2.4-Herverbinding

In 2013-2014 zijn m’n oudste broer en een jongere broer aan kanker overleden. Ingrijpend om mensen te verliezen met wie je je hele leven lang nauw verbonden bent geweest. Daar komt bij dat hun overlijden bij mij de pijnlijke vraag oproept: ‘En wanneer ben ik aan de beurt?’ Vandaar dat een boek over niet-medische aspecten van kanker m’n interesse opriep. Het is geschreven door de arts en therapeut Hans Schilder en heeft als titel: Herverbinding. Psychische, transpersoonlijke en religieuze aspecten bij kanker (2014).

Schilder duidt zichzelf aan als psycho-oncoloog. Hij gaat er namelijk van uit dat het psychische een rol speelt bij het ontstaan, het verloop en soms ook de verdwijning van kanker. Een kwetsbaar onderwerp, want in alternatieve kringen komt de opvatting voor dat mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun ziekte, met als consequentie: als je kanker krijgt, is dat je eigen schuld, en ook: je hebt het zelf in de hand of je geneest. Sommige christenen hebben een soortgelijke overtuiging: het al of niet genezen van kanker is een kwestie van al of niet voldoende geloof hebben.
Schilder moet niks hebben van deze meedogenloze benadering. Hij komt met veel voorzichtiger formuleringen. Dat neemt niet weg dat er volgens zijn overtuiging wel terdege een verband bestaat tussen de psychische gesteldheid van de patiënt en de ontwikkeling van diens kanker. Dat baseert hij op wetenschappelijk onderzoek van hemzelf en anderen. In zijn boek staan verschillende casusbeschrijvingen, die trouwens meteen duidelijk maken dat er op dit vlak geen simpele uitspraken gedaan kunnen worden over oorzaak en gevolg en al helemaal niet over schuld.
Toch komt het voor dat patiënten door een psychische verandering bij hen hun ernstige vorm van kanker langer dan verwacht overleven of dat ze de kanker zelfs helemaal kwijtraken. Om dit alles acht Schilder het zinvol als kankerpatiënten met psychotherapie aan de slag gaan om zo hindernissen bij zichzelf op te ruimen. Dat zal doorgaans hun levensvreugde vergroten en wie weet (Schilder blijft voorzichtig) ook positief inwerken op het verloop van hun kanker.

Behalve dat Schilder aandacht geeft aan het psychische (waar dromen bij horen) staat hij ook uitvoerig stil bij het transpersoonlijke. Daaronder verstaat hij de omvattende, hogere werkelijkheid, waarin elke persoonlijkheid als het ware is ingebed. In de praktijk van alledag zijn plaats en tijd begrensd, voor het transpersoonlijke geldt dit niet. Zo kun je iets dromen wat later werkelijkheid wordt. Of je droomt over iets wat zich tegelijkertijd afspeelt, onafhankelijk van jou, op een andere plek. Wanneer je bewustzijn in staat is contact te maken met een tijdloos aspect van de werkelijkheid, kun je daaruit informatie oppikken, kun je dus indrukken opdoen die zich in het verleden of de toekomst bevinden. Denk ook aan uittreedervaringen, die bewijzen dat ons bewuste ervaren qua plaats niet aan ons lichaam is gebonden. Volgens Schilder helpt het zicht op het transpersoonlijke niveau ons om te begrijpen wat zich tussen mensen voordoet bij het toepassen van therapeutische instrumenten als familieopstelling of psychodrama.

Ten slotte geeft Schilder in zijn boek aandacht aan religieuze aspecten. Natuurlijk, het is al mooi als bij een patiënt herverbinding plaatsvindt met diens verborgen, vaak onderdrukte kwaliteiten. Maar het allermooiste is een herverbinding met Christus – iets wat Schilder zelf in zijn leven ervaren heeft.

Ga ik af op een interview in het Medisch Contact uit 2010 met de kankerdeskundige prof. dr. Piet Borst, dan zou die Schilder waarschijnlijk typeren als een kwakzalver. Want ondanks z’n wetenschappelijke kant is Schilder in z’n benadering heel intuïtief. Maar volgens Borst z’n opvatting moeten alle diagnoses en behandelingen ‘evidence-based’ zijn, gegrondvest op natuurwetenschappelijke principes. Hij doet dan ook de extreme uitspraak dat hij het liefst een medische monteur aan z’n ziekbed wil.
Ik vind dit een benepen materialistische benadering. Er is meer tussen hemel en aarde dan wat we op dit moment wetenschappelijk hard kunnen maken. In een reactie op het interview met Borst wijst een specialist daar ook op: ‘Of genetische factoren tot expressie komen, of virussen en bacteriën hun kans krijgen, hangt van meer af dan alleen natuurwetenschappelijke factoren. Dat geldt vervolgens ook voor het traject naar herstel.’ Een ander herinnert aan een artikel in het NTVG dat slechts van 13 % van de behandelingen de werkzaamheid is aangetoond, dat 23 %  ervan vermoedelijk werkzaam is en dat van 46 % de werkzaamheid niet bekend is. Dus zo ‘evidence-based’ zijn Borst en zijn collega’s ook weer niet bezig. Dit maakt duidelijk hoe treffend het is het werk van artsen aan te duiden als geneeskúnst, en daar valt Schilders werk voluit onder.

Dat alles geeft mij de vrijheid te zeggen dat Schilder een waardevol boek heeft geschreven (zie ook zijn sites: www.psycho-oncologie.nl en www.psychomedisch.nl). Zijn benadering kan de lezer stimuleren om niet alleen zorg te besteden aan zijn lichamelijke conditie (tegenwoordig hét thema in betogen over gezondheid) maar evengoed aan zijn psychische en religieuze welzijn – eventueel middels professionele, problemen-openleggende psychotherapie. Wie weet maakt dit bij hem meteen de vatbaarheid voor kanker kleiner.