Auteursarchief: Cor

Charles Dickens

Haast 40 jaar staan de 32 deeltjes van de Prisma-uitgave van “De werken  van Charles Dickens” al in onze boekenkast; de eerste druk hiervan verscheen in 1952-1955. Daaraan zijn toegevoegd de twee pockets met John Foster, “Het leven van Charles Dickens” en de bundel “Chesterton over Dickens“. Eindelijk ben ik ertoe gekomen deze uitgave achter elkaar te lezen. Boeiend om te doen.

Al lezend kom je in een compleet andere wereld terecht: het 19de eeuwse Engeland. De armen toen waren echt arm; velen woonden in krotten, hun kinderen stierven vaak voortijdig en hadden geen kans op goede scholing. In de fabrieken werden de arbeiders (mannen, vrouwen én kinderen) uitgebuit, terwijl de luchtvervuiling het milieu verpestte en bijvoorbeeld Londen telkens in dichte mist hulde. Goede wegen ontbraken vaak, zodat de bewoners in het geval van regen zich door modder een weg moesten banen. De bureaucratie was er eerder voor de ambtenaren dan voor de burgers. De repressie van de justitie was meedogenloos, ook als er sprake was van kleine vergrijpen; deportatie naar Australië was een vaak toegepaste straf en tot in Dickens tijd werden mensen in het openbaar terechtgesteld.
En dan te bedenken dat Engeland toen officieel een christelijk land was met een machtige staatskerk,  maar het omgaan met elkaar werd bepaald niet getypeerd door bijbelse empathie, rechtvaardigheid en barmhartigheid. Het recht van de sterkste was dominant.

In die wereld schreef Dickens (1812-1870) z’n boeken. Daarin komt een lange stoet van kleurrijke figuren voorbij:  kwetsbare en ontaarde kinderen, egocentrische en zichzelf opofferende meisjes, huichelachtige en altruïstische mannen, kleine en grote schurken. Ons wordt een blik gegund in gezinnen, scholen, kerken, fabrieken, handelsfirma’s, armenhuizen, gevangenissen, de onderwereld.
Er wordt veel gereisd: met de voeten, de diligence en later ook met de trein. Heel vaak wordt er door de beschreven personen getafeld, waarbij opvallend veel vlees gegeten en wijn gedronken wordt.  Elk boek bevat vele vertellijnen, die spannend, ontroerend of in elk geval onderhoudend zijn. Herhaaldelijk moet je lachen om de humor in de typeringen van personen en situaties. Telkens komt Dickens met treffende psychologische observaties, die des te opvallender zijn omdat Freud nog niet eens geboren was.
Er is wel eens gezegd dat Dickens beschrijvingen revolutionairder waren dan “Das Kapital” van Karl Marx. Ik kan me daar alles bij voorstellen, want het is aangrijpend hoe hij aan de hand van het leven van concrete mensen misstanden aan de kaak stelt. Het kon niet uitblijven of in de samenleving is daardoor het verzet tegen die misstanden gaan groeien, met als resultaat dat mede dank zij Dickens sociaal heel wat verbeterd is in Engeland.

Natuurlijk merk je als lezer uit de 21ste eeuw de afstand. Het meest is dat het geval als je de reisverslagen van Dickens leest over z’n verblijf in Amerika en Italië of z’n korte schetsen over mensen en zaken in Londen. Voor mij zijn die niet zo interessant omdat die grotendeels over het voorbije verleden gaan en meer niet.
Ook bij z’n romans kun je kanttekeningen plaatsen. Nog al eens doen de typeringen van personen wat overdreven of zelfs karikaturaal aan – al wil ik er rekening mee houden dat door de grotere sociale verschillen tussen mensen de karakters toentertijd wellicht extremer waren dan tegenwoordig. De beschrijving van kleding en gebouwen is voor onze begrippen wel erg gedetailleerd – hoe knap ik het ook vind dat Dickens zich alles zo minutieus kon voorstellen. Misschien dat ik na herlezing er anders over denk, maar nu leken sommige episodes in zijn boeken mij niet altijd even noodzakelijk.
Typerend voor die tijd (de regeringsperiode van koningin Victoria) is ook het ontbreken van seksualiteit en het verbloemend spreken over zwangerschap en geboorte zelfs door getrouwden onderling. Overigens heb ik deze terughoudendheid liever dan het exhibitionisme in veel romans uit onze tijd.
Ondanks alle kanttekeningen blijf ik zeggen dat Dickens romans om hun vele kwaliteiten nog altijd het lezen en herlezen meer dan waard zijn.

Ook het leven van Dickens zelf is een boek waard, zoals alleen al uit de biografie van Foster kan blijken. Hij beschrijft hoe Dickens als kind eronder geleden heeft dat z’n ouderlijke gezin op een gegeven moment zo verarmde dat z’n vader in de schuldgevangenis terechtkwam en hij (van z’n 12-15de jaar) moest werken in een schoensmeerfabriek. Door het gebrek aan financiën thuis heeft Dickens dan ook slechts een beperkte schoolopleiding gehad, die hij door zelfstudie heeft kunnen compenseren. Deze jeugdervaringen heeft hij verwerkt in de beginhoofdstukken van “David Copperfield”.
Uit biografieën als die van Wolf Mankowitz (1977) en André Roes (2012) krijg je de indruk dat Dickens als kind weinig bevestiging heeft gehad. Dat zou kunnen verklaren waarom hij in een brief uit 1855 verzuchtte: “Hoe komt het dat ik steeds weer het verpletterende gevoel krijg dat het ene grote geluk in het leven aan mij is voorbij gegaan?” Goed, dit is één enkele uitspraak, maar ik ben toch geneigd bij Dickens een zekere bodemloosheid te veronderstellen. Het is immers opmerkelijk hoe vaak hij verhuisde, hoe onrustig hij heeft rondgereisd en vooral hoe obsessief hij vanaf 1858 honderden voordrachten heeft gegeven van passages uit z’n boeken. Natuurlijk, dit laatste had ook te maken met z’n grote liefde én talent voor toneel; bovendien kon hij het extra geld goed gebruiken voor z’n gezin en verdere familie. Tegelijk proef je dat hij intens hunkerde naar erkenning en waardering, zelfs zozeer dat hij door die talloze voordrachten tot in Amerika toe z’n gezondheid benadeeld heeft.
Ook al was Dickens uit op bevestiging, dit deed geen afbreuk aan z’n betrokkenheid bij z’n gezin, z’n familie en vrienden. Veelzeggend is dat z’n vriend Carlyle, de historicus, tegenover Foster met deze typering kwam: “De goede, zachtaardige, begaafde, immer vriendelijke, nobele Dickens – in hart en nieren een rechtschapen man.” Dat gold voor z’n vrienden, maar eveneens in z’n gezin was hij met z’n interesse en inzet duidelijk aanwezig.

Tot z’n dood was Dickens lid van de Anglicaanse kerk, en dat niet slechts voor de vorm. In z’n testament van 1869 schreef hij: “Ik beveel mijn ziel aan in de barmhartigheid van God, door de tussenkomst van onze Heer en Zaligmaker, Jesus Christus.” En hij voegde daaraan toe: “Ik vermaan mijn dierbare kinderen nederig te trachten zich te gedagen naar de leringen van het Nieuwe Testament.” Ook al komt het geloof in z’n romans niet heel vaak expliciet aan de orde en kon hij heel kritisch schrijven over kerkelijke praktijken, je kunt rustig zeggen dat Dickens benadering van mensen en zaken gedrenkt was in bijbelse waarden.

Archeologische vondsten

Het is verbazingwekkend hoeveel restanten er nog te vinden zijn van oude beschavingen.  Vaak waren uitgebreide opgravingen nodig om ze aan het licht te brengen, soms ook waren ze deels altijd al zichtbaar en kon volstaan worden met opruimwerk.
Twee boeken hebben mij rondgeleid in de wereld van de archeologie: K. Bratigam (adviseur), Spectrum Atlas van de archeologie (1984) en: Fabio Bourbon en Manferto De Fabianis (redactie), Het grote archeologieboek (2005).  Beide boeken vullen elkaar prachtig aan doordat ze soms verschillende locaties bespreken (zo ontbreken de Hettieten in het Archeologieboek en de beelden op het Paaseiland in de Atlas). Daarnaast bevat de Atlas vooral tekstuele informatie (in de inleiding worden bijvoorbeeld verschillende dateringsmethodes besproken) terwijl het dubbel zo dikke Archeologieboek vol staat met illustraties.

