Ontdekkingsreizen

Meer dan 600 ontdekkingsreizigers komen voorbij in Atlas van de grote ontdekkingsreizen van Eric Newby (1975, tweede druk 1987). De auteur is heel systematisch te werk gegaan. Hij begint met de Oudheid (met o.a. de Feniciërs, Alexander de Grote en de Romeinen). Dan verhaalt hij over Chinese landreizigers die in de loop van de eeuwen de zijderoute ontsloten hebben; verderop komen Chinese zeereizen aan de beurt. Hierop volgen de Noormannen, die tot in Noord-Amerika gekomen zijn. De Arabieren waren van de tiende tot en met de dertiende eeuw actief met exploreren.
De hoofdmoot van het boek bestaat uit de zee- en landverkenningen van Europese reizigers, vanaf Marco Polo in Azië t/m Jacques Cousteau in de diepzee. Per werelddeel wordt beschreven hoe de exploratie stap voor stap voortgezet werd om zo alle witte vlekken op de landkaarten te kunnen invullen.
Het boek staat vol met portretten van reizigers, met geografische kaarten en met afbeeldingen annex beschrijvingen van de voertuigen en navigatiemiddelen die tijdens reizen gebruikt werden. De hoeveelheid feiten en locaties die op elke bladzijde vermeld worden, laten je herhaaldelijk duizelen. Toch blijft het boek boeien door de indrukwekkende verhalen en de beeldende citaten uit dagboeken.

In het begin van het boek wordt breed aandacht gegeven aan de motieven van de ontdekkingsreizigers.  Wat dan allereerst naar voren komt is onze weetgierigheid: we hebben het in ons dat we graag willen weten wat zich achter de horizon bevindt. En bij sommige mensen is die drang zo sterk ontwikkeld dat ze wel onderweg móeten gaan. Indrukwekkend is dan te zien wat mensen ervoor over hebben gehad om hun doel te bereiken; tegelijk is het triest te constateren dat dit alles vaak ten koste is gegaan van mensenlevens.
Een tweede belangrijk motief is altijd geweest het bevorderen van de handel; daarvoor was het gewenst nieuwe producten, nieuwe partners en snelle routes te vinden. Dit legitieme motief kon zo maar ontaarden als de hebzucht en het eigenbelang de boventoon gingen voeren. Denk maar aan de misstanden waarmee het zoeken naar goud altijd gepaard ging. Berucht is de westerse slavenhandel om de productie in de kolonies op peil te houden. En als een handelsmonopolie gevaar liep werden rustig individuen vermoord en soms zelfs dorpen uitgeroeid.
Eeuwenlang was ook het missionaire motief een belangrijke beweegreden om op ontdekkingsreis te gaan. Christus had toch opgedragen erop uit te gaan om de volken het Evangelie te brengen? Alleen, dat uitdragen van het Evangelie ging nog al eens samen met het respectloos en vaak zelfs meedogenloos omgaan met andersdenkenden.
Ontdekkingsreizen werden eveneens ondernomen om leefruimte te vinden voor economische, politieke of godsdienstige vluchtelingen. Ten slotte was het met name in de 19e eeuw dat reizigers er in Afrika op uit trokken om hun thuisland aan kolonies te helpen.

Hoe interessant deze atlas ook is, de inhoud daarvan roept tegelijkertijd dus gemengde gevoelens op. Daar komt nog wat bij: het lijkt net alsof de Europese mens de maatstaf van alles was. Dat is geen kritiek op de auteur want die onderkent dit pijnpunt: pas als een Europeaan een locatie voor het eerst bezocht, werd dat als ontdekt beschouwd. Dat op die locatie wellicht al eeuwen mensen woonden, soms zelfs met een hoge beschaving, was niet relevant. Daarom leg ik de term ontdekkingsreis graag zo uit dat daardoor locaties aan meer dan aan de oorspronkelijke bewoners bekend werden, oftewel: je kunt van een ontdekking spreken als daardoor bepaalde kennis eigendom wordt van de mensheid in haar geheel.
Zo kosmopolitisch werd vroeger niet gedacht. Als ontdekkingsreizigers ergens voor het eerst voet aan land zetten, namen zij dit land rustig in bezit voor hun staatshoofd – zelfs als de oorspronkelijke bewoners zichtbaar aanwezig waren. Voor ons is dit het toppunt van arrogantie. Een arrogantie die trouwens ook bestond tegenover de niet-Europese mens zelf. Die werd meestal als inferieur beschouwd, waarom ontdekkingsreizigers  er vaak geen been in zagen die wreed te behandelen.

Deze zwarte kant van veel ontdekkingsreizen is des te wranger als je bedenkt dat de meeste Europese reizigers van huis uit christen waren. Telkens weer vraag ik me af hoe het kan dat de ethische kern van het christendom (Christus’ gouden regel: de ander zo behandelen als je zelf behandeld wil worden) zo weinig gerealiseerd is in het leven van Christus’ volgelingen.

Maar terug naar de reizigers zelf: je kunt niet anders dan diep onder de indruk zijn van wat die aan ontberingen hebben doorstaan. Wat een moed en wat een doorzettingsvermogen. Twee voorbeelden:
John Colter: in 1808 werd hij door Indianen gevangen genomen. Ze trokken al z’n kleren uit, gaven hem 30 seconden voorsprong en bevalen hem weg te rennen over een ruw hoogland vol scherpe stenen en cactussen. Hij bleef de achtervolgende Indianen voor; slechts één kon hem inhalen maar die werd met z’n eigen speer door Colter gedood. Spiernaakt trok hij door de woestenij en na een week kwam hij rood verbrand en vol insectenbeten aan in een fort.
En dan Fridtjof Nansen: in 1893 vertrok hij op een schip naar de Noordpool, waar hij zich met z’n schip maanden door drijfijs liet meenemen; in 1895 ging Nansen met een kameraad van het schip af om met sleden en honden verder over het poolijs te trekken; pas na 16 maanden bereikte hij het beoogde eindpunt.
Niet te bevatten dat mensen zulke loodzware tochten kunnen overleven. Terecht dat hun namen in deze atlas met ere genoemd worden.
Tegelijk is waar, dat vele ontdekkingsreizigers kanten hadden die je niet vrolijk stemmen. Pure heiligen zijn ons nu eenmaal niet gegeven. Wellicht dat Livingstone daar dicht bij kwam – al denk ik dat z’n vrouw en kinderen niet zo blij waren met z’n jarenlange afwezigheid in Afrika….