3.2-Archeologische vondsten

Het is verbazingwekkend hoeveel restanten er nog te vinden zijn van oude beschavingen.  Vaak waren uitgebreide opgravingen nodig om ze aan het licht te brengen, soms ook waren ze deels altijd al zichtbaar en kon volstaan worden met opruimwerk.
Twee boeken hebben mij rondgeleid in de wereld van de archeologie: K. Bratigam (adviseur), Spectrum Atlas van de archeologie (1984) en: Fabio Bourbon en Manferto De Fabianis (redactie), Het grote archeologieboek (2005).  Beide boeken vullen elkaar prachtig aan doordat ze soms verschillende locaties bespreken (zo ontbreken de Hettieten in het Archeologieboek en de beelden op het Paaseiland in de Atlas). Daarnaast bevat de Atlas vooral tekstuele informatie (in de inleiding worden bijvoorbeeld verschillende dateringsmethodes besproken) terwijl het dubbel zo dikke Archeologieboek vol staat met illustraties.

Beide boeken kunnen ons, West-Europeanen, bescheidenheid leren. Wij denken wel dat wij het toppunt van de beschavingsgeschiedenis zijn, maar het is indrukwekkend wat vroegere mensen overal in de wereld op allerlei gebieden wisten en konden. Zo gaat de astronomische kennis van de oude Egyptenaren, Babyloniërs en Maya’s heel ver. Ook snap je niet hoe die oude volken zonder onze hulpmiddelen hun gigantische bouwwerken hebben kunnen maken. En medisch waren ze vaak van alles op de hoogte. We hebben daarom geen enkele reden met arrogantie neer te zien op het verleden van Egypte, Mesopotamië, Voor-Indië, China en Amerika.

In de Atlas worden enkele bladzijden gewijd aan prehistorische vondsten in met name Afrika van mensenbotten. Omdat daarbij tekstvondsten ontbreken, moeten de auteurs telkens volstaan met voorzichtige uitspraken, ingeleid met ‘misschien’, ‘vermoedelijk’ e.d. Maar dan verbaast het mij met hoeveel stelligheid toch conclusies getrokken worden, bijvoorbeeld over Afrika als ‘bakermat van de mensheid’ – maar die verbazing zal vast voortkomen uit mijn vooroordeel dat gevoed wordt door wat de Bijbel vertelt over de oorsprong van de mens.

Waar beide boeken maar beperkt aandacht aan geven is het werk van geleerden om teksten te ontcijferen. En er zijn heel wat teksten gevonden, denk aan de duizenden kleitabletten met spijkerschrift in het Midden-Oosten en de uitgebreide inscripties op overheidsgebouwen.
We staan er meestal niet bij stil, maar de ontwikkeling van het schrift is een van de grootste uitvindingen geweest van de mens. Eerst werd uitsluitend gewerkt met talloze pictogrammen, maar door Semieten in het Midden-Oosten (de Feniciërs) is toen het alfabet ontwikkeld waarvoor maar 20-30 letters nodig waren. Door deze teksten kunnen de archeologische vondsten geïnterpreteerd worden en krijgen we zicht op het dagelijks leven van vroeger. Dank zij die teksten hebben verschillende van die oude culturen eveneens een boeiende literatuur nagelaten; het meest beroemd zijn natuurlijk de wijsheidsteksten uit Egypte en het Gilgamesj-epos uit Mesopotamië.

Heel begrijpelijk is in beide boeken de ethische benadering van die oude culturen onderbelicht. Natuurlijk komt aan de orde dat de volken in die tijd onderling vaak niet erg humaan met elkaar omgingen en ook dat de onderdanen van de vorsten niet altijd even veilig waren. Zo wordt gewezen op het fenomeen van het doden van functionarissen bij de begrafenis van hun vorst en op het brengen van rituele mensenoffers.  De Atlas wijdt bijvoorbeeld een aparte paragraaf aan de manier waarop de Tolteken van levende slachtoffers het hart uit het lichaam rukten, terwijl beide boeken melding maken van een bron waarin de Maya’s hun slachtoffers gooiden. Verder kan duidelijk zijn dat het bouwen van al die prachtige bouwwerken een gigantische belasting moet zijn geweest voor de bevolking.
Maar toch, als je in die boeken al die prachtige afbeeldingen bekijkt en de interessante verhalen daarbij leest, ben je vooral geneigd te concluderen: ‘Wat jammer dat die culturen in de loop van de tijd verdwenen zijn en wat erg dat de Spanjaarden de toen bestaande Amerikaanse culturen vernietigd hebben.’
Bij nader inzien kun je je afvragen of het voor de gewone man wel zo’n pretje was in die barbaarse culturen geleefd te hebben en of het daarom echt spijtig is dat die culturen verdwenen zijn.
Tegelijk moeten we erkennen dat wij boter op ons hoofd hebben, want wat een verschrikkingen hebben wij alleen al in de 20e eeuw elkaar aangedaan door het communisme en het nazidom.
Kortom, al roepen archeologische vondsten bewondering op, gemengde gevoelens zijn onvermijdelijk als je vervolgens kijkt naar de donkere kant van de desbetreffende beschaving. Als christen concludeer ik dan: er is fundamentele redding nodig, van Buitenaf.