2.9-Let niet op de rommel

Het zal maar weinig mensen gegeven zijn dat hun naam tot een algemeen aanvaard werkwoord geworden is. Dat is Henk Plenter, een Amsterdamse GGD-medewerker overkomen. Het werkwoord plenteren bestond al met de betekenis van: “een bos verjongen door op bepaalde plaatsen oudere bomen te vervangen door nieuwe aanplant of een bos minder monotoon maken door een deel van de bomen te vervangen door aanplant van een andere soort.”
Maar sinds enkele jaren betekent plenteren ook: “een huis ontruimen waarin de bewoner of bewoners zoveel spullen hebben verzameld en opgeslagen dat het wonen erin of in de omgeving ervan een gevaar oplevert voor de volksgezondheid.” Zo staat het in het digitale ANW (Algemeen Nederlands Woordenboek, dat de taal beschrijft van 1970 tot heden).

Hoe dat in z’n werk gaat wordt uitgebreid beschreven in Henk Plenter en Annemiek van Kessel, Let niet op de rommel. Verhalen van eenzaamheid en vervuiling in de grote stad‘ uit 2013.

Verbijsterend en aangrijpend wat de Groninger Henk Plenter over zijn ruim 40 jaar werken in Amsterdam kan vertellen. Het is dat hij het allemaal persoonlijk heeft meegemaakt, anders zou je denken dat hij wel erg veel fantasie heeft.

Getipt door de omgeving is hij in stinkende huizen geweest met tientallen katten of konijnen. Eens stapte hij een huis binnen en daar bleken letterlijk overal ratten te lopen: op de vloer, op de meubels, op de vensterbanken, op het aanrecht en waar ook. Hier had een meisje gewoond dat het vermoedelijk leuk vond met een ratje op haar schouders rond te lopen. Een tweede rat vond ze wellicht ook wel aardig, en toen begon het… Maar hoe moest Plenter deze honderden dieren opruimen? Ze één voor één vangen was geen optie, want waar moesten ze heen? Vergassen was voor de omgeving te gevaarlijk. Hij heeft toen maar z’n windbuks opgehaald en ze één voor één afgeschoten. Uiteindelijk bleken er haast 500 ratten afgevoerd te moeten worden.

Behalve met doorgeslagen dierenliefde kwam Plenter ook telkens in aanraking met het fenomeen dat mensen ziekelijk aan het verzamelen zijn geslagen, met als gevolg dat hun huis langzaam aan helemaal is dichtgeslibd, van de vloer tot het plafond, met smalle paadjes tussen de metershoge stapels. De een specialiseert zich in kranten, een tweede struint elke week de groentemarkt af, een derde spaart alles wat die in en bij vuilnisbakken vindt.
Je zou kunnen zeggen dat het iedereen vrij staat in z’n huis te verzamelen wat die wil. Maar dit verzamelen levert vaak wel brandgevaar op, gevaar voor de eigen gezondheid of door het mogelijk instorten van de metershoge stapels ook levensgevaar. Talloze malen is Plenter dan ook overgegaan tot het leegruimen van zulke huizen. Eens moest zelfs zo’n 400 m3 rotzooi afgevoerd worden.

Deze verzamelwoede (in het Engels: hoarding) wordt tegenwoodig erkend als een heuse psychische aandoening en wordt sinds 2013 genoemd in DSM-5, de laatste editie van het wereldwijd gebruikte Amerikaanse psychiatrische handboek. Als de betrokkenen geen goede psychiatrische begeleiding krijgen gaan ze na een ontruiming dan ook weer gewoon door met verzamelen, met na enkele jaren weer een gedwongen ontruiming.

Vaak betreft deze verzamelwoede mensen die zich erg eenzaam voelen en al verzamelend zin aan hun leven proberen te geven. Soms betreft het mensen die wel terdege familie hebben, maar die familie heeft uit wanhoop over de situatie afstand genomen. Begrijpelijk dat zij opgelucht reageren als  uiteindelijk door de GGD hardhandig wordt ingegrepen.

Plenter kan zo beeldend vertellen dat je al lezend soms een urinelucht van mensen of dieren in je neusgaten krijgt of dat je jeuk voelt door de luizen en vlooien die in de verhalen voorbij komen.

Het meest tragisch zijn wat ze in het GGD-jargon ‘lijkvindingen’ noemen: mensen die al weken en soms jaren dood in hun huis liggen en daar gemummificeerd zijn of aan het ontbinden zijn, met alle lucht van dien. In Amsterdam komt dat meer dan 40-50 keer per jaar voor. Wat een geschiedenis van eenzaamheid zit daar achter.

Toen Plenter met z’n werk begon, stond hij er grotendeels alleen voor, was er geen regelgeving en was er geen sprake van afstemming tussen de verschillende instanties. Mee door zijn inzet is dit lastige werk beter georganiseerd, waardoor er sneller en effectiever ingegrepen kan worden.

Al lezend realiseer ik me hoe belangrijk het is dat mensen in een netwerk zijn opgenomen. Naast de familie lijkt mij de kerk het meest ideale netwerk te zijn – ervan uitgaande dat de leden bekend  zijn en op elkaar zijn betrokken. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat een kerklid de kans krijgt z’n huis door z’n verzamelwoede te laten dichtgroeien of dat die helemaal vereenzaamt en daardoor weken of jaren dood ligt in z’n huis. Of denk ik nu te positief over de manier waarop kerkleden naar elkaar omzien?