Oorlogstranen

In ‘Sara’ (2017) beschrijft Lody B. van de Kamp aan de hand van het leven van één fictieve persoon de kindertransporten die in 1938-1939 plaatsvonden vanuit Duitsland naar Engeland. Zijn eerdere boek Oorlogstranen (2008) gaat over ondergedoken Joodse kinderen tijdens maar vooral na de oorlog. Bij voorbaat kan duidelijk zijn hoe traumatisch het voor die kinderen was om van het ene op het andere moment hun ouders kwijt te raken. Hartverscheurend was het ook voor de ouders dat ze noodgedwongen hun kinderen aan wildvreemde verzetsmensen afstonden, in de hoop dat ze zo de oorlog zouden overleven.
Maar toen de oorlog voorbij was, was het verdriet niet voorbij, allereerst voor de kinderen niet, want zij waren veelal hun ouders kwijt. In zijn Voorwoord wijst  de auteur erop dat ook de onderduikouders veel leed hebben doorstaan. “Niet altijd werd dat door de bezetter veroorzaakt. Het verdriet, de angst en de onzekerheid die bijvoorbeeld ontstonden na een gedwongen scheiding tussen onderduikkind en onderduikouders bleken eveneens diep aangrijpend te zijn. Van de ene op de andere minuut moest een kind aan wie men zich had gehecht, worden afgestaan om het naar een nieuwe, onbekende plek te laten brengen. Het contact tussen kind en pleegouders werd daardoor vaak abrupt verbroken. Ook na de oorlogsjaren had dit soort scheidingen nog plaats. Als onderduikkinderen door familieleden werden opgehaald, bleef het contact soms in stand, maar soms juist helemaal niet.”

Heel invoelend en met kennis van zaken beschrijft Van de Kamp nog een ander punt: “Joodse kinderen werden door de oorlogsomstandigheden opgenomen in niet-Joodse gezinnen. Zo groeiden zij op binnen een leefomgeving die wezenlijk verschilde van hun eigen achtergrond. Ook dit heeft (na de oorlog) zijn sporen nagelaten: jonge kinderen, getraumatiseerd als ze waren, moesten ook nog eens kiezen tussen het geloof en de traditie van hun ouders die zij nauwelijks hadden gekend, en die van hun pleegouders die hun het leven hadden gered. Zo ontstonden er verscheurende gevoelens van geloofscrisis en dubbele loyaliteit.”

Heel dit complexe gebeuren tekent Van de Kamp uit aan de hand van het leven van twee zusjes van een Joods echtpaar uit Enschede, die tijdens de oorlog elders ondergebracht worden, de jongste op een Achterhoekse boerderij en de oudste in een Belgisch mijnstadje. Ze zijn zo jong dat ze zich van hun Joodse afkomst niet bewust zijn, waarom ze probleemloos rooms-katholiek kunnen worden opgevoed.
Na de oorlog blijken hun beide ouders door de nazi’s te zijn vermoord. Het jongste meisje wordt al gauw opgehaald door haar Amsterdamse, orthodox-levende oom en tante. Mede door z’n  concentratiekampsyndroom kan de oom het onmogelijk verkroppen dat z’n nichtje vervreemd is van haar Joodse achtergrond en emotioneel verbonden blijft met haar katholieke pleegouders, al heeft ze al gauw geen contact meer met hen.

Het oudste meisje, de hoofdpersoon van het boek, wordt pas na haar dertigste en na de dood van haar pleegouders bekend met haar Joodse achtergrond. Op dat moment is ze non in een katholiek ziekenhuis in Amsterdam. Ze treedt uit en gaat op zoektocht naar haar Joodse oorsprong. Daarbij wordt ze geholpen door de kesobbe (huwelijksacte) van haar Enschedese ouders, die haar Waalse pleegouders haar hebben nagelaten.

Aangrijpend hoe ook zij net als haar zus worstelt met haar trouw aan het christelijk geloof van haar pleegouders en haar solidariteit met het Joodse geloof van haar ouders. “Ze kan Hem niet loslaten in Wie ze van harte gelooft (…), want Hij heeft toch ook voor haar geleden?” Tegelijk vraagt ze zichzelf af of de Verlosser dan misschien toch nog niet gekomen is. Het lukt haar aan deze dubbele loyaliteit recht te doen door zichzelf voor te houden: “of ze nu rooms-katholiek of Joods is, de Verlosser heeft ze nodig (…) de hele wereld schreeuwt om verlossing van schuld en lijden.”

Dit boek maakt nog eens duidelijk hoe veel psychische schade de Tweede Wereldoorlog blijvend heeft aangericht, ook in het leven van mensen die de oorlog zelf niet (bewust) hebben meegemaakt.