Beide boeken kunnen ons, West-Europeanen, bescheidenheid leren. Wij denken wel dat wij het toppunt van de beschavingsgeschiedenis zijn, maar het is indrukwekkend wat vroegere mensen overal in de wereld op allerlei gebieden wisten en konden. Zo gaat de astronomische kennis van de oude Egyptenaren, Babyloniërs en Maya’s heel ver. Ook snap je niet hoe die oude volken zonder onze hulpmiddelen hun gigantische bouwwerken hebben kunnen maken. En medisch waren ze vaak van alles op de hoogte. We hebben daarom geen enkele reden met arrogantie neer te zien op het verleden van Egypte, Mesopotamië, Voor-Indië, China en Amerika.

In de Atlas worden enkele bladzijden gewijd aan prehistorische vondsten in met name Afrika van mensenbotten. Omdat daarbij tekstvondsten ontbreken, moeten de auteurs telkens volstaan met voorzichtige uitspraken, ingeleid met ‘misschien’, ‘vermoedelijk’ e.d. Maar dan verbaast het mij met hoeveel stelligheid toch conclusies getrokken worden, bijvoorbeeld over Afrika als ‘bakermat van de mensheid’ – maar die verbazing zal vast voortkomen uit mijn vooroordeel dat gevoed wordt door wat de Bijbel vertelt over de oorsprong van de mens.

Waar beide boeken maar beperkt aandacht aan geven is het werk van geleerden om teksten te ontcijferen. En er zijn heel wat teksten gevonden, denk aan de duizenden kleitabletten met spijkerschrift in het Midden-Oosten en de uitgebreide inscripties op overheidsgebouwen.
We staan er meestal niet bij stil, maar de ontwikkeling van het schrift is een van de grootste uitvindingen geweest van de mens. Eerst werd uitsluitend gewerkt met talloze pictogrammen, maar door Semieten in het Midden-Oosten (de Feniciërs) is toen het alfabet ontwikkeld waarvoor maar 20-30 letters nodig waren. Door deze teksten kunnen de archeologische vondsten geïnterpreteerd worden en krijgen we zicht op het dagelijks leven van vroeger. Dank zij die teksten hebben verschillende van die oude culturen eveneens een boeiende literatuur nagelaten; het meest beroemd zijn natuurlijk de wijsheidsteksten uit Egypte en het Gilgamesj-epos uit Mesopotamië.

Heel begrijpelijk is in beide boeken de ethische benadering van die oude culturen onderbelicht. Natuurlijk komt aan de orde dat de volken in die tijd onderling vaak niet erg humaan met elkaar omgingen en ook dat de onderdanen van de vorsten niet altijd even veilig waren. Zo wordt gewezen op het fenomeen van het doden van functionarissen bij de begrafenis van hun vorst en op het brengen van rituele mensenoffers.  De Atlas wijdt bijvoorbeeld een aparte paragraaf aan de manier waarop de Tolteken van levende slachtoffers het hart uit het lichaam rukten, terwijl beide boeken melding maken van een bron waarin de Maya’s hun slachtoffers gooiden. Verder kan duidelijk zijn dat het bouwen van al die prachtige bouwwerken een gigantische belasting moet zijn geweest voor de bevolking.
Maar toch, als je in die boeken al die prachtige afbeeldingen bekijkt en de interessante verhalen daarbij leest, ben je vooral geneigd te concluderen: ‘Wat jammer dat die culturen in de loop van de tijd verdwenen zijn en wat erg dat de Spanjaarden de toen bestaande Amerikaanse culturen vernietigd hebben.’
Bij nader inzien kun je je afvragen of het voor de gewone man wel zo’n pretje was in die barbaarse culturen geleefd te hebben en of het daarom echt spijtig is dat die culturen verdwenen zijn.
Tegelijk moeten we erkennen dat wij boter op ons hoofd hebben, want wat een verschrikkingen hebben wij alleen al in de 20e eeuw elkaar aangedaan door het communisme en het nazidom.
Kortom, al roepen archeologische vondsten bewondering op, gemengde gevoelens zijn onvermijdelijk als je vervolgens kijkt naar de donkere kant van de desbetreffende beschaving. Als christen concludeer ik dan: er is fundamentele redding nodig, van Buitenaf.

Ontdekkingsreizen

Meer dan 600 ontdekkingsreizigers komen voorbij in Atlas van de grote ontdekkingsreizen van Eric Newby (1975, tweede druk 1987). De auteur is heel systematisch te werk gegaan. Hij begint met de Oudheid (met o.a. de Feniciërs, Alexander de Grote en de Romeinen). Dan verhaalt hij over Chinese landreizigers die in de loop van de eeuwen de zijderoute ontsloten hebben; verderop komen Chinese zeereizen aan de beurt. Hierop volgen de Noormannen, die tot in Noord-Amerika gekomen zijn. De Arabieren waren van de tiende tot en met de dertiende eeuw actief met exploreren.
De hoofdmoot van het boek bestaat uit de zee- en landverkenningen van Europese reizigers, vanaf Marco Polo in Azië t/m Jacques Cousteau in de diepzee. Per werelddeel wordt beschreven hoe de exploratie stap voor stap voortgezet werd om zo alle witte vlekken op de landkaarten te kunnen invullen.
Het boek staat vol met portretten van reizigers, met geografische kaarten en met afbeeldingen annex beschrijvingen van de voertuigen en navigatiemiddelen die tijdens reizen gebruikt werden. De hoeveelheid feiten en locaties die op elke bladzijde vermeld worden, laten je herhaaldelijk duizelen. Toch blijft het boek boeien door de indrukwekkende verhalen en de beeldende citaten uit dagboeken.

In het begin van het boek wordt breed aandacht gegeven aan de motieven van de ontdekkingsreizigers.  Wat dan allereerst naar voren komt is onze weetgierigheid: we hebben het in ons dat we graag willen weten wat zich achter de horizon bevindt. En bij sommige mensen is die drang zo sterk ontwikkeld dat ze wel onderweg móeten gaan. Indrukwekkend is dan te zien wat mensen ervoor over hebben gehad om hun doel te bereiken; tegelijk is het triest te constateren dat dit alles vaak ten koste is gegaan van mensenlevens.
Een tweede belangrijk motief is altijd geweest het bevorderen van de handel; daarvoor was het gewenst nieuwe producten, nieuwe partners en snelle routes te vinden. Dit legitieme motief kon zo maar ontaarden als de hebzucht en het eigenbelang de boventoon gingen voeren. Denk maar aan de misstanden waarmee het zoeken naar goud altijd gepaard ging. Berucht is de westerse slavenhandel om de productie in de kolonies op peil te houden. En als een handelsmonopolie gevaar liep werden rustig individuen vermoord en soms zelfs dorpen uitgeroeid.
Eeuwenlang was ook het missionaire motief een belangrijke beweegreden om op ontdekkingsreis te gaan. Christus had toch opgedragen erop uit te gaan om de volken het Evangelie te brengen? Alleen, dat uitdragen van het Evangelie ging nog al eens samen met het respectloos en vaak zelfs meedogenloos omgaan met andersdenkenden.
Ontdekkingsreizen werden eveneens ondernomen om leefruimte te vinden voor economische, politieke of godsdienstige vluchtelingen. Ten slotte was het met name in de 19e eeuw dat reizigers er in Afrika op uit trokken om hun thuisland aan kolonies te helpen.

Hoe interessant deze atlas ook is, de inhoud daarvan roept tegelijkertijd dus gemengde gevoelens op. Daar komt nog wat bij: het lijkt net alsof de Europese mens de maatstaf van alles was. Dat is geen kritiek op de auteur want die onderkent dit pijnpunt: pas als een Europeaan een locatie voor het eerst bezocht, werd dat als ontdekt beschouwd. Dat op die locatie wellicht al eeuwen mensen woonden, soms zelfs met een hoge beschaving, was niet relevant. Daarom leg ik de term ontdekkingsreis graag zo uit dat daardoor locaties aan meer dan aan de oorspronkelijke bewoners bekend werden, oftewel: je kunt van een ontdekking spreken als daardoor bepaalde kennis eigendom wordt van de mensheid in haar geheel.
Zo kosmopolitisch werd vroeger niet gedacht. Als ontdekkingsreizigers ergens voor het eerst voet aan land zetten, namen zij dit land rustig in bezit voor hun staatshoofd – zelfs als de oorspronkelijke bewoners zichtbaar aanwezig waren. Voor ons is dit het toppunt van arrogantie. Een arrogantie die trouwens ook bestond tegenover de niet-Europese mens zelf. Die werd meestal als inferieur beschouwd, waarom ontdekkingsreizigers  er vaak geen been in zagen die wreed te behandelen.

Deze zwarte kant van veel ontdekkingsreizen is des te wranger als je bedenkt dat de meeste Europese reizigers van huis uit christen waren. Telkens weer vraag ik me af hoe het kan dat de ethische kern van het christendom (Christus’ gouden regel: de ander zo behandelen als je zelf behandeld wil worden) zo weinig gerealiseerd is in het leven van Christus’ volgelingen.

Maar terug naar de reizigers zelf: je kunt niet anders dan diep onder de indruk zijn van wat die aan ontberingen hebben doorstaan. Wat een moed en wat een doorzettingsvermogen. Twee voorbeelden:
John Colter: in 1808 werd hij door Indianen gevangen genomen. Ze trokken al z’n kleren uit, gaven hem 30 seconden voorsprong en bevalen hem weg te rennen over een ruw hoogland vol scherpe stenen en cactussen. Hij bleef de achtervolgende Indianen voor; slechts één kon hem inhalen maar die werd met z’n eigen speer door Colter gedood. Spiernaakt trok hij door de woestenij en na een week kwam hij rood verbrand en vol insectenbeten aan in een fort.
En dan Fridtjof Nansen: in 1893 vertrok hij op een schip naar de Noordpool, waar hij zich met z’n schip maanden door drijfijs liet meenemen; in 1895 ging Nansen met een kameraad van het schip af om met sleden en honden verder over het poolijs te trekken; pas na 16 maanden bereikte hij het beoogde eindpunt.
Niet te bevatten dat mensen zulke loodzware tochten kunnen overleven. Terecht dat hun namen in deze atlas met ere genoemd worden.
Tegelijk is waar, dat vele ontdekkingsreizigers kanten hadden die je niet vrolijk stemmen. Pure heiligen zijn ons nu eenmaal niet gegeven. Wellicht dat Livingstone daar dicht bij kwam – al denk ik dat z’n vrouw en kinderen in Engeland niet zo blij waren met z’n jarenlange afwezigheid, ver weg in Afrika….

Biggles

Toen ik 14-15 jaar was heb ik Biggles-boeken gespaard van de schrijver W.E. Johns, uitgegeven in de reeks Prisma-juniores van uitgeverij Het Spectrum. Prachtig vond ik het te lezen over de piloot Biggles, die met z’n drie vrienden overal in de wereld het kwaad bestreed. Maar op een gegeven moment kwamen er zo veel delen tegelijk uit dat ik met m’n bescheiden inkomsten moest afhaken, temeer omdat de prijs verhoogd was van 1 gulden naar 1,25.
In het kader van m’n project ‘jeugdboeken herlezen’ ben ik me weer met Biggles gaan bezighouden.  Het blijkt dat er tussen 1958 tot 1972 maar liefst 91 delen zijn uitgekomen, in 2001-2003 met nog drie delen aangevuld. (Ik reken de twee bundels die later zijn verschenen niet mee omdat die verhalen bevatten die Johns in bewerkte vorm in andere bundels heeft heruitgegeven).

Deze 94 delen betreffen vier periodes uit het leven van Biggles: zijn jeugd (3 x), de Eerste Wereldoorlog (5½ x) de jaren twintig en dertig, toen hij een eigen luchtvaartbedrijf had (16 x), de Tweede Wereldoorlog (8 x) en ten slotte de jaren daarna, toen hij bij de luchtvaartpolitie van Scotland Yard werkte, met commodore Raymond als z’n chef (61½ x).

De hoofdpersonen zijn Biggles, z’n neef Algy, lord Bertie en vanaf de jaren dertig ook de jongere Ginger (= Rooie). Voor een overzicht van de serie, zie: Biggles-serie
Het tekenen van karakters is niet Johns’ sterkste kant. Het meest hinderlijk is dat bij Algy die in al die delen een kleurloze figuur blijft. Biggles zelf is in z’n jeugdjaren levendig, vol heftige gevoelens maar als volwassene is hij flegmatiek maar wel creatief in het vinden van oplossingen. Bertie, die constant z’n monocle oppoetst, lijkt soms wat onnozel want hij komt telkens met irreële voorstellen. Ginger is een jonge hond, die vaak goede ideeën heeft. Als Johns wil aangeven wat er innerlijk speelt bij onze vier helden maakt hij dat meestal alleen duidelijk aan de hand van wat er opkomt bij Ginger. De vier vrienden vormen een hecht koppel en zijn door dik en dun trouw aan elkaar. Haast zonder tegenspreken wordt Biggles erkend als de leider, zonder wie ze zich onzeker voelen. Hun vriendschap gaat zo ver dat ze samen in Londen een appartement bewonen.

Een belangrijke rol is ook weggelegd voor Biggles’ aartsvijand Erich von Stalhein. In maar liefst 18 delen van de serie komt hij voor. Tijdens de Eerste Wereldoorlog treedt hij op als Duits spion; later is hij geheim agent van de nazi’s; na de Tweede Wereldoorlog laat hij zich door allerlei ongure mensen inhuren, maar algauw werkt hij voor de Sovjet Unie. Met al z’n Pruisische rechtlijnigheid is hij in z’n werk meedogenloos, vol haat voor de Engelsen en vooral voor Biggles. Tegelijk heeft hij bewondering voor de inventiviteit en integriteit van Biggles; ook is hij er jaloers op hoe de vier vrienden als hecht team fungeren. In z’n houding tegenover Biggles komt een radicale wending als hij door Biggles’ team bevrijd wordt uit een communistisch kamp op Sachalin. Daarna ontwikkelt zich zelfs vriendschap tussen Biggles en Von Stalhein.

De meest opmerkelijke passages in al die 94 delen staan in het gesprek dat Biggles in deel 79 (Biggles achter het IJzeren Gordijn) met Von Stalhein heeft over zijn jeugdliefde Marie Janis. Die jeugdliefde wordt beschreven in deel 71 (Biggles als luchtheld). In 1918, toen hij, nog maar 19 jaar, piloot was in Frankrijk, had Biggles namelijk een toevallige ontmoeting met Marie Janis. Als hij haar hoort en ziet is hij meteen onzinnig verliefd. Op haar vraag ‘Zoekt u mij misschien’ antwoordt hij: ‘Ik zoek u heel m’n leven al. Ik had niet gedacht dat ik u ooit zou vinden.’ Of zo’n reactie bij de vechtjas Biggles past, betwijfel ik, maar goed: hij is door Marie totaal van de kaart en gaat vanaf die tijd intensief met haar om. Binnen de kortste keren is hij haar weer kwijt doordat zij een Duitse spionne blijkt te zijn. Decennia later ziet Biggles uitgerekend met z’n vroegere aartsvijand Von Stalhein terug op die periode en daarbij laat hij op een verrassend open manier in z’n hart kijken: ‘Er is nooit een andere vrouw in mijn leven geweest.’ Mijn hart ‘heeft in een ijskast gelegen sinds die nacht dat mijn droom in een wolk van leugens uit elkaar spatte.’ Op deze manier heeft Johns het aannemelijk gemaakt dat in de Biggles-boeken vrouwen nagenoeg ontbreken.

Wat in de verhalen over Biggles ook grotendeels ontbreekt is het levensbeschouwelijke element. Het is waar, op de achterflap van ‘Biggles begraaft de strijdbijl’ uit 1960 (later deel 52 uit de serie) staat een (stoïsch aandoende) tekst die ik als tiener fantastisch vond. Ik citeer: “De reden waarom Biggles zelfs op de gevaarlijkste ogenblikken zo kalm blijft, spreekt uit zijn levensopvatting.
‘Als je met een vliegtuig in de lucht bent, is alles in orde of het is niet in orde.  Als alles in orde is, hoef je niet te tobben. Als niet alles in orde is, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je valt of je valt niet. Als je niet valt, is er geen reden om te tobben. Als je wel valt, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je raakt gewond, of je raakt niet gewond. Als je niet gewond raakt, hoef je niet te tobben. Als je wel gewond raakt, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je wordt beter, of je gaat dood. Als je beter wordt, is er geen reden om te tobben. En als je dood gaat, kun je niet meer tobben.'”
In de boeken zelf ben ik deze uitspraak niet tegenkomen. Wel klopt het dat Biggles de dingen telkens zonder mopperen neemt zoals ze zijn, ook als ze hem niet aanstaan.

Wat ons iets onthult over Biggles’ religieuze achtergrond zijn twee momenten waarop Biggles leiding geeft aan een begrafenis. In deel 28 (Biggles bij Scotland Yard) wordt verteld:  ‘Biggles nam zijn pet af en vroeg Ginger hetzelfde te doen. Toen, terwijl de zoute wind door zijn haren streek en de meeuwen een melancholiek requiem krijsten, bad hij het Onze Vader.’ In deel 87 (Biggles op het ongelukseiland) wordt bij een begrafenis vermeldt: ‘ Biggles sprak een paar woorden die hij zich van de begrafenisdienst wist te herinneren.’

Z’n instemming met bijbelse waarden laat Biggles merken als hij in no.91 (Biggles en het spookvliegtuig) stilstaat bij de zelfmoord van een aan lager wal geraakte man: ‘Waarschijnlijk had hij te veel geld toen hij nog jong was, en dan wordt zo iemand gauw over het paard getild. Die wijze koning Salomo wist wel wat hij zei toen hij beweerde: “IJdelheid, ijdelheid, alles is ijdelheid.” Maar wat geeft ons het recht kritiek te leveren? We zijn er geen van allen vrij van.’

Dat de auteur van de Biggles-boeken begrip had voor religie blijkt ook uit twee andere passages. In deel 33 (Biggles in Arabië) staat: ‘De naam van God is altijd op de lippen van de woestijn-Arabier die, door zijn leven in de natuur, steeds herinnerd wordt aan de macht van de Almachtige en de nutteloosheid zijn eigen nietige kracht daartegenover te stellen.’ Een soortgelijke uitspraak lezen we in deel 80 (Biggles en het koningsgraf): ‘Voor hen lag nu de grote zandzee, een schouwspel dat niemand kan aanzien, op welke manier hij ook reist, zonder vrees in het hart. Wanneer hij een dergelijk landschap beschouwt, realiseert hij zich, misschien voor de eerste maal, hoe nietig de mens is, en hoe onbetekenend de gewone dingen van het leven zijn.’

Voor mij was heel verrassend wat ik las over het werk van gevechtspiloten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dat niet alleen tijdens de Tweede maar ook al tijdens de Eerste Wereldoorlog vliegers aan het werk waren, heb ik namelijk nooit geweten. Over deze tijd heeft Johns een boeiend overzicht geschreven, zie: Johns (handig te weten zijn de termen die in die tijd gebruikt werden, zie: Termen). Schokkend was het te lezen hoe de meeste piloten in die tijd geen parachute hadden. Als hun vliegtuig in de lucht in brand vloog, sprongen ze zich liever te pletter op de grond dan in hun machine geroosterd te worden.

Wat mij verder boeit in de boeken over Biggles? Johns kan spannend schrijven. En gezien alle ellende in de wereld vind ik het prettig dat het altijd goed afloopt voor onze vier vrienden, al zijn ze soms slachtoffer van hun eigen fouten of gewoon van pech.
Verder zijn de natuurbeschrijvingen prachtig. Als ervaringsdeskundige weet Johns beeldend weer te geven wat de piloten al vliegend waarnemen. En door z’n reiservaringen krijgen we allerlei details te horen van landschappen overal in de wereld. Thuis gerieflijk in je stoel zittend kom je zo in aanraking met plekken en vergezichten die anders ver buiten je horizon gebleven waren.

Nachttrein naar Lissabon

Meer dan dertig jaar is Raimund Gregorius – een geleerd docent Latijn, Grieks en Hebreeuws – elke werkdag trouw naar z’n klassen op het gymnasium in Bern gegaan, de school waarvan hij zelf ook leerling was geweest. Hij was na enkele jaren huwelijk gescheiden en had geen kinderen. Al die jaren had hij nooit iets verrassends gedaan. Maar op een regenachtige morgen ontmoet hij op z’n wandeling naar school een vrouw die op het punt lijkt te staan van de brug in het water te springen. Hij maakt contact met haar, waarna zij hem vraagt of ze met hem mee mag. Hij neemt haar mee naar z’n school en laat haar plaatsnemen in z’n lokaal. Hij had al van haar gehoord dat ze Portugese was. Op een gegeven moment vertrekt de vrouw. Aan het einde van de morgen zet Gregorius z’n leerlingen aan het werk, pakt z’n natte jas en verdwijnt uit de klas en uit de school. Zo begint ‘Nachttrein naar Lissabon’ van Paul Mercier, in 2006 voor het eerst in Nederland verschenen; in 2017 kwam de 50e druk uit.

Je zou verwachten dat de Portugese vrouw in het vervolg een beslissende rol gaat spelen. Maar het boek is geen goedkoop liefdesverhaal. Wel zet de ontmoeting met haar Gregorius aan om de Spaanse boekhandel te bezoeken. Daar krijgt hij een Portugees boek in handen van de fictieve auteur Amadeu de Prado, een adellijke huisarts die ook in het verzet tegen dictator Salazar had gezeten. De boekhandelaar vertaalt voor hem de openingstekst. Gregorius wordt daar zo door getroffen dat hij het boek graag als cadeau van de boekhandelaar aanvaardt. Ook koopt hij een cursus Portugees. Thuis gaat hij met die cursus aan de slag en begint hij passages te vertalen uit het boek van Prado. En dan besluit hij naar Lissabon te gaan om meer te weten te komen over de auteur. Een dag na z’n vertrek uit school zit hij in de trein naar Lissabon. En dan begint zijn zoektocht.
Het is een fascinerend boek, met verschillende lijnen.

Daar is allereerst Gregorius. Door zijn ontmoeting met die Portugese is een oud verlangen bij hem geactiveerd naar verre horizonten. Als scholier had hij al eens een Perzische grammatica gekocht om zich voor te bereiden op een reis naar Isfahan. Deze uitbraak uit z’n beperkte leefsfeer was uiteindelijk in de kiem gesmoord, maar kennelijk was het verlangen nooit helemaal verdwenen.
Prachtig is te lezen hoe Gregorius’ uitbraak ook bij anderen verlangen activeert. Allereerst bij z’n rector, die hij uitvoerig heeft geschreven waarom hij er opeens vandoor is gegaan. Daarna ook bij een medereiziger in de trein, die hem later in z’n huis laat logeren. En als hij een leerlinge in Bern belt om boeken voor hem te kopen en naar Lissabon te versturen, blijken ook bij haar grensverleggende gevoelens wakker te worden.
Zijn onverwachte levenswending verschaft Gregorius in Lissabon telkens makkelijk toegang tot allerlei mensen, die door z’n escapade gefascineerd worden en daardoor gauwer bereid zijn hem toe te laten in hun leven. Het zou me niet verbazen als Mercier’s boek lezers ertoe aangezet heeft eindelijk eens gehoor te geven aan hun weggestopte verlangens.

Een tweede lijn is het leven van Amadeu de Prado, de schrijver van het Portugese boek. Hij had een gecompliceerde relatie met z’n ouders en had gebroken met het katholieke geloof, al bleven kerken met hun schoonheid en liturgie belangrijk voor hem. Een sleutelgebeuren in z’n leven was dat hij ‘de slager van Lissabon’ redde van een hartstilstand; altijd bleef hem kwellen of hij daar goed aan had gedaan want door zijn medische reddingsactie kon deze beul van dictator Salazar doorgaan met z’n slagerswerk. Ook was het vanaf die tijd gedaan met z’n populariteit onder z’n patiënten. Het was door dit alles dat hij bij het verzet ging.
Het lukt Gregorius in gesprek te komen met talloze mensen die Prado goed gekend hebben: twee zussen, medescholieren uit z’n lyceumtijd, een lyceumdocent, patiënten van hem, collega-verzetsmensen. Uit hun verhalen komt Prado naar voren als een hoogbegaafde en hoogsensitieve man, die diep over zijn en het leven nadacht en daarover voor zichzelf schreef. Een groot deel van deze teksten had z’n zus in het genoemde boek uitgegeven, maar Gregorius kreeg van diverse gesprekspartners nieuwe teksten in handen, die hem nog beter zicht gaven op Prado. Die teksten zijn allemaal in het boek opgenomen en zetten de lezer door hun levensbeschouwelijke en filosofische karakter aan tot nadenken.

Ten slotte zijn daar de vele gesprekspartners van Gregorius, die elk op zijn/haar eigen manier gereageerd hebben op het, voortijdig door een hersenbloeding geëindigde, leven van Prado. Ontroerend hoe de empathische aandacht van Gregorius hun verdriet om vroeger en hun moeiten met vandaag tot hun recht laat komen.

Het boek eindigt ermee dat Gregorius terugkeert naar Bern om zich daar neurologisch te laten onderzoek en zo achter de oorzaak te komen van z’n toenemende duizelingen. Het doet haast pijn dat je als lezer niet weet hoe dit afloopt en dat je evenmin weet of hij z’n gesprekspartners in Lissabon nog weer ontmoet heeft terwijl zij zo blij waren met hun contact met hem. Dit maakt wel duidelijk hoe zeer Paul Mercier met z’n boek het hart van z’n lezers bereikt heeft.

De verborgen impact

Babette Porcelijn heeft een schokkend boek geschreven: De verborgen impact. Alles voor een eco-positief leven (derde druk, 2017). Zij toont namelijk aan dat het impact van ons leven op het milieu vele malen groter is dan wij denken. Wij kijken immers meestal alleen naar de milieu-impact tijdens ons gebruik van een product, terwijl we meestal buiten beeld laten hoe belastend voor het milieu het maken en vervoeren van dat product is geweest. Dat laatste noemt Porcelijn de verborgen impact, die in ons geval maar liefst 4x zo groot is als de zichtbare impact.
Extra schokkend is het om vervolgens te lezen dat wij hier in Nederland leven alsof we 3,9 aardes tot onze beschikking hebben. Zouden ook landen als China, India, Rusland en Brazilië gaan leven zoals wij, dan zou de aarde dat niet kunnen dragen.
Toch heeft Porcelijn een hoopvol boek geschreven. Juist doordat we de grote verborgen impact kennen, kunnen we aan de slag om kritischer met onze keuzes om te gaan en om zo het tij te keren.

Het boek staat bomvol plaatjes en diagrammen, waardoor het, ondanks de soms lastige materie, heel toegankelijk is. Ook maakt ze duidelijk onderscheid tussen wat wetenschappelijk aangetoond is en wat haar persoonlijke grove inschatting is in ‘achterkant-bierviltje-stijl’, zoals ze het zelf noemt.
Al is de boodschap van haar boek alarmerend, nergens is de auteur drammerig. Ze probeert recht te doen aan de verschillende benaderingen en keuzes die mogelijk zijn. Dat neemt niet weg dat je haar boek onmogelijk vrijblijvend kunt lezen. Er moet echt veel gebeuren.

In het eerste deel doet Porcelijn onderzoek naar de verborgen impact. Uitvoerig geeft ze aandacht aan de verschillende energiebronnen, waaruit naar voren komt dat benzine, gas en kolen echt hun langste tijd gehad hebben.

Boeiend is haar concretisering in de vorm van een impact top 10. Het meest belastend voor het milieu zijn onze spullen. Daarna is bij doorsnee-Nederlanders vlees een goede tweede. Vleeseters zullen zich dat meestal niet realiseren, maar Porcelijn komt met harde cijfers, bijvoorbeeld: om 120 gram rundvlees op je bord te krijgen, is 1800 liter water nodig, met name door het veevoer; 100 kilo graan levert slechts 4 kilo rundvlees op; voor het oppervlak aan landbouwgrond waarvan één vleeseter kan worden gevoegd, kunnen 3-7 vegetariërs leven. Deze cijfers maken duidelijk hoe bedreigend het voor het milieu is als door de toenemende welvaart ook de bewoners van China, India, Rusland en Brazilië al meer vlees zouden gaan eten.

Ongemakkelijk voel ik me als ik lees hoe vervuilend het maken van een laptop is. Daarin zitten namelijk materialen als: koper, kobalt/nikkel, goud, tin, aluminium, kunststof en glas. Volgens Porcelijn zou (uit de losse pols berekend) het gif dat vrijkomt bij de productie van een laptop opgelost moeten worden in 2000 grote zwembaden om het te verdunnen tot een veilig niveau. Dat motiveert mij om onze laptop voorlopig maar niet te vervangen door een meer moderne.

Nog één voorbeeld: in één spijkerbroek kan maar liefst tot 10.000 liter water verborgen zitten, terwijl 10 m2 landbouwgrond nodig is om de katoen voor één broek te verbouwen.
Uiteraard geeft Porcelijn eveneens aandacht aan het vervoer per auto, schip en vliegtuig. Ook van de gegevens daarover word je niet vrolijk. Zo zou je gemiddeld 300 bomen moeten planten ter compensatie ervan dat je auto is gemaakt en jij ermee rijdt.

In het tweede deel laat Porcelijn zien tot welke problemen onze impact leidt voor de planeet en voor onszelf. Allereerst wijst ze erop dat de druk op het ecosysteem de komende decennia verdriedubbelt. Dat komt door de toename van de wereldbevolking (in 2050 is het aantal mensen van 7,5 naar vermoedelijk 10 miljard gegroeid) en de toename van de welvaart (de welvaart groeit vermoedelijk met een factor 2,7 ten opzichte van nu). Dit is hachelijk omdat vier onderdelen van het ecosysteem een natuurlijk plafond hebben: vruchtbare landbouwgrond, zoet water, grondstoffen en energievoorraden. Toch ziet Porcelijn mogelijkheden om problemen te voorkomen of op te lossen. Recycling en verduurzamen zijn hierbij belangrijke sleutelwoorden. Daarmee verminder je meteen de impact op ons ecosysteem, te weten het verlies van biodiversiteit, de klimaatontwrichting en de vervuiling.

Aparte aandacht geeft Porcelijn aan de vervuiling met plastic. De laatste tijd is er veel aandacht geweest voor de immense plastic soep die in de oceanen drijft, en terecht want jaarlijks komt maar liefst 8 miljard kilo plastic in de oceaan terecht. Toch is die soep macroplastics niet het enige probleem. Veel geniepiger werken de microplastics (tussen de 5 micrometer en 5 millimeter) en de nog kleinere nanoplastics, die overigens ook overal in de lucht en op het land aanwezig zijn, mede door de slijtage van autobanden.

Porcelijn sluit dit deel af met de sociale gevolgen van wat er ecologisch gaande is. Dat maakt het extra duidelijk hoe benedenmaats het is dat Europa zich tegen de massamigratie uit Afrika meent te kunnen verdedigen door hekken en afspraken over terugkeer in plaats dat de eigenlijke, deels ecologische, oorzaken in de landen zelf worden aangepakt.

In deel 3 komt Porcelijn met oplossingen. Die zijn deels ook al in het voorafgaande gegeven, maar in dit deel worden die nader geconcretiseerd voor de overheid, het bedrijfsleven en de consument. Iedereen kan aan de slag. Leuk is dat de auteur afsluit met een uitgebreide beantwoording van de vraag: ‘En wat doe jij, Babette?’ Ze blijft dus zelf niet buiten schot.

Kortom, een angstaanjagend en tegelijk stimulerend boek.

Onder dieren

Het is een goede zaak dat Ton Lemaire in z’n boek ‘Onder dieren. Voor een diervriendelijker wereld‘ (2017) opkomt voor het welzijn van dieren, want nog altijd laten mensen zich gruwelijk gelden ten koste van dieren door ze meedogenloos te verhandelen, benauwend op te sluiten, te slachten, als object van proeven te gebruiken, voor plezier te bejagen enzovoort.

Lemaire pakt z’n pleidooi breed aan. Z’n dikke boek van ruim 500 blz. begint met een uitgebreide beschrijving van zes diersoorten: wolven, olifanten, prieelvogels, bijen, paarden en honden. Daarbij geeft hij aandacht aan hun leefwereld, hun gedrag en hoe in de loop van de tijd over hen geschreven is.

Boeiend is hoe hij de eigenheid van de mens beschrijft ten opzichte van het dier. Hij moet niets hebben van de typering van de mens als beeld van God. Toch is ook in zijn ogen de mens echt anders dan het dier. Lemaire wijst dan niet op ons verstand of onze geest, want op dat vlak hebben dieren soms meer te bieden dan wij ons realiseren. Waarin zij vooral van elkaar verschillen is dit: dieren zijn specialisten in gedrag dat hoort bij een beperkt aantal problemen van hun specifieke leefwijze; mensen daarentegen zijn ongespecialiseerd en hebben een universele leefwereld. Omdat mensen de dwingende instincten missen die de dieren voortdrijven zijn ze potentieel open naar de volledige wereld, die ze dan ook in alle vrijheid kunnen bestrijken.
Helaas zijn we ook in een ander opzicht anders dan de dieren: we zijn de enige soort die martelt, genocide pleegt, andere diersoorten uitroeit en in staat zijn tot de systematische destructie van oorlogen.

Heel pijnlijk is het hoofdstuk over de devaluatie van levende dieren tot consumptievlees. Het mag waar zijn dat de mens altijd vlees gegeten heeft maar nooit waren de schaduwzijden hiervan zo groot als nu. Akelig is wat Lemaine schrijft over de fabrieksmatige afslachting in abattoirs. Schokkend is ook te lezen dat veeteelt voor 14,5% bijdraagt aan kwalijke gassen, 60% van alle agrarische grond nodig heeft en 45% verbruikt van al het water dat voor voedselproductie vereist is. En er hoeft bij het houden van consumptiedieren maar even iets mis te gaan en dan worden er opnieuw honderdduizenden afgemaakt.

In z’n boek gaat Lemaire uit van de evolutietheorie. Wel erkent hij dat die toe is aan herziening, want er zijn te veel verschijnselen die niet verklaard kunnen worden binnen de huidige theorie als zou de evolutie alleen een utilitaire machinerie zijn. Zo wijst hij op het voorkomen van onzelfzuchtigheid bij bijv. olifanten en chimpansees en van esthetische vermogens bij bijv. prieelvogels.
Ook vindt hij het laakbaar dat ethologen zich door hun evolutionistisch paradigma vroeger alleen beperkten tot het gedrag van dieren en wars waren over dierlijke gevoelens te spreken. Hij vindt een zekere antropomorfisering van het onderzoek een goede zaak, want daardoor krijg je als onderzoeker oog voor empathie, medelijden, zorgzaamheid en verdriet bij dieren. Dit maakt meteen duidelijk dat er continuïteit is tussen mens en dier: moreel gedrag is niet een uitvinding van mensen; aanzetten daarvoor komen al bij dieren voor.

Voor Lemaire is duidelijk dat het aanvaarden van de evolutietheorie niet kan samengaan met het geloof in een schepper: ‘Weliswaar blijft het mysterieus dat er ooit en ‘oerknal’ heeft plaatsgevonden en veel later het leven is ontstaan, maar in wetenschappelijke kringen is het idee van een persoonlijke godheid die zich met ons lot bemoeit en ons heil op het oog heeft een vrome wens en illusie, in ieder geval een overbodige veronderstelling.’ (p.388)

Hij heeft fundamentele kritiek op de houding van het christendom tegenover het dier. Daarbij maakt hij het zichzelf niet makkelijk, want hij confronteert zich met vele bijbelteksten waarin dieren voorkomen, niet alleen teksten die over dierenoffers gaan maar ook die waarin voor het belang van dieren wordt opgekomen. Z’n hoofdbezwaar is het antropocentrisme van christenen, want dat heeft volgens hem per definitie dieronvriendelijkheid als keerzijde. Dank zij de evolutietheorie is dit antropocentrisme doorbroken en kan eindelijk recht gedaan worden aan het dier, dat nu immers erkend wordt als mededier. Lemaire zegt het venijnig: ‘Al te lang is de zachte stem van het mededogen met elk schepsel overstemd geweest door de christelijke orthodoxie. Daarom juich ik het toe, omwille van het welzijn van dieren, dat de christelijke greep op de zielen minder wordt.’ (p.338)
Lemaire is zo eerlijk dat hij uitgebreid aandacht geeft aan het diervriendelijke standpunt van de protestantse predikant-arts Albert Schweitzer. Dat neemt niet weg dat Lemaire met z’n kritiek op het christendom een punt heeft: in de bestrijding van de slavernij hebben christenen voorop gestaan, maar in het opkomen voor dieren hebben zij het laten afweten. Ten onrechte, want anders dan Lemaire stelt geeft de Bijbel ons alle aanleiding diervriendelijk te zijn. Wel heeft de mens de opdracht gekregen te heersen over de dieren, maar blijkens Psalm 72 hoort dat heersen een dienend karakter te hebben. Verder is essentieel voor de omgang met dieren dat zij onze medeschepselen zijn. Dus ben ik het oneens met Lemaire dat het christelijke wereldbeeld een kloof veronderstelt tussen mens en dier en dat daardoor empathie met dieren niet gestimuleerd wordt. In de praktijk heeft hij helaas gelijk, waarom het hoog tijd wordt dat het diervriendelijke van de Bijbel door christenen in hun leven geactiveerd wordt.

Telkens bepleit Lemaire het humanisme te verruimen tot humanimalisme. Dat vindt hij de consequentie van het evolutionisme, dat ons immers geleerd heeft de dieren te zien als onze mededieren. We dienen Schopenhauer en het boeddhisme na te volgen door ons mededogen niet alleen te laten uitgaan naar onze medemensen maar evengoed naar de dieren.

Dit boeiende boek roept schaamte op over de vreselijke manier waarop we nog altijd dieren behandelen. Het moet eindelijk eens voor ons allemaal leven dat ook dieren ons mededogen waard zijn. Dit roept meteen de vraag op, om op één punt te concretiseren, hoe ethisch verantwoord het, zeker in de huidige omstandigheden, is geregeld vlees te eten.

Roper over Luther

Lyndal Roper heeft met ‘Luther. Een biografie’ (2017) een fascinerend verhaal over Luther geschreven. Kwistig citeert ze uit de talloze brieven en tafelgesprekken die van de hervormer bewaard zijn gebleven. Daardoor komt de persoon van Luther heel dicht bij. En dat was ook het hoofddoel van de historica. Het was haar niet zozeer te doen om een theologisch of sociologisch beeld te geven van Luther en de door hem geïnitieerde reformatie. Ze wilde Luther voor alles psychologisch begrijpen. Daarom is het terecht dat haar boek als ondertitel heeft ‘een biografie’ en is de titel op de omslag ‘de biografie’ misplaatst, want door haar keuze heeft Roper bewust veel weggelaten of maar summier behandeld.

De rode draad door het boek is Luthers verstoorde verhouding met z’n vader. Daaruit verklaart Roper allereerst de panische angst die Luther in z’n jonge monniksjaren had voor de veroordelende God en eveneens z’n latere felle verzet tegen de autoriteit van de paus in Rome. Voor een groot deel heeft ze mij overtuigd – al blijft het natuurlijk hachelijk boude uitspraken te doen over de psyche van iemand die je alleen op papier en niet uit persoonlijke ontmoetingen kent.
Tegelijk schat ik in dat die angst en dat verzet alles te maken hadden met de context waarin Luther leefde.  Zo werden de paus en de verdere geestelijkheid in die tijd door vele gelovigen verafschuwd vanwege hun hebzucht en zedeloosheid. Ik wil best aannemen dat Luthers verzet tegen z’n vader de felheid van z’n opstand tegen de kerkelijke hiërarchie mee bepaald heeft, maar de breed-gedeelde woede op de uitbuitende en bandeloze kerkleiders moeten we niet uitvlakken.
Verder zijn de Middeleeuwen erdoor gekenmerkt dat de gelovigen het goddelijke oordeel vreesden. Denk alleen maar aan de beeldhouwwerken met het laatste oordeel in de portalen van middeleeuwse kathedralen en aan het bekende lied ‘Dies irae’. Ongetwijfeld heeft ook deze veel-voorkomende benauwdheid invloed gehad op Luther, naast z’n projectie van z’n negatief-beleefde vader op de goddelijke Vader. Overigens maakt dit meteen duidelijk hoe bevrijdend voor Luther z’n ontdekking was dat je, om bij God in de gunst te komen, niet afhankelijk was van je, per definitie twijfelachtige, prestaties maar van je geloof, je gerichtheid op Christus.

Hoe origineel was Luther? Roper geeft er maar beperkt aandacht aan, maar veel van wat Luther te berde bracht was al eerder verdedigd door mensen als John Wyclif (overleden in 1384) en Johannes Hus (terechtgesteld in 1415). En ook in Luthers eigen tijd werden door veel mensen allerlei reformatorische inzichten gespuid. Nieuw was de radicaliteit waarmee Luther door dacht over die nieuwe inzichten terwijl ook nieuw was hoe hij stelselmatig de boekdrukkunst inschakelde om z’n ideeën te verspreiden. Hij was dus niet een eenling maar meer de juiste man op de juiste plaats.
Daarbij heeft hij nooit geïsoleerd geopereerd. In z’n reformatorische opvattingen groeide en radicaliseerde Luther door de kritische reacties op z’n geschriften. Hij was geen studeerkamergeleerde die in alle rust nadacht over zijn ideeën en over de consequenties daarvan. In samenspraak met z’n vrienden kwam hij al worstelend met een publicatie, kreeg daarop van allerlei kanten commentaar en zette daarna een volgende stap.
Een van die vrienden was Melanchthon. Hij was een irenisch ingestelde geleerde en werd daarom niet altijd gewaardeerd door de felle Luther. Maar Ropers boek lezend is het me voor het eerst goed duidelijk geworden hoe essentieel Melachthons inzet is geweest voor Luther zelf en voor de reformatie.

Luther is bekend van z’n strijd tegen de aflaat, maar algauw verzette hij zich ook tegen de relikwieënverering en het lezen door priesters van dodenmissen. Wat ik me nooit gerealiseerd heb was dat dit verzet financieel een geweldige bedreiging was voor de toenmalige rooms-katholieke kerk. Want behalve uit haar grondbezit haalde de kerk haar inkomsten vooral uit de genoemde zaken. Zo had Rome grote bedragen geleend van de bankiersfirma Fugger voor de bouw van de Sint Pieter; nu zouden die leningen terugbetaald worden door de inkomsten van de aflaten. Behalve een theologisch belang had Rome er dan ook een financieel belang bij om Luther weer in het gareel te krijgen.

Beroemd is het optreden van Luther op de rijksdag te Worms in 1521. Het moet voor Luther een adembenemend gebeuren zijn geweest. Hij stond daar voor het hoogste burgerlijke en kerkelijke gezag van Europa en hield daar vast aan standpunten die ingingen tegen wat eeuwen lang als waarheid was uitgedragen. Het heeft hem ongetwijfeld herhaaldelijk naar de keel gegrepen of hij misschien toch niet ongelijk had, want wie was hij: een gewone monnik die hoogleraar was aan een mini-universiteit in een randgebied.

Heel intrigerend om te lezen was hoe positief Luther stond tegenover de lichamelijkheid en dan ook tegenover fysieke genietingen, inclusief seksueel genot. Voor zover mij bekend was hij daarin uniek. Mensen als Augustinus en Calvijn stonden in elk geval uiterst kritisch tegenover de seksuele begeerte. Luther niet. Hij vond de seksuele gemeenschap zelfs zo belangrijk dat hij het bij één gelegenheid kon billijken dat een hertog die z’n libido niet bij z’n vrouw kwijt kon in het geheim een tweede huwelijk sloot – wat in die tijd overigens bij vriend en vijand  een rel heeft veroorzaakt.

Ook dit boek over Luther maakt duidelijk dat hij beslist geen heilige was. Zoals elke pionier kon eveneens Luther geen tegenspraak verdragen, met als gevolg dat hij talloze medestanders van zich vervreemd heeft. Mee daardoor is de reformatorische gemeenschap al meer verdeeld geraakt, met alle schade van dien voor haar positie tegenover de katholieke partij. Het zal waar zijn dat verschillende van die medestanders behoorlijk eigenzinnig waren, maar dat neemt niet weg: Luther was geen samenbindende figuur. Als iemand ook maar op één punt anders dacht dan hij, beschouwde hij zo iemand gauw als een vijand die de duivel in de kaart speelde. Vaak keerde hij zich tegen zo iemand in platte scheldtirades, waarbij hij kwistig strooide met woorden als ketter en varken, pis en schijt.

Beschamend is ook hoe fel hij was tegenover Zwingli, de reformator van Zürich. Die had eigen gedachten over het avondmaal. Z.i. waren brood en wijn alleen een téken van Christus’ lichaam en bloed; in Luthers ogen was deze visie een doodzonde omdat hij heilig geloofde aan de fysieke aanwezigheid van Christus in brood en wijn. Ook had Zwingli een eigen benadering van de verhouding tussen kerk en staat, waarom hij als een gewoon burger meedeed met een veldslag in 1531. Toen hij daarbij sneuvelde, deed Luther dat ijskoud af als Zwingli’s eigen schuld en als een straf van God. En over de gestorven Erasmus verklaarde hij dat hij ervan overtuigd was dat die naar de hel was gegaan.

Vreselijk is verder hoe Luther in 1525 de hoge heren heeft opgeroepen de opstandige boeren af te slachten. Tevoren heeft hij wel enig begrip gehad voor de klachten van de boeren en heeft hij ook wel de overheden aangespoord hen beter te behandelen, maar toen het erop aan kwam heeft hij zich volledig aan de kant van de overheden geschaard. En daarna heeft hij er niets meer aan gedaan om de soms wanhopige omstandigheden van de boeren te verbeteren.

Algemeen wordt als dieptepunt ervaren hoe Luther te keer is gegaan tegen de joden: hun synagoges en boeken moesten worden verbrand, zijzelf moesten worden verdreven, in getto’s worden samengebracht en verplicht worden tot lichamelijke arbeid. Wie joden tegenkwam moest ‘varkensstront naar hen gooien.’ Natuurlijk kun je erop wijzen dat Luthers aversie ingebed was in een algemeen antisemitisme in christelijk Europa; ook is waar dat het voor christenen in die tijd van eenheid tussen kerk en staat haast onmogelijk was andersdenkenden voluit hun maatschappelijke plek te gunnen. Maar onvergeeflijk blijft dat Luther blijkbaar zelfs geen seconde overwogen heeft dat Christus’ gouden opdracht (je moet de ander zo behandelen als jezelf behandeld wil worden, Matteüs 7:12) ook van toepassing was voor de relatie tot joden. Natuurlijk weten we niet wat Luther gevonden zou hebben van het vernietigingsprogramma van de nazi’s, maar helaas moet erkend worden dat zijn optreden de komst daarvan heeft bevorderd.

Door dit alles zal niemand bepleiten dat hij in de rooms-katholieke zin van het woord heilig verklaard wordt – hoe dankbaar we ook kunnen zijn voor wat hij tot op de dag van vandaag aan de vernieuwing van de kerk heeft  bijgedragen.

Meer door minder

Al vele jaren is er wereldwijd een beweging gaande waarin gepleit wordt voor ontspulling. Talloze mensen hebben het gevoel dat ze omkomen in hun materiële overvloed en willen niks liever dan zich beperken tot wat ze echt nodig hebben.
In de rubriek ‘Teksten van anderen’ maak ik melding van minimalisten. Die maken er een sport van hun spullen tot het minimum te beperken, soms zelfs tot minder dan 100 stuks.
Anderen gaan realistischer te werk, vaak ook omdat zij deel uitmaken van een gezin, waarvan de leden lang niet altijd op dezelfde lijn zitten. Ik vind het boeiend zulke boeken te lezen. Altijd stimuleren ze mij om mijn bezit weer eens kritisch bij langs te gaan. En hoe beperkt ook, telkens lukt het me weer wat op te ruimen.

De twee laatste boeken die ik hierover gelezen heb zijn: Joshua Becker, Meer door minder. Maak ruimte om te leven (2016) en Duane Elgin, Houd het simpel! Rijk van binnen, eenvoudig naar buiten (2010).

Becker heeft een aanstekelijk boek geschreven over de vraag hoe je je spullen het beste kunt verminderen. Hij komt met vele praktische verhalen en voorbeelden, die je houvast bieden om zelf aan de slag te gaan.
Hij maakt ook duidelijk waarom het goed zou zijn om met minder materieel bezit te leven. Zo’n leven bezorgt je meer tijd, meer geld, meer vrijheid, minder stress, minder afleiding en heeft ook een kleinere impact op het milieu. In z’n boek wordt dat nader uitgewerkt.
Zo wijst hij erop dat consumentisme vaak wordt verward met geluk. In elk geval de reclame wil ons wijs maken dat we pas echt gelukkig zijn als we de aangeprezen producten kopen. En of we het nu willen of niet: vaak geloven we daaraan. Maar in dat geloof worden we telkens teleurgesteld, want algauw na de aankoop blijkt het geluk weer onbereikbaar achter de horizon te liggen. Wie ervoor kiest met minder te leven, zal zich bevrijd voelen van deze deprimerende drang om maar te bezitten.

Beperk je je op materieel gebied tot wat je echt nodig hebt, dan blijk je van dat mindere meer te kunnen genieten. Hoe waar dit is, bewijzen kleine kinderen: hoe vaak komen zij niet om in speelgoed, met als gevolg dat ze onmachtig zijn geconcentreerd te spelen met één ding. Maar ook omgekeerd: je geeft een kind iets onnozels (in volwassen ogen), waarna dat kind hier tijden mee in de weer is.
Materiële beperking geeft je meer ruimte om aandacht te geven aan wat er echt toe doet. Becker wijst dan met name op relaties. In dat kader pleit hij voor het opvoeren van de hoogte van je giften, het doen van vrijwilligerswerk en het onderhouden van vriendschappen.

Elgin heeft een totaal ander boek geschreven. Hij plaatst het onderwerp ontspullen in het bredere kader van wat in de wereld gaande is. Zo wijst hij erop dat wij voor het huidige consumptieniveau eigenlijk niet toekunnen met deze aarde. We teren in. Dat probleem wordt nijpender nu diverse minder ontwikkelde landen zoals China, India en Brazilië op weg zijn naar ons consumptieniveau.
Elders las ik: als de huidige wereldbevolking net zo welvarend zou zijn als wij in Europa of de Verenigde Staten, zouden we vier aardes nodig hebben. Deze ontwikkeling, aldus Elgin, brengt ons onstuitbaar in aanraking met urgente problemen zoals: te grote bevolkingsgroei, wijdverbreide en diepe armoede, ernstige verstoring van het klimaat, het einde van goedkope olie, wereldwijd tekort aan drinkwater en grootschalig uitsterven van planten- en dierensoorten.

Als privé-persoon kunnen we daar natuurlijk weinig aan doen. Wat we wel kunnen doen is materieel bescheidener leven, ofwel: onze ecologische voetadruk verkleinen. In zijn boek geeft Elgin talloze reacties door van mensen die daar al mee bezig zijn. Ook geeft hij diepgravende analyses om de lezer te stimuleren deze voortrekkers na te volgen.

Zijn boek maakt mij meteen duidelijk hoe kortzichtig en egoïstisch West-Europa omgaat met de stroom economische vluchtelingen uit Afrika. Wat het meest het nieuws haalt zijn onze pogingen om die vluchtelingen buiten Europa te houden, met als doel (is mijn indruk) dat onze welvaart onaangetast gehandhaafd kan blijven. Maar heel weinig hoor je dat deze situatie erom vraagt dat wij ons welvaartspeil naar beneden aanpassen en de Afrikaanse landen helpen hun mensen perspectief te geven.
Blijven we op de huidige manier met dit onderwerp omgaan, dan zullen we binnen afzienbare tijd ontdekken dat het probleem van economische vluchtelingen nog vele malen groter zal worden. We moeten af van onze hebzucht en onze egocentrie. Elgin is vrij optimistisch over de verandering ten goede in de wereld. Zijn talloze contacten geven daar ook aanleiding toe. Maar in Den Haag zie ik weinig tekenen dat er openheid is voor de urgentie van dit onderwerp. Het is waar, het klimaatakkoord van Parijs wordt unaniem omarmd, maar dat gebeurt naar mijn inschatting meer om onze eigen veiligheid en welvaart te handhaven dan om de kwetsbaren in de wereld te beschermen.

Oorlogstranen

In ‘Sara’ (2017) beschrijft Lody B. van de Kamp aan de hand van het leven van één fictieve persoon de kindertransporten die in 1938-1939 plaatsvonden vanuit Duitsland naar Engeland. Zijn eerdere boek Oorlogstranen (2008) gaat over ondergedoken Joodse kinderen tijdens maar vooral na de oorlog. Bij voorbaat kan duidelijk zijn hoe traumatisch het voor die kinderen was om van het ene op het andere moment hun ouders kwijt te raken. Hartverscheurend was het ook voor de ouders dat ze noodgedwongen hun kinderen aan wildvreemde verzetsmensen afstonden, in de hoop dat ze zo de oorlog zouden overleven.
Maar toen de oorlog voorbij was, was het verdriet niet voorbij, allereerst voor de kinderen niet, want zij waren veelal hun ouders kwijt. In zijn Voorwoord wijst  de auteur erop dat ook de onderduikouders veel leed hebben doorstaan. “Niet altijd werd dat door de bezetter veroorzaakt. Het verdriet, de angst en de onzekerheid die bijvoorbeeld ontstonden na een gedwongen scheiding tussen onderduikkind en onderduikouders bleken eveneens diep aangrijpend te zijn. Van de ene op de andere minuut moest een kind aan wie men zich had gehecht, worden afgestaan om het naar een nieuwe, onbekende plek te laten brengen. Het contact tussen kind en pleegouders werd daardoor vaak abrupt verbroken. Ook na de oorlogsjaren had dit soort scheidingen nog plaats. Als onderduikkinderen door familieleden werden opgehaald, bleef het contact soms in stand, maar soms juist helemaal niet.”

Heel invoelend en met kennis van zaken beschrijft Van de Kamp nog een ander punt: “Joodse kinderen werden door de oorlogsomstandigheden opgenomen in niet-Joodse gezinnen. Zo groeiden zij op binnen een leefomgeving die wezenlijk verschilde van hun eigen achtergrond. Ook dit heeft (na de oorlog) zijn sporen nagelaten: jonge kinderen, getraumatiseerd als ze waren, moesten ook nog eens kiezen tussen het geloof en de traditie van hun ouders die zij nauwelijks hadden gekend, en die van hun pleegouders die hun het leven hadden gered. Zo ontstonden er verscheurende gevoelens van geloofscrisis en dubbele loyaliteit.”

Heel dit complexe gebeuren tekent Van de Kamp uit aan de hand van het leven van twee zusjes van een Joods echtpaar uit Enschede, die tijdens de oorlog elders ondergebracht worden, de jongste op een Achterhoekse boerderij en de oudste in een Belgisch mijnstadje. Ze zijn zo jong dat ze zich van hun Joodse afkomst niet bewust zijn, waarom ze probleemloos rooms-katholiek kunnen worden opgevoed.
Na de oorlog blijken hun beide ouders door de nazi’s te zijn vermoord. Het jongste meisje wordt al gauw opgehaald door haar Amsterdamse, orthodox-levende oom en tante. Mede door z’n  concentratiekampsyndroom kan de oom het onmogelijk verkroppen dat z’n nichtje vervreemd is van haar Joodse achtergrond en emotioneel verbonden blijft met haar katholieke pleegouders, al heeft ze al gauw geen contact meer met hen.

Het oudste meisje, de hoofdpersoon van het boek, wordt pas na haar dertigste en na de dood van haar pleegouders bekend met haar Joodse achtergrond. Op dat moment is ze non in een katholiek ziekenhuis in Amsterdam. Ze treedt uit en gaat op zoektocht naar haar Joodse oorsprong. Daarbij wordt ze geholpen door de kesobbe (huwelijksacte) van haar Enschedese ouders, die haar Waalse pleegouders haar hebben nagelaten.

Aangrijpend hoe ook zij net als haar zus worstelt met haar trouw aan het christelijk geloof van haar pleegouders en haar solidariteit met het Joodse geloof van haar ouders. “Ze kan Hem niet loslaten in Wie ze van harte gelooft (…), want Hij heeft toch ook voor haar geleden?” Tegelijk vraagt ze zichzelf af of de Verlosser dan misschien toch nog niet gekomen is. Het lukt haar aan deze dubbele loyaliteit recht te doen door zichzelf voor te houden: “of ze nu rooms-katholiek of Joods is, de Verlosser heeft ze nodig (…) de hele wereld schreeuwt om verlossing van schuld en lijden.”

Dit boek maakt nog eens duidelijk hoe veel psychische schade de Tweede Wereldoorlog blijvend heeft aangericht, ook in het leven van mensen die de oorlog zelf niet (bewust) hebben meegemaakt.