5.5-Ricard over altruïsme

Al enkele jaren word ik geboeid door Matthieu Ricard, afgestudeerd als moleculair bioloog maar algauw naar het Himalaya-gebergte vertrokken om daar boeddhistisch monnik te worden. Na zo’n 25 jaar lang mediteren en studeren (hij heeft zich het Tibetaans eigen gemaakt) treedt hij in de openbaarheid om bij te dragen aan het boeddhisme in het Westen.
In 1997 verschijnt er in Frankrijk een bundel gesprekken met z’n vader, de filosoof Jean-François Revel; dit boek verschijnt een jaar later in het Nederlands onder de titel: ‘De monnik en de filosoof’. Even boeiend vind ik ‘Gelukkig leven’ uit 2005. En nu in 2015 is dan het 7 centimeter dikke ‘Altruïsme. De kracht van compassie‘ verschenen. Het boek bevat 746 bladzijden tekst, gevolgd door 134 blz. bibliografie en noten. Talloze onderwerpen komen aan de orde, want Ricard kijkt niet alleen naar de onderlinge relaties tussen mensen, maar ook naar de relatie van mensen tot dieren, de natuur, de hulpbronnen. Dit werk is dan ook zo veelomvattend dat het in feite een plank boeken vervangt.

Onder altruïsme, compassie verstaat Ricard het verlangen om het geluk van de ander te bevorderen en diens lijden te verlichten. Daarvoor is empathie nodig, door hem opgevat als het resoneren met het lijden van de ander zoals dat blijkt uit diens blik, spreken en gedrag. Om deze begrippen goed in beeld te krijgen gaat hij in gesprek met psychologen en staat hij stil bij wat het boeddhisme leert over onwetendheid als de bron van het lijden.
In het volgende deel geeft Ricard talloze voorbeelden van altruïsme, zowel bij kinderen als bij volwassenen. Op grond van wetenschappelijk onderzoek van de praktijk verdedigt hij de stelling dat altruïsme eigen is aan de menselijke aard. Deze positieve toonzetting wijkt af van wat gereformeerden van hun Heidelbergse Catechismus geleerd hebben, namelijk dat de mens van nature geneigd is te haten. Ook Ricard is er diep van doordrongen dat mensen elkaar, dieren en de verdere natuur vreselijke dingen aandoen. Toch blijft hij optimistisch omdat mensen naar zijn overtuiging voor alles uit zijn op samenwerking, op het welzijn van de ander. Liefde is volgens hem nu eenmaal natuurlijker dan haat. Al bij kinderen merk je dat de zorg voor de ander diep in hun natuur verankerd is – al gaat die vaak samen met ongeremde drift. Zijn optimisme maakt Ricard dus niet wereldvreemd.

Weinig boeiend vind ik het als Ricard aandacht geeft aan de theorieën van evolutie-biologen over het ontstaan van altruïsme. Ik ervaar het als speculatief als onderzoekers gedetailleerde uitspraken doen over tijden waarvan we geen schriftelijke bronnen hebben.
Interessant is als Ricard vertelt hoe meditatie altruïsme kan bevorderen. Dat lijkt zweverig, maar ook hier kan Ricard verwijzen naar wetenschappelijk onderzoek.

Aangrijpend is het meest uitgebreide onderdeel van Ricards boek met als titel ‘Tegenkrachten.’ Zo vertelt hij onthutsend over de gevolgen van egocentrisme en narcisme.
Volstrekt nieuw voor mij is wat hij vertelt over de Amerikaanse auteur en filosofe Ayn Rand (1905-1982). In haar boeken zingt zij de lof op het egoïsme, want egoïsme is in haar ogen de beste manier om gelukkig te worden. Altruïsme, dus dat je levensdoel is anderen te helpen, acht zij immoreel. Volgens haar hoor je alleen mensen lief te hebben die dat verdienen. Ze is gekant tegen sociale voorzieningen en moet er daarom niets van hebben dat een regering belasting oplegt om armen, bejaarden en zwakken te kunnen helpen. Burgers moeten alleen belasting betalen om de regering de mogelijkheid te geven hun persoonlijke belangen te beschermen. Volgens een officiële opiniepeiling uit 1991 werd toen uit haar boeken haast net zo vaak geciteerd als uit de Bijbel.
Nog altijd is zij buitengewoon populair bij de republikeinen en zeker bij de Tea-Party. Dat maakt meteen duidelijk – is mijn conclusie – waarom president Obama met z’n zorgverzekering ook voor de armen gehaat wordt door vele republikeinen: twee levensvisies staan haaks op elkaar, want Obama is gevormd door de theoloog Niebuhr, die een christelijke mensvisie voorstaat waarbij liefde voor de zwakken hoort.

In dit hoofdstuk ‘Tegenkrachten’ komt nog veel meer aan de orde, zoals de psycho-analyse van Freud, de werking van een burn-out, de gewetenloosheid van psychopaten, het geweld tegen vrouwen.
Boeiend is ook wat Ricard vertelt over de afkeer van mensen om medemensen te doden. Zo is uit een onderzoek naar het gedrag van soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog gebleken dat slechts 10-15% van hen tijdens gevechten op de vijand schoot.
Uitvoerig gaat Ricard erop in hoe mensen met hun afkeer van doden toch tot de meest gruwelijke daden komen. Twee belangrijke mechanismen zijn: ontmenselijking (de ander wordt niet gezien als een medemens maar als een vijand, kakkerlak, zwijn, spleetoog) en morele compartimentering ( opsplitsing van jezelf door in je werk je morele normen bewust uit te schakelen en thuis weer te activeren). Zo zijn er nazi-voormannen die het als privé-persoon altijd vreselijk hebben gevonden wat zij als soldaat of werker in een kamp moesten (?) doen. Dit maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat je vanaf het allereerste begin weigert aan kwalijke eisen toe te geven.

Aangrijpend is ook wat mensen dieren allemaal aandoen, dank zij de visie dat een dier niet meer is dan een ding, een productie-machine. Ik begrijp nu de stelling van Tolstoj: ‘Zolang er slachthuizen zijn zullen er slachtvelden blijven.’ Onbegrijpelijk dat we er in onze vleesconsumptie geen conclusies aan verbinden dat de productie van 1 kilo rundvlees 7 kilo graan kost – om maar iets te noemen.
Omdat Ricard altruïsme heel breed opvat, besteed hij aan het einde van zijn boek aandacht aan de tabaksindustrie, de klimaatdiscussie, de farmaceutische en chemische industrie en het genetisch manipuleren van gewassen. Het ene onthutsende feit volgt op het andere. Daarom wordt wel gezegd dat vanaf 1950 het holoceen is opgevolgd door het antropoceen, het tijdperk waarin de kwaliteit van onze planeet fundamenteel aangetast dreigt te worden door menselijk wanbeheer.

Toch blijft Ricard positief. Al moet hij vele bladzijden van zijn boek besteden aan de macht van een minderheid van verstokte, invloedrijke en gewetenloze egoïsten, tegengas acht hij mogelijk. En daar gaat het slot van zijn boek over: hoe kun je een altruïstische samenleving opbouwen? Ricard gelooft eraan dat wij dank zij zorgzaamheid en liefde kunnen werken aan een betere wereld.