens opnieuw te beleven. Je kunt vrijheid vinden in het accepteren van wat er is gebeurd. Vrijheid betekent dat we de moed verzamelen om de gevangenis af te breken, steen voor steen.

p.22: Lijden is universeel. Maar het slachtofferschap is optioneel. Er zit een verschil tussen ‘het slachtoffer worden van’ en ‘de slachtofferrol’. De kans is groot dat we gedurende ons leven allemaal een keer op een bepaalde manier ergens het slachtoffer van worden. Op een bepaald moment zullen we lijden onder een kwelling, ramp of misbruik, veroorzaakt door omstandigheden, mensen of organisaties waar we weinig tot geen invloed op hebben. Zo zit het leven in elkaar. Dat is ‘het slachtoffer worden van’. Het komt van buitenaf.
Daartegenover staat de slachtofferrol, die van binnenuit komt. Niemand kan van jou een slachtoffer maken. Dat kan alleen jij zelf. We worden niet een slachtoffer door wat er met ons gebeurt, maar doordat we ervoor kiezen om vast te houden aan onze slachtofferrol. We ontwikkelen de denkwijze van een slachtoffer: een manier van denken en zijn, die star, verwijtend, pessimistisch, bestraffend is. We zitten dan vast in het verleden, we zijn niet in staat te vergeven. Wanneer we kiezen voor de beperkte denkwijze van het slachtoffer, worden we onze eigen gevangenisbewaarders.
p.23: Het is niet zo dat mijn pijn erger of minder erg is dan die van jou. Als we onze pijn bagatelliseren of onszelf straffen omdat we ons verloren, geïsoleerd of bang voelen vanwege de uitdagingen in ons leven, hoe onbetekenend deze uitdagingen ook mogen zijn voor anderen, dan kiezen we nog steeds voor de slachtofferrol. We veroordelen onszelf. Ik wil niet dat je mijn verhaal leest en zegt: ‘Mijn lijden is minder belangrijk.’ Ik wil dat je mijn verhaal leest en zegt: ‘Als zij het kan, dan kan ik het ook!’

p.116: De pijn van het weten is barmhartig. Daardoor kun je de reden voor de pijn vaststellen en duidelijk maken wat er moet genezen.
p.162: Ik probeerde mijn herinneringen aan het verleden uit te bannen. Ik dacht dat het een kwestie van overleven was. Slechts na vele jaren ging ik begrijpen dat pijn niet verdwijnt door ervoor weg te lopen. Dat maakt de pijn juist erger. Door weg te lopen voor het verleden, voor mijn angst, kon ik geen vrijheid vinden. Ik maakte van mijn angst een cel en draaide hem op slot door te zwijgen.
p.195: Ik ben mijn eigen gevangenbewaarder geworden door tegen mezelf te zeggen: ‘Het maakt niet uit wat je doet, je zult nooit goed genoeg zijn.’
p.213: We kunnen ervoor kiezen om de verantwoordelijkheid voor onze moeilijkheden en onze genezing op ons te nemen. We kunnen ervoor kiezen om vrij te zijn.
p.316: De belangrijkste waarheid die ik ken is dat je eigen gedachten de grootste gevangenis zijn en dat de sleutel in je zak zit: de bereidheid om de totale verantwoordelijkheid voor je leven te nemen.
p.318: Je kunt niet veranderen wat er is gebeurd, je kunt niet veranderen wat je hebt gedaan of wat je is aangedaan. Maar je kunt ervoor kiezen hoe je nú leeft.

Ik aarzel of Eger terecht verwacht dat iedereen kan kiezen. Bij sommige mensen heb ik de indruk dat kiezen er gewoon niet in zit omdat hun mogelijkheden te beperkt zijn. Hoe dit ook zij, Eger heeft een hoopvol boek geschreven.

Christelijke dogmatiek

G. van den Brink en C. van der Kooi hebben met hun ‘Christelijke dogmatiek‘ (2012) een boeiend verhaal geschreven. Anders dan McGrath en net als Van Genderen en Velema (zie m’n vorige leeservaring) komen zij met een totaaloverzicht en dragen ze telkens hun standpunt uit. Daarbij gaan ze in gesprek met vroegere en tegenwoordige theologen, terwijl de fundering vanuit de Bijbel ook volop aan bod komt.
Het is onmogelijk een boek dat qua bladzijden en onderwerpen zo omvangrijk is, in een korte reactie recht te doen. Bladerend door het boek volsta ik daarom met enkele waarnemingen.

Ik ben ermee opgegroeid dat theologen volledig werden afschreven als ze op een belangrijk punt een afwijkende koers volgden. Van den Brink en Van der Kooi gaan anders te werk. Soms komen ze met scherpe kritiek, bijvoorbeeld dat Barth voor alverzoening pleit of dat Berkhof het God-zijn van Christus en dus ook de Drie-eenheid afwijst. Maar vervolgens laten ze Barth en Berkhof in de rest van hun boek voluit meedoen als gesprekspartners die veel te bieden hebben. Deze open houding spreekt me erg aan.

Boeiend is hoe de auteurs over de drie-eenheid schrijven. Zoals zij dat doen, wordt duidelijk dat we hier niet met een onmogelijke theorie te maken hebben, maar met de kern van het christelijk geloof. In deze leer ontmoeten we God zoals Hij met zijn diversiteit gericht is op onze redding. Daardoor wordt meteen begrijpelijk waarom in de vroege christelijke kerk fel gestreden is over de drie-eenheid. Het ging de theologen van toen er niet om dat ze er greep op wilden krijgen hoe God ‘in elkaar steekt’ maar hoe God met zijn liefde op ons betrokken is.

Jammer vind ik dat de auteurs geregeld zeggen dat de mens ‘beelddrager van God’ is (bijvoorbeeld p.241). Volgens mij klopt dat talig niet. De mens ís het beeld van God en dat is iets anders dan dat de mens Gods beeld zou dragen. Wat de auteurs inhoudelijk over dit onderwerp zeggen, is overigens de moeite van het kennisnemen waard. Wel denk ik dat hun benadering er wat anders uitgezien had als ze verwerkt hadden wat A. Kruyswijk in z’n proefschrift ‘Geen gesneden beeld….’ uit 1962 heeft aangedragen. Dit boek wordt door hen niet eens genoemd (wel door Van Genderen en Velema).

Verhelderend is wat de auteurs schrijven over de verschillende visies op de tijd tussen sterven en opstanding. Slechts in kleine letters wijzen ze erop: ‘Zowel rooms-katholieken als protestanten geloven van huis uit dat de gelovigen onmiddellijk na hun dood reeds een bewuste relatie met God genieten’ (p.252). Opmerkelijk vind ik dat ze zelf nalaten (hiervoor) te kiezen, o.a. doordat ze de uitleg van Lucas 23:43 en Filippenzen 1:23 ‘niet probleemloos’ verklaren en volgens mij ook doordat ze amper aandacht geven aan 2 Korintiërs 4:1-4.

Belangrijk is dat de auteurs ons ervoor waarschuwen dat we de theologische uitspraak over de totale verdorvenheid van de mens niet psychologisch moeten uitleggen – als zou de mens nooit iets goeds kunnen doen (p.276). De mens kan zich op allerlei gebieden juist prima redden, maar hij is ‘niet in staat vanuit zichzelf de relatie met God te herstellen’. De uitspraak in Zondag 3 van de Catechismus dat we ‘helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds’ wordt in de Dordtse Leerregels (III/IV,3) dan ook verduidelijkt (de auteurs maken hier geen melding van) doordat daar gezegd wordt: ‘onbekwaam tot enig zaligmakend goed’, wat in de GKV-versie zo omschreven wordt: ‘niet in staat ook maar iets voor hun behoud te doen’. Goed beschouwd hoeft de zondeleer van de Reformatie dus geen depressogeen effect te hebben.

De auteurs houden vast aan de historiciteit van de zondeval. Toch gaan ze ervan uit dat het begin van de mensheid niet bestaat uit Adam en Eva, want volgens hedendaagse wetenschappelijke theorievorming moeten we volgens de auteurs denken aan ‘polygenisme’: ‘de oorspronkelijke populatie bedroeg naar het zich laat aanzien minstens zo’n 5000 à 10.000 mensen’ (p.278). Ik snap deze uitspraak niet. Hoe kunnen wetenschappers zoiets met een zekere stelligheid zeggen, terwijl ze duizenden jaren later leven, slechts een fractie van de wereld onderzocht hebben en de meeste menselijke resten verdwenen zijn? Bovendien, als je polygenisme wilt combineren met Genesis 2-3 kan dat volgens mij alleen met behulp van onbewijsbare speculaties. Ik troost me met de gedachte dat deze passage in kleine letters staat en geen invloed heeft op de rest van het hoofdstuk over de zonde. Verder is het goed te melden dat de auteurs elders in hun boek niet schromen om tegen modieuze trends in te gaan.

Over de betekenis van de zondeval voor de schepping schrijven Van den Brink en Van der Kooi : ‘De bekende gedachte dat het lijden van dieren en natuurrampen als aardbevingen of tsunami’s het gevolg zouden zijn van een ‘kosmische val’ als straf op de menselijke zondeval, valt in de Bijbel nergens aan te treffen. We weten eenvoudigweg niet waarom dit alles een plek heeft in Gods goede schepping.’ (p.300) Enerzijds begrijp ik deze uitspraak wel, want ik kan me niet voorstellen dat leeuwen in het paradijs plantenetende dieren waren – om maar iets te noemen. Maar anderzijds, waarom staan de auteurs niet stil bij Genesis 3:17-18, waar staat dat God de akker vervloekt en aankondigt dat er doornen en distels zullen groeien? Is het ongeoorloofd daaruit te concluderen dat de ontrouw van de eerste mensen destructieve gevolgen heeft tot in het gebinte van de schepping?

In Hoofdstuk 11 geven Van den Brink en Van der Kooi aan dat het werk van Christus zo veelomvattend is dat niet volstaan kan worden met één benadering. Ze vinden het een onjuiste beperking om alleen over ‘verzoening door voldoening’ te spreken. Er is ook verzoening door overwinning en verzoening door omvorming. Oftewel, Christus is niet alleen onze verlosser (van onze schulden) maar evengoed onze bevrijder (uit de macht van de duivel en de dood) en onze vernieuwer (tot wederliefde). Door deze benadering komen meer bijbelse gegevens aan bod dan anders vaak het geval is.

Opmerkelijk is dat de auteurs, in navolging van Calvijn in z’n Institutie, de uitverkiezing (predestinatie) pas behandelen aan het einde van het hoofdstuk over de vernieuwing van de mens. Op deze manier bepaalt deze leer niet ‘de hoofdlijn van ons denken, maar vormt een belangrijke hulplijn die waarborgt dat genade werkelijk genade blijft en dat we ons heil van het begin tot het eind aan de drie-enige God te danken hebben.’ Daardoor bevorderen ze dat deze leer functioneert als een troost. In elk geval in de 16de eeuw, toen de gelovigen geconfronteerd werden met vervolging, ‘massale kindersterfte en in het algemeen (met) grote bestaansonzekerheid, was het een grote troost om te kunnen geloven: God heeft van meet af voor ons gekozen, en daardoor kan niets of niemand ons uit zijn hand rukken’ (p.630). Helaas is deze leer later in de geloofsbezinning voorop geplaatst en werd daardoor vaak een onzeker- en somber-makende visie, die mensen verlamt in het nemen van hun verantwoordelijkheid.

Soms lijken passages elkaar tegen te spreken. Zo benadrukken de auteurs op p.667 de discontinuïteit tussen heden en toekomst. Volgens hen is in 2 Petrus 3:7,10,12 eerder sprake van herschepping of zelfs nieuwe schepping dan van renovatie. ‘De continuïteit van heden en toekomst ligt niet verankerd in de dingen zelf, maar slechts in de trouw van God.’ Maar verderop schrijven ze over een ‘element van continuïteit tussen schepping en herschepping’, namelijk ‘dat het goede en prijzenswaardige dat in cultuur en geschiedenis tot ontwikkeling werd gebracht en waar mensen van hebben genoten, niet verloren is, maar blijkens het beeld van Openbaring 21:24,26 het Nieuwe Jeruzalem zal worden binnengebracht.’ (p.676-677) Wat mij betreft kunnen beide passages blijven staan, want uiteindelijk blijft het precieze van de overgang van oud naar nieuw een geheim voor ons.

Door de moeite te nemen dit alles op te schrijven heb ik hopelijk voldoende duidelijk gemaakt dat ik deze dogmatiek belangrijk vind en met interesse heb gelezen. Door hun aanpak nodigen Van den Brink en Van der Kooi ons als lezers uit met hen mee te denken, terwijl het hun bovendien telkens lukt ons in ons geloof op te bouwen.

McGrath over christelijke theologie

Alister McGrath is een enthousiaste én enthousiast-makende docent theologie. Dat is mij gebleken toen ik z’n ‘Christelijke theologie. Een introductie‘ (1997) doornam. Het is natuurlijk z’n beroepstrots die hem laat schrijven ‘dat theologie het meest fascinerende onderwerp is dat iemand ooit zou kunnen bestuderen’; en op dezelfde bladzijde: volgens mij is ‘theologie een van de meest dankbare, zinvolle en echt opwindende studierichtingen’ (p.13). Ik hou ervan als mensen voor iets warm lopen. Dat wil nog niet zeggen dat ik er dan ook warm voor ga lopen. Maar het is McGrath gelukt mij als een gefascineerde student mee te nemen op z’n ontdekkingsreis door de theologie.

Z’n boek bestaat uit drie delen:
In deel I behandelt hij in vogelvlucht de belangrijkste theologen in de loop van de kerkgeschiedenis. Zo komen Origines en Augustinus voorbij, Lombardus en Thomas van Aquino, Luther en Calvijn, Schleiermacher en Feuerbach, Barth en Bultmann – met de theologische discussiepunten die zij op tafel hebben gelegd.
In deel II bespreekt hij de bronnen en methoden van de theologie. Daarbij komen aan de orde: de definitie en opbouw van de theologie, het wezen van geloof, de godsbewijzen, het begrip openbaring, natuurlijke theologie, de Schrift, de rede en de traditie.
En dan volgt in deel III de hoofdmoot, als hij stilstaat bij concrete thema’s zoals God, de Drie-eenheid, de persoon en het werk van Christus, de mens als Gods beeld met z’n zonde en behoefte aan genade, de kerk met haar sacramenten, de verhouding tot de wereldreligies en de zogenaamde laatste dingen.

McCrath is zelf een orthodoxe, evangelicale gelovige – zoals bijvoorbeeld kan blijken uit het praktische boek ‘Tijd voor stille tijd. Evangelicale spiritualiteit in de praktijk’ (1996). Die overtuiging komt in ‘Christelijke theologie’ hier en daar ook wel enigszins naar voren. Maar doorgaans heeft McGrath het vermeden z’n eigen ideeën te presenteren en z’n lezers voor te schrijven wat ze zouden moeten geloven. Z’n didactische doelstelling is uit te leggen wat er geloofd wordt, zodat de lezers in staat zijn hun eigen gedachten te bepalen. Daarom heeft McGrath ermee volstaan de diverse standpunten en de bijbehorende historische achtergronden te beschrijven, zodat z’n lezers begrijpen wat de sterke en zwakke kanten ervan zijn. (p.14)
Het gevolg van deze aanpak is dat McGrath in mijn ogen verwerpelijke standpunten nog al eens erg vriendelijk bejegent. Maar het grote voordeel is dat op deze manier elke theoloog het volle pond krijgt en dat ook in het geval van m.i. verwerpelijke standpunten recht gedaan wordt aan het waardevolle element daarin. Door deze descriptieve aanpak waan je je telkens in de directe nabijheid van de giganten uit de theologische geschiedenis. Ook wordt op deze manier duidelijk hoe relevant de thema’s zijn die door hen worden aangesneden. Om dit alles heb ik het boek van McGrath constant geboeid gelezen.

De kwaliteit van dit boek spreekt des te meer als je hiernaast legt ‘Beknopte gereformeerde dogmatiek’ van de christelijk-gereformeerde hoogleraren J. van Genderen en W.H. Velema (1992), die ik ook net gelezen heb. Natuurlijk kun je beide boeken niet helemaal met elkaar te vergelijken, want anders dan McGrath wilden Van Genderen en Velema een prescriptief (gereformeerd-gekleurd) overzicht geven van het totaal van de dogmatiek. Dat is hun goed gelukt: ze hebben een helder en vaak warm verhaal geschreven. Daarvoor alle lof. Maar hun boek doet wat braaf en kleurloos aan en heeft mij daardoor niet meegenomen, terwijl het mij bovendien hinderde hoe makkelijk afwijkende opvattingen vaak afgeserveerd worden. McGrath daarentegen heeft een sprankelend boek geschreven, dat het zinnige van allerlei discussiepunten goed laat uitkomen.

Leerzaam is dat Nederlandse namen zoals Kuyper, Bavinck, Schilder, Noordmans, Van Ruler, Berkouwer, Kuitert e.d. volledig ontbreken. In de jaren zestig vielen we binnen de GKV over de typering van onze kerkelijke besognes als klein-vaderlands gedoe. Maar zien we naar de positie van de Nederlandse kerken in de wereldkerk, dan moet je McGrath lezend kennelijk toch zeggen dat wij in ons land voor de theologische discussies in het verleden en heden niet zo heel veel voorstellen. Ik weet best dat een Engelse theoloog van meer gereformeerde snit wellicht andere keuzes gemaakt zou hebben. Dat neemt niet weg dat een boek als dat van McGrath Nederlandse theologen bescheiden kan maken – al is het uiteraard terecht dat Van Genderen en Velema de genoemde namen wel herhaaldelijk vermelden, want vanzelfsprekend zijn de locale theologen voor ons interessant. Maar het is goed te weten dat wij in Nederland niet de wereld zijn.

Wat mij verbaasd heeft is hoe venijnig McGrath zich uitlaat over de discussie over het supra- en infralapsarisme. Daarmee wordt gedoeld op de vraag vanuit welk historische standpunt je Gods verwerpen van mensen moet bekijken: vanuit de tijd vóór (supra) de zondeval (lapsus) (God verwerpt mensen, met als gevolg dat ze ongelovig worden) of na (infra) de zondeval (God verwerpt mensen, waarbij hij rekent met hun ongeloof). McGrath typeert de calvinistische discussie hierover als een ‘uiterst pietluttig debat, het summum van theologisch obscurantisme’ (p.406). Vervolgens geeft hij een correcte weergave van beide standpunten, maar hij laat na de consequenties van het supralapsarisme weer te geven, namelijk dat bij die opvatting Gods verwerpen van mensen een soort doem wordt waaraan mensen zich niet kunnen onttrekken; erger nog: zo wordt God in feite getekend als de oorzaak van het ongeloof van mensen. Een vreselijke opvatting die in het slot van de Dordtse Leerregels dan ook met hartstocht afgewezen wordt. Het is volgens mij daarom een misser dat McGrath zich zo laatdunkend over deze kwestie uitlaat – al vind ik het met de Dordtse Synode treurig dat theologen menen zich te kunnen verplaatsen in Gods verborgen overwegingen van voor de zondeval.

Wat mij ook verbaasd heeft is dat McGrath in het slothoofdstuk over onze toekomst compleet voorbijgaat aan de komst van de nieuwe aarde. Net als in zijn boek over de stille tijd lijkt het erop dat voor McGrath de hemel onze eindbestemming is. Dat zou verklaren waarom hij de bijbelse beeldspraak over het nieuwe Jeruzalem als een stad toepast op de hemel (p.494). Op diezelfde bladzijde schrijft hij dat we de hemel moeten ‘beschouwen als de vervulling van de christelijke verlossingsleer, waarin de aanwezigheid, de straf en de macht van de zonde volledig vernietigd zijn, en de totale tegenwoordigheid van God in alle mensen en in de geloofsgemeenschap bereikt is.’ Het is mij volstrekt onduidelijk hoe McGrath dan Openbaring 21-22 leest. Misschien heeft de intern-vrijgemaakte discussie over de zogenoemde tussentoestand (de tijd tussen ons sterven en onze opstanding) dan toch winst opgeleverd: wellicht mee daardoor zijn we ons ervan bewust dat ons lichaamloze verblijf in de hemel slechts tijdelijk is en bij Christus’ terugkeer omgezet wordt in een fysiek bestaan op de vernieuwde aarde.

Deze twee kritische punten doen overigens geen afbreuk aan mijn lof op dit stimulerende boek van McGrath.

Cultuurgeschiedenis

Wekenlang heb ik me verdiept in de 21 delen van de Time/Life-serie “Bloeiperioden der mensheid”. Deze serie verscheen van 1966 tot 1969. Elk deel heeft plm. 180 bladzijden tekst, gevolgd door een jaartallenoverzicht en een register. De 8 hoofdstukken van een boek worden telkens gevolgd door zo’n 10 bladzijden met uitgebreid toegelichte foto’s van cultuurhistorische objecten.
Uiteraard is het jammer dat de boeken een halve eeuw oud zijn. Daardoor heb ik vast nieuwe ontdekkingen (bijvoorbeeld van de archeologie van het Oude Amerika) en veranderde inzichten (bijvoorbeeld inzake het deïsme in de Verlichting) gemist. Ook ontbreken in het deel over de 20ste eeuw de laatste ontwikkelingen, zoals het einde van het IJzeren Gordijn en de opkomst van de radicale islam. Dat alles neemt niet weg dat mijn lectuur van deze serie een boeiende ontdekkingstocht was aan de hand van gerenommeerde deskundigen.

Zoals altijd leren ook deze historische boeken mij als West-Europese mens bescheidenheid. Wij kunnen wel denken dat wij in het ontwikkelde Westen, mede onder invloed van het christelijk geloof, per definitie beschaafder zijn dan andere volken, maar de werkelijkheid is anders. Twee voorbeelden.
Je kunt ontsteld lezen over de massale mensenoffers door de Azteken, waarbij het kloppende hart uit het lichaam werd gerukt, maar in diezelfde tijd werden in Spanje de Joden bloedig vervolgd, terwijl een paar eeuwen eerder de katharen met de zegen van de kerk op een barbaarse wijze zijn gemarteld en afgeslacht.
Natuurlijk is het verschrikkelijk hoe in de 17de eeuw de Japanse christenen door hun volksgenoten zijn uitgemoord, maar in Duitsland woedde toen de Dertigjarige Oorlog, waarbij protestanten en katholieken elkaar zo fel bestreden dat het land grotendeels ontvolkt werd.
Ronddwalend in de geschiedenis kun je niet anders concluderen dan dat de mens maar weinig geneigd is tot liefde en voortdurend onmachtig en zelfs onwillig is om aan vrede te werken.

Boeiend is hoe de verschillende culturen elkaar hebben beïnvloed. Zo is de wetenschappelijke ontwikkeling van het Westen in en na de Middeleeuwen mede op gang gekomen door wat de moslims hebben aangereikt. Maar zij hebben weer hun winst gedaan met resultaten van wetenschappers uit het vroegere Voor-Indië en China. Het meest bekende voorbeeld van deze uitwisseling is het gebruik van de nul, dat in India bedacht is en via de moslims het Westen heeft bereikt. En wat ons alfabet betreft: dat is door de Feniciërs ontwikkeld en via de Grieken en de Romeinen naar ons gekomen.

Een dergelijke uitwisseling van culturen heeft in het oude Amerika grotendeels ontbroken. Vandaar het merkwaardige fenomeen dat bepaalde ontwikkelingen daar niet hebben plaatsgevonden. De oude rijken van de Azteken, Maya’s en Inca’s hebben bijvoorbeeld het wiel niet gekend. Wel is er speelgoed gevonden voorzien van wieltjes, maar ze zijn niet op het idee gekomen om voertuigen met wielen te maken, vast ook omdat ze geen geschikte trekdieren hadden. Opmerkelijk is eveneens dat geen van de oud-Amerikaanse volken het schrift kende, met uitzondering van de Maya’s die een rudimentaire vorm van schrift hadden.
Maar ondanks deze beperkingen hebben de oud-Amerikaanse volken grote culturele prestaties geleverd op het gebied van de bouwkunst en de edelsmeedkunst. Wonderlijk hoe veel van die bouwkunst uit de oerwouden tevoorschijn is gekomen. En al hebben de Spaanse conquistadores onvoorstelbaar veel schatten weggeroofd en gerecycled, toch is er genoeg over gebleven waardoor je vol bewondering kunt zijn voor de vaardigheid van de oude ambachtsmensen.
Interessant is hoe genuanceerd geschreven wordt over de verovering van het oude Amerika door de conquistadores Cortes en Pizarro. Natuurlijk blijf je als mens uit de 21ste eeuw verbijsterd over de arrogantie en meedogenloosheid waarmee deze heren meenden het gebied van anderen te mogen bezetten en leeg plunderen. Tegelijk wordt duidelijk dat ze daarbij gebruik konden maken van de haat die leefde bij de onderdrukte volken tegen hun meesters. Overigens is de barbaarsheid van de Spanjaarden nog niet eens het ergste dat ze de inheemse bevolking hebben aangedaan. Fataal was dat ze ziektekiemen meebrachten waartegen de ‘Indianen’ niet bestand waren, met als gevolg dat binnen een eeuw zo’n 90% van de bevolking (miljoenen mensen!) door besmettelijke ziekten is uitgestorven.

En zo voert elk deel je weer in een andere wereld en maak je telkens interessante uitstapjes. In het deel van Japan wordt verteld hoe vroeger een goed samoeraizwaard werd gesmeed en hoe een vechtjas z’n zwaard soms uitprobeerde op lijken of zelfs op een veroordeelde misdadiger. Maar diezelfde samoerai kon ook in kalligrafie geïnteresseerd zijn en oefende dan eindeloos in het werken met de penseel om de Japanse karakters zo elegant mogelijk weer te geven.

Lezend in het deel over de Europese 19de eeuw werd ik erdoor geraakt dat de grote heren van de industriële revolutie hun arbeiders (mannen, vrouwen én kinderen) zo schrikbarend hebben laten lijden terwijl zij in weelde baadden. Ik blijf het onbegrijpelijk vinden hoe, veelal christelijke, ondernemers die gespletenheid voor elkaar kregen. Kennelijk is het eigen aan de mens dat die zich compleet kan afsluiten voor informatie die hem niet van pas komt. Daarvan zijn talloze voorbeelden te geven. Denk maar aan de generaals uit de Eerste Wereldoorlog die bij een bestorming van vijandige loopgraven tienduizenden soldaten de dood in joegen terwijl ze konden weten dat zo’n actie volstrekt zinledig was.

Zoals ik mijn lectuur van deze serie beschrijf lijkt het erop dat de “bloeiperioden der mensheid” voornamelijk kommer en kwel hebben gebracht. Voor een deel is dat helaas maar al te waar, want in de loop van de eeuwen is er constant gevochten en gemoord. Dat neemt niet weg dat diezelfde mensheid onvoorstelbare schatten heeft geproduceerd. Zo zijn alleen al in de Nederlandse Gouden Eeuw meer dan miljoen schilderijen gemaakt. En wat staan onze bibliotheken niet vol met fantastische boeken. Ook hebben mensen prachtige zaken uitgevonden waar we tot op de dag van vandaag van profiteren, van riolen tot computers, van waterleidingen tot medicijnen. Wat dit alles betreft zijn we er echt op vooruitgegaan. Maar terwijl ik dat schrijf vallen elders in de wereld slachtoffers door geweld met behulp van destructieve uitvindingen. Onze cultuurgeschiedenis roept dus altijd gemengde gevoelens op.

Visies op seksualiteit

In een tv-praatprogramma werd kort geleden het christendom weer eens gekritiseerd omdat dit de mensen beroofd zou hebben van seksueel genot. Ook door de zogenaamde Nashvilleverklaring werd (m.i. begrijpelijk) de afkeer van christenen geactiveerd als zouden zij wars zijn van seksueel genieten. Deze gelijkstelling van christendom en seksuele beknotting is eenzijdig en grotendeels onjuist. Dat komt duidelijk naar voren in de historische beschrijvingen van Peter Brown (Lichaam en maatschappij. Man, vrouw en seksuele onthouding in het vroege christendom, 50 na C.-450 na C., 1990) en H.W. de Knijff (Venus aan de leiband. Europa’s erotische cultuur en christelijke sexuele ethiek, 1987).

Het is waar, in de loop van de tijd hebben christelijke theologen vaak moeilijk gedaan over seksualiteit, maar daarin sloten ze in feite aan bij niet-christelijke opinieleiders in hun omgeving.
Dat gaat allereerst op voor de eerste eeuwen van onze jaartelling. Toen waren er Griekse en Romeinse filosofen die zich schaamden voor hun lichamelijkheid, vanuit de gedachte dat hun goddelijke ziel in het stoffelijke lichaam als een kerker was opgesloten. Tegen die achtergrond is het te verklaren dat deze antieke heidenen seks met z’n uitgesproken lichamelijkheid een activiteit vonden waardoor je jezelf verontreinigde. Het was dus niks nieuws dat ook onder christenen zulke visies voorkwamen, al waren het sektariërs als de encratieten die hierin het meest extreem waren.
Met een grote stap verder in de geschiedenis komen we uit bij de victoriaanse verpreutsing uit de negentiende eeuw. Volgens De Knijff was ook die geen vrucht van christelijke bezinning maar van veelal niet-christelijke opinies uit het zogenaamd verlichte burgerdom. Overigens ging die verpreutsing – heel huichelachtig –  ermee samen dat de man alle vrijheid werd toegekend zich met behulp van prostitutie seksueel uit te leven.

Intussen bewijzen we elkaar geen dienst door opgelucht te beweren dat wij het laatste halve eeuw alle seksuele beknotting achter ons hebben gelaten, want daarmee plaatsen we in feite de seksualiteitsbeleving buiten alle moraliteit. In het bovengenoemde tv-programma gebeurde dat door vrouwelijke deelnemers die voor zichzelf dezelfde seksuele ongebondenheid bepleitten als veel mannen zich veroorloven. Wie dat praktiseert verplat seks tot niet meer dan behoeftebevrediging zoals eten en drinken, waarbij de partner die je hiervoor nodig hebt inwisselbaar is.
Daarentegen wordt in het Oude Testament seksueel contact aangeduid als het ‘kennen’ van iemand. Naar Gods oorspronkelijke bedoeling is seks namelijk voor alles de uiting en bevestiging (je zou kunnen zeggen: het sacrament) van een bestaande relatie. Op deze manier levert seks niet alleen tijdelijk fysiek genot op maar ook langdurige geestelijke voldoening. En natuurlijk komen dan begrenzingen aan de orde. Zie over dit thema het verhelderende artikel van De Knijff in mijn site-rubriek ‘Teksten van anderen’, no.18.

Maar terug naar de visies die christenen in de loop van de geschiedenis op seksualiteit hebben gehad. Je kunt het kort zo samenvatten dat de hoofdstroom van de christelijke kerk altijd heeft gependeld tussen twee uitspraken van Paulus: allereerst z’n waarschuwing tegen mensen die het huwelijk verbieden, terwijl dat instituut het gevolg is van Gods schepping van de lichamelijke mens (vergelijk 1 Timoteüs 4:3-4), en daarnaast z’n stelling dat ongetrouwd-blijven beter is dan te trouwen (zie 1 Korintiërs 7:38).
Vaak leverde dat pendelen geen balans op. Zo werd in de eerste eeuwen de ongehuwde staat telkens ver verheven boven de gehuwde staat; wel bleef het huwelijk altijd legitiem maar vooral om het krijgen van kinderen en als geneesmiddel tegen losbandigheid. In de tijd van de Reformatie gebeurde het omgekeerde: het huwelijk werd als het normale aangeprezen terwijl het ongetrouwd-zijn erg terughoudend werd benaderd.

Zoals De Knijff het beschrijft lijkt het erop dat de middeleeuwse theoloog Albertus Magnus (± 1200-1280) een goede balans heeft gevonden. Als geestelijke was hij met overtuiging het celibaat toegedaan, maar tegelijk benaderde hij het huwelijk als een liefdeseenheid, een levensgemeenschap. Al bleef ook voor hem de lust-om-de-lust ondenkbaar, toch zag hij het genot als een natuurlijk aspect van de geslachtsdaad, als een eerbare en door God gezegende handeling.

Albertus’ visie is extra opvallend omdat christelijke theologen haast altijd problemen hadden met seksueel genot. Daar zal een psychologische kant aan zitten, omdat zij het wellicht lastig vonden dat je bij het orgasme alle controle over jezelf kwijtraakt en dat hoort toch zo niet te zijn. Maar hun moeite hing ook samen met het tiende gebod, waarin begeerte, en h.i. dan ook de seksuele begeerte, verboden wordt.
Augustinus ging zo ver dat naar zijn overtuiging seksueel contact, inclusief de erectie, in het paradijs eenvoudigweg plaatsvond door de kracht van Adams wil; daar kwam geen seksuele begeerte bij te pas. Ondanks zijn goede woorden over het huwelijk bleef Augustinus dan ook de coïtus grotendeels onverteerbaar vinden omdat het ultieme moment van het orgasme buiten de wil omgaat.
Ik krijg de indruk dat Calvijn in dezelfde trant dacht. Want in een vooroorlogse vertaling van zijn preek over Deuteronomium 5:18 typeert hij de seksuele begeerte als ‘een gebrek, dat ons tot beschaming moet zijn’, als ‘een onbeheerstheid van het vlees’, waarbij  het huwelijk ‘een passend geneesmiddel’ is. En dan zegt hij letterlijk: ‘Deze onbeheerstheid van het vlees, hoewel in zichzelf slecht zijnde en te veroordelen, zal ons voor God niet toegerekend worden, als deze huwelijksdekmantel er zijn zal.’ Dus, waarom is de beschamende ‘bedgemeenschap’ toch voor God ons niet tot schande? ‘De dekmantel van het huwelijk is daar om te heiligen wat bezoedeld en ongewijd is, (…) om te reinigen wat van zichzelf vuil is.’

Dit maakt begrijpelijk waarom de auteurs van christelijke voorlichtingsboeken tot halverwege de vorige eeuw er niet toe konden komen seks te beschrijven in de trant van de vreugdevolle benadering van het bijbelboek Hooglied. Heel treurig. Tegelijk moeten we hier volgens mij niet over schamperen. Want deze eeuwenoude moeite met het seksuele genot bewijst wel dat onze voorvaders er weet van hadden dat je niet naïef met de seksuele begeerte moet omspringen, want het foute gebruik hiervan ligt op de loer. De vele misbruikzaken binnen én buiten de kerk maken de waarheid hiervan helaas voldoende duidelijk.