Filosofie van de eenvoud

Er zijn vele praktische boeken geschreven over de versimpeling van ons leven, zoals door Sjoukje van de Kolk, de drijvende kracht achter de vroegere site Simplifylife (zie in de rubriek ‘Teksten van anderen’). Ook is er een groot aanbod van handreikingen over opruimen. Marius de Geus volgt een andere route in z’n boek: Filosofie van de eenvoud. Vereenvoudiging en matiging als verrijking van het bestaan (2015, 384 blz.) Over z’n eigen keuzes vertellend komt hij ook wel met praktische tips, maar z’n boek graaft dieper.

Met vele anderen is hij ervan overtuigd dat de huidige vormen van productie en consumptie onhoudbaar zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit onze ecologische voetafdruk (op de omslag van het boek staat niet voor niets een voetafdruk in het zand afgebeeld). Daarmee wordt het aarde-aandeel bedoeld dat wij nodig hebben om ons persoonlijke consumptieniveau te realiseren. Een eerlijk aarde-aandeel zou ongeveer 1,80 hectare per aardebewoner zijn, maar een gemiddelde Nederlander heeft 6,43 hectare nodig. Dat maakt duidelijk: als alle aardebewoners hetzelfde consumptieniveau zouden hebben als de gemiddelde Nederlander, dan hadden wij meer dan één aarde nodig. Alleen dat al maakt duidelijk dat er verandering nodig is.

De Geus begint z’n boek dan ook met z’n ernstige bezorgdheid over de actuele toestand van onze leefomgeving en ons klimaat. Daarbij wijst hij op de extreme complexiteit van de moderne milieu- en klimaatproblemen. Daar komt nog bij dat de hedendaagse energievoorziening nog altijd voornamelijk gebaseerd is op het gebruik van fossiele brandstoffen. Met vele anderen pleit hij voor de drie R’s: Reduce, Re-use, Recycle.
Het mooie van dit boek is dat met de noodzaak van verandering niet krampachtig wordt omgegaan. Door zijn filosofie van de eenvoud stuurt De Geus beslist niet aan op een uiterst stadium van onthechting aan consumptiegoederen of het opgeven van iedere levensvreugde. Integendeel, door zijn benadering wil hij uitkomen bij een verrijking in plaats van een verschraling van het menselijk bestaan. Zijn vraagstelling is dan ook hoe we op een confortabele, aangename en verantwoordelijke wijze kunnen leven zonder de ecologische begrenzingen van de aarde te overschrijden.

Om een antwoord op die vraag te vinden komen heel wat oude en recente schrijvers voorbij. Om enkele namen te noemen: Aristoteles, die in z’n ethisch denken veel aandacht geeft aan de deugd rechtvaardigheid; Rousseau, die kritisch schrijft over het geloof van z’n tijdgenoten dat geluk en rijkdom gelijk staan aan het hebben van veel materiële bezittingen; Thoreau, die luxe beschouwt als een obstakel voor geluk en pleit voor een leven van eenvoud en onafhankelijkheid; William Morris, die een utopische roman schreef over een duurzame maatschappij; Schumacher, die in Nederland bekend is geworden met z’n boek ‘Hou het klein’, waarin hij de groei om de groei en de toenemende grootschaligheid bestrijdt; Illich, die aandacht vraagt voor de milieuvervuiling, de schaarste van natuurlijke hulpbronnen en de schande van de in producten ingebouwde slijtage.
Daarnaast bespreekt De Geus auteurs die dwarse denkbeelden hebben over de voedselvoorziening. Op dit moment worden allerlei grondstoffen en eindproducten van hot naar her vervoerd, met alle extra milieubelasting van dien. Deze globale productie willen zij inruilen voor locale en dan ook kleinschalige voedselproductie.

Wie kennisneemt van al deze auteurs, verbaast zich erover hoe weinig van hun belangrijke ideeën is doorgedrongen tot de beleidsmakers in Den Haag. De Geus komt in z’n boek dan ook met een uiterst kritische analyse van het overheidshandelen. Soms liggen er wel terdege innoverende rapporten op tafel, maar als het op besluitvorming aankomt, kiezen regeerders toch telkens reactief en niet anticiperend – vast mee uit angst voor de kiezersgunst. Hij pleit ervoor dat de overheid de moed krijgt om de burgers de onwelgevallige waarheid bij te brengen dat productiegroei, overconsumptie en de huidige uitstoot van broeikasgassen reële kwesties zijn, die de kwaliteit van het bestaan serieus bedreigen. De politiek kan niet meer volstaan met oppervlakkige veranderingen om milieu en klimaat te beschermen. De problemen kunnen niet alleen met hulp van de wetenschap en technologie opgelost worden. Er is een ingrijpende aanpassing nodig van ons consumptiegedrag. Daarbij moet de overheid het aandurven offers te vragen van de burgers om hun materiële consumptieniveaus te verminderen en te komen tot verantwoorde levensstijlen.

Apart aandacht geeft De Geus aan het concept van de verdelende rechtvaardigheid. Dat concept kan binnen staten worden toegepast (wie krijgt wat, wanneer, hoe en waarom) maar ook tussen staten (welke staat krijgt wat, wanneer, hoe en waarom). Wat het laatste betreft: is het wel rechtvaardig dat de westerse staten welvaart genieten terwijl Afrikaanse staten het meeste last hebben van de milieugevolgen van de westerse welvaart?
Het concept van de verdelende rechtvaardigheid kunnen we ook door de tijd heen toepassen, de zgn. intergenerationele rechtvaardigheid: kunnen we het maken dat wij de aarde uitputten terwijl de generatie na ons met de gevolgen opgezadeld wordt?

In een van de slothoofdstukken van z’n boek komt De Geus met enkele praktische karakteristieken van een aangename, ecologische levensstijl, zoals:
– Het vermijden van kwaliteitsarme produkten en het koesteren van goedwerkende spullen.
– Oog hebben voor het kleinere in het leven, zoals een fietstocht in de natuur of een goed gesprek.
– Verlaging van het levenstempo, genieten van vrije tijd en minder werken.
– ‘Zijn’ tegenover ‘hebben’: liefde, vriendschappelijkheid, aandacht voor de omgeving, het spirituele e.d. tegenover het bezitten van goederen, de hang naar status en succes.
– Kiezen voor elegante eenvoud, beheerste luxe.
– Leren om het ‘gouden midden’ aan te houden: niet te weinig en niet te veel.

Door z’n boek zet De Geus ons aan kritisch naar onszelf te kijken. Ook stimuleert hij ons om ons geluk niet te zoeken in (de vermeerdering van) het materiële maar in wat er werkelijk toe doet in het leven